← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.6 Rolnummer: P.18.1305.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-04-12 Raadplegingen: 770 - laatst gezien 2026-06-29 02:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR verzet zich tegen een automatische toerekening van de objectieve verzwarende omstandigheden aan alle deelnemers aan diefstal en dit ongeacht of zij die verzwarende omstandigheden met kennis van zaken hebben aanvaard of bij de uitvoering ervan betrokken waren; het aannemen van de verzwarende omstandigheden bepaald in de artikelen 468, 471, laatste lid en 474 Strafwetboek, vereist een beoordeling voor elke deelnemer afzonderlijk, wat een individuele analyse veronderstelt van zijn gedrag, maar dit belet evenwel niet dat de rechter zich voor de toerekening van de verzwarende omstandigheden aan meerdere deelnemers steunt op dezelfde feitelijke gegevens

(1).
(1)Cass. 20 juni 2018, JT 2018, 717 en noot F. KUTY, "La responsabilité pénale du chef d'une circonstance aggravante réelle de nature intentionnelle: l'exigence de prévision de sa commission à l'exclusion de sa seule prévisibilité"; F. KUTY, "Les conditions de la responsabilité pénale du chef des circonstances aggravantes réelles de nature intentionnelle", JT 2016, pp. 185-188; Cass 13 april 2010, AR P.10.0005.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5, AC 2010, nr. 255 met concl van eerste advocaat-generaal M. DE SWAEF; Cass. 17 juni 2008, AR P08.0070.N, AC 2008, nr. 379 met concl. van advocaat-generaal M. DE SWAEF; EHRM, arrest nr. 50372/99, 2 juni 2005, Göktepe t. België; J. VANHEULE, "Strafbare deelneming: een overzicht van rechtspraak 2000-2010", NC 2012, 1-18, inz. nrs. 45-50 en de aldaar geciteerde rechtspraak en rechtsleer. Thesaurus CAS: MISDRIJF - VERZWARENDE OMSTANDIGHEDEN Vrije woorden: Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden bepaald in de artikelen 468, 471, laatste lid, en 474 Strafwetboek - Toerekening aan de deelnemers - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden bepaald in de artikelen 468, 471, laatste lid, en 474 Strafwetboek - Toerekening aan de deelnemers - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: DIEFSTAL EN AFPERSING Vrije woorden: Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden bepaald in de artikelen 468, 471, laatste lid, en 474 Strafwetboek - Toerekening aan de deelnemers - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden bepaald in de artikelen 468, 471, laatste lid, en 474 Strafwetboek - Toerekening aan de deelnemers - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14 - Artikel 14.1 - Recht op een eerlijk proces - Diefstal - Objectief verzwarende omstandigheden bepaald in de artikelen 468, 471, laatste lid, en 474 Strafwetboek - Toerekening aan de deelnemers - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1305.N R A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tanja Smit, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 222, waar de eiser woonplaats kiest, tegen R G, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 30 november
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel in zijn geheel
  2. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en de artikelen 468, 471, laatste lid en 474 Strafwetboek: met de motie-ven die het arrest overneemt van het beroepen vonnis verantwoordt het niet naar recht de toepasselijkheid van de verzwarende omstandigheid dat de kwetsbare toestand van het slachtoffer de eiser bekend was; het specificeert niet op welke wijze de eiser kennis zou hebben gekregen van deze toestand; de kwetsbaarheid van het slachtoffer was niet de visu vast te stellen door de eiser; uit geen enkel objectief element blijkt dat de eiser op de hoogte kon zijn van die toestand; de aanwezigheid van de eiser in de woning is nooit vastgesteld. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 468, 471, laatste lid en 474 Straf-wetboek: het arrest laat na afzonderlijk te oordelen betreffende de verzwarende omstandigheid dat geweld of bedreiging werden aangewend en dat dit de dood heeft veroorzaakt zonder het oogmerk om te doden; het arrest beoordeelt de be-trokkenheid van de eiser niet afzonderlijk en maakt geen afzonderlijke analyse van eisers gedrag betreffende de verzwarende omstandigheden; de betrokkenheid van de eiser blijkt niet uit de medische verslagen; zijn DNA werd niet terugge-vonden op de tape, zodat niet kan worden gesteld dat de eiser in de woning van het slachtoffer is geweest.
  3. Het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR verzet zich tegen een automatische toerekening van de ob-jectieve verzwarende omstandigheden aan alle deelnemers aan diefstal en dit on-geacht of zij die verzwarende omstandigheden met kennis van zaken hebben aanvaard of bij de uitvoering ervan betrokken waren. Het aannemen van de verzwarende omstandigheden dat de diefstal werd ge-pleegd door middel van geweld of bedreiging (artikel 468 Strafwetboek), de diefstal werd gepleegd ten nadele van een persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, duidelijk was of de dader bekend was (ar-tikel 471, laatste lid, Strafwetboek) en het geweld of de bedreiging werd ge-pleegd zonder het oogmerk om te doden maar toch de dood heeft veroorzaakt (artikel 474 Strafwetboek) vereist een beoordeling voor elke deelnemer afzon-derlijk, wat een individuele analyse veronderstelt van zijn gedrag. De verplichting tot een individuele analyse belet evenwel niet dat de rechter zich voor de toerekening van de verzwarende omstandigheden aan meerdere deelne-mers steunt op dezelfde feitelijke gegevens. In zoverre het middel in zijn beide onderdelen uitgaat van een andere rechtsop-vatting, faalt het naar recht.
  4. Door overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen rede-nen oordeelt het arrest dat: - het slachtoffer werd overvallen door vier mannen waaronder de eiser op basis van informatie verstrekt door de persoon die occasioneel als poets- en huis-houdhulp bij het slachtoffer werkte, die dan een ander tipte welke op zijn beurt vier personen waaronder de eiser inschakelde; - het slachtoffer bij zijn thuiskomst werd opgewacht door de uitvoerders van de overval onder wie de eiser en hij door hen werd gekneveld en geslagen; - het slachtoffer als gevolg daarvan onwel werd, de overvallers hem medicatie gaven maar de hulpdiensten niet verwittigden; - het slachtoffer vervolgens overleed aan een stress gerelateerd hartfalen, waar-bij de gedeeltelijke verstikking door het knevelen mogelijk een bijkomende factor was; - bij confrontatie met de bewijselementen betreffende hun aanwezigheid in de woning van het slachtoffer drie van de vier overvallers - en dus niet de eiser - gedeeltelijke bekentenissen hebben afgelegd en niet hebben betwist dat ze het slachtoffer hebben opgewacht aan zijn woonst en met hem zijn binnengegaan om een diefstal te plegen; - een dergelijke geplande diefstal in aanwezigheid van het slachtoffer logi-scherwijze een diefstal door middel van geweld of bedreiging is; - de hypothese van een van de medebeklaagden dat geen diefstal door middel van geweld of bedreiging werd gepland, maar wel een inbraak in afwezigheid van het slachtoffer, door het telefonieonderzoek wordt ontkracht; - de kwalificatie van het basismisdrijf als diefstal met geweld of bedreiging voor alle beklaagden geldt en dus ook voor de eiser aangezien uit de concrete omstandigheden en de planning van de feiten duidelijk volgt dat zij allen we-tens en willens hebben deelgenomen aan een diefstal waarbij geweld of be-dreiging ten aanzien van het slachtoffer zou worden gebruikt; - de verzwarende omstandigheid dat het geweld of de bedreiging zonder het oogmerk om te doden werd gepleegd en toch de dood heeft veroorzaakt, aan alle beklaagden wordt toegerekend op basis van een individuele beoordeling; - elk van de beklaagden wetens en willens heeft deelgenomen aan een diefstal met geweld of bedreiging, een medebeklaagde het slachtoffer persoonlijk kende en als occasionele poets- en huishoudhulp op de hoogte was van zijn persoonlijke situatie waaronder zijn leeftijd en gezondheidstoestand, zij een andere medebeklaagde heeft ingelicht over de situatie van het slachtoffer, waarop de overval op touw werd gezet en die andere medebeklaagde de vier rechtstreekse uitvoerders waaronder de eiser inschakelde; - de deelneming aan het basismisdrijf inhoudt dat in de concrete omstandighe-den van de zaak het mogelijke doch ongewenste neveneffect van het overlij-den van het slachtoffer werd aanvaard; - dit in het bijzonder geldt voor twee medebeklaagden omdat het overlijden van het slachtoffer - een oudere en vereenzaamde man met een zwakke gezond-heid - dan wel niet het beoogde gevolg van de feiten is geweest maar tegelijk een voorspelbaar en niet onwaarschijnlijk gevolg; - de rechtstreekse uitvoerders van de overval waaronder de eiser bovendien de onmiddellijke impact konden vaststellen van het door hen toegebrachte ge-weld en de verbaal en non-verbaal geuite bedreigingen; - de vier uitvoerders waaronder de eiser op de avond van de feiten zelf nog kennis hadden van het onwel worden van het slachtoffer. Volgens drie van de vier uitvoerders leefde het slachtoffer nog toen ze vertrokken. Zij lieten na afdoende initiatieven te ontwikkelen om het leven van het slachtoffer te red-den. Zij verschuilen zich hiervoor zelfs achter het door hen geponeerde gegeven dat het slachtoffer zou hebben geweigerd de code van zijn mobiele telefoon te geven om de hulpdiensten te bellen; - de verzwarende omstandigheid inzake de kwetsbaarheid bewezen is. Het slachtoffer was een alleenwonende 62-jarige man met beperkte sociale con-tacten en een zwakke gezondheid, omstandigheden die alle beklaagden be-kend waren, enerzijds omdat deze informatie betrekking heeft op het slachtof-fer en een medebeklaagde deze informatie doorspeelde, anderzijds omdat de kwetsbaarheid van het slachtoffer voor de uitvoerders onmiddellijk duidelijk moet zijn geweest; - in haar verhoor een medebeklaagde relaas gaf van de feiten uitgevoerd door onder meer de eiser en zij tevens melding maakte van het onwel worden van het slachtoffer, waarop de hulpdiensten niet werden gebeld omdat het slacht-offer de code van zijn telefoontoestel niet wilde geven; - in de geïntercepteerde communicatie de eiser onder zijn islamitische roep-naam aan bod komt en dat uit die communicatie zijn betrokkenheid bij de fei-ten blijkt, alsook dat hij de andere betrokkenen bedreigde om zijn naam niet te noemen in het onderzoek; - de onderzoeksinformatie over de betrokkenheid van de eiser bij de uitvoering van de feiten in de woonst van het slachtoffer wordt bevestigd door het aan-treffen van zijn vingerafdruk op een pak sigaretten, gevonden op de tafel in de living, alsook door het telefonieonderzoek waaruit blijkt dat het aan hem toe-geschreven telefoonnummer zich onder de zendmast bevond die dekking gaf over de woning van het slachtoffer; - hoewel de vingerafdruk op het pakje sigaretten geen zekerheid biedt over de aanwezigheid van de eiser in de woonst van het slachtoffer op het tijdstip van de feiten omdat dit pakje kan zijn meegebracht door een medebeklaagde, dit spoor minstens duidt op een nauw contact met de eiser in de periode vooraf-gaand aan de feiten; - het alibiverweer van de eiser na onderzoek niet met de werkelijkheid overeen-stemt; - uit het onderzoek wel degelijk blijkt dat een telefoonnummer dat zich op het tijdstip der feiten onder een zendmast bevond die dekking gaf over de woning van het slachtoffer, aan de eiser moet worden toegeschreven. Daaruit volgt dat de appelrechters de vermelde verzwarende omstandigheden van de diefstal niet automatisch toerekenen aan de eiser, maar die wat hem betreft aangetoond achten na een analyse van de gegevens van de zaak met inbegrip van het gedrag van de eiser zelf. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel in geen van zijn onderdelen worden aangenomen.
  5. Voor het overige verplicht het middel in zijn beide onderdelen tot een on-derzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is of komt het op tegen de on-aantastbare beoordeling van de feiten door de rechter. In zoverre is het middel in zijn beide onderdelen niet ontvankelijk. Tweede middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvor-dering: het arrest verzwaart zonder eenparigheid de straf door de eiser een door artikel 91, tweede lid, Tarief Strafzaken bedoelde vergoeding van 53,58 euro op te leggen.
  7. De door artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering voorge-schreven eenstemmigheid is vereist opdat de appelrechter de tegen een beklaag-de uitgesproken straf zou kunnen verzwaren. De door artikel 91, tweede lid, Ta-rief Strafzaken bedoelde vergoeding is geen straf. Er is dan ook geen eenstem-migheid vereist om die vergoeding in hoger beroep voor het eerst op te leggen of te verhogen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 9 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met op-dracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Ko-synsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201020.2N.10 precedenten: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100413.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221109.2F.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.