← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7 Rolnummer: P.19.0273.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-04-12 Raadplegingen: 813 - laatst gezien 2026-06-29 08:10 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De kamer voor de bescherming van de maatschappij is niet de beroepsinstantie van het onderzoeks- of vonnisgerecht dat de interneringsbeslissing heeft genomen en heeft zich dan ook niet uit te spreken over het voldaan zijn aan de in artikel 9 Interneringswet bepaalde voorwaarden om te interneren, waarover bij definitieve beslissing van het onderzoeks- of vonnisgerecht is geoordeeld; het gegeven dat het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht zich met de interneringsbeslissing heeft uitgesproken over het bestaan, op het ogenblik van de berechting, van een geestesstoornis die de oordeelsvorming van de geïnterneerde of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast, veronderstelt een zekere duurzaamheid van die toestand, zodat ingevolge dit gegeven, alsook het wettelijk bepaalde korte tijdsverloop tussen de interneringsbeslissing en de eerste beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de wijze van uitvoering van de interneringsbeslissing, deze kamer op dat ogenblik niet kan worden verplicht zich uit te spreken over het bestaan van een geestesstoornis daar die moet worden geacht nog steeds aanwezig te zijn

(1).
(1)H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN en E. SCHIPAANBOORD, "Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering?" Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. VANDER BEKEN, "De nieuwe interneringswetgeving", in P. TRAEST, A. VERHAGE en G VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafproces- recht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Kamer voor bescherming van de maatschappij - Rol van de kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de eerste beslissing - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering - Rol van de kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de eerste beslissing - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Internering - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Rol van de kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de eerste beslissing - Draagwijdte - Gevolg Fiches 4 - 6 Bij de op de eerste beslissing volgende beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de internering, die in beginsel uiterlijk binnen het jaar moeten gebeuren, dient de kamer voor de bescherming van de maatschappij zich wel uit te spreken over het al dan niet nog bestaan van een geestesstoornis, indien zij daartoe door de geïnterneerde wordt uitgenodigd en bij de beoordeling van de aanvoering van een geïnterneerde dat hij niet langer meer getroffen is door een geestesstoornis en indien blijkt dat de geestesstoornis voldoende is gestabiliseerd en er nog steeds redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij de definitieve invrijheidstelling niet toekennen; indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis, komt het aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij toe te oordelen of, in het licht van het risico op het opnieuw plegen van door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven, alsook rekening houdend met de doelstellingen van artikel 5.1.e) EVRM, een plaatsing nog wel noodzakelijk is en of het voormelde risico niet kan worden weggenomen door minder verdergaande uitvoeringsmaatregelen van de internering, zoals een invrijheidstelling op proef; indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en er niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, moet de kamer voor de bescherming van de maatschappij aan de geïnterneerde een definitieve invrijheidstelling toekennen, zelfs al is de door artikel 42, § 1, Interneringswet bepaalde proefperiode nog niet verstreken
(1).
(1)H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN en E. SCHIPAANBOORD, "Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering?" Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. VANDER BEKEN, "De nieuwe interneringswetgeving", in P. TRAEST, A. VERHAGE en G VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafproces- recht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Kamer voor bescherming van de maatschappij - Rol van kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de volgende beslissingen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering - Rol van kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de volgende beslissingen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Internering - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Rol van kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de volgende beslissingen - Draagwijdte - Gevolg Fiches 7 - 9 Artikel 66 Interneringswet, in die zin gelezen dat een geïnterneerde wiens toestand dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en waarvan niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat hij door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen slechts in aanmerking komt voor een definitieve invrijheidstelling na het verstrijken van deze proeftermijn, is niet verenigbaar met artikel 5.1.e en 5.4 EVRM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Recht op vrijheid en veiligheid - Artikel 5.1.e - Vrijheidsontneming van geesteszieken - Artikel 66 Interneringswet - Definitieve invrijheidstelling - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Recht op vrijheid en veiligheid - Invrijheidstelling - Artikel 66 Interneringswet - Definitieve invrijheidstelling - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Definitieve invrijheidstelling - Voorwaarden - Verenigbaarheid met de artikelen 5.1.e en 5.4 EVRM - Draagwijdte - Gevolg Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2019, nr. 13, p. 1150-1159. - HANOULLE, Katrien; Noot'De vaste termijn van de invrijheidstelling op proef bij internering en het recht op vrijheid' Tekst van de beslissing Nr. P.19.0273.N J O A V H, geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 12 maart 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Krachtens artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering (hierna Interneringswet) staat voor de advocaat van de geïnterneerde persoon cassatieberoep open tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij: - met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en tot herziening overeenkomstig artikel 62; - met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling; - tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel 77/7 Interneringswet. 2. Uit die bepaling volgt dat de beslissingen betreffende uitgaansvergunningen en de plaatsing niet vatbaar zijn voor cassatieberoep. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel 3. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.1.e, 5.4 en 13 EVRM: doordat de eiser niet langer geestesziek is, is zijn opsluiting onrechtmatig; het bestreden vonnis stelt dit ten onrechte niet vast en heft eisers internering ten onrechte niet op; indien het Hof oordeelt dat een definitieve invrijheidstelling enkel mogelijk is na het doorlopen van een proeftermijn van drie jaar, verzoekt de eiser het Hof volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt de Wet van 05.05.2014 betreffende de internering art. 3, 5.1, 5.4 en 13 EVRM, gelezen in samenhang met art. 10 en 11 van de Grondwet, nu deze wet géén invrijheidstelling (op proef of definitief) mogelijk maakt indien de geïnterneerde niet langer geestesziek is of omdat hij niet langer een gevaar vormt voor de maatschappij, waardoor het nationale rechtscollege bevoegd om [de eiser] daadwerkelijke rechtshulp te geven (de KBM) over géén enkele mogelijkheid beschikt om de vastgestelde onrechtmatige vrijheidsberoving te beëindigen?” 4. Artikel 5.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op persoonlijke vrijheid en veiligheid en dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg:
  1. e)in het geval van een rechtmatige gevangenhouding van geesteszieken. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is. 5. Uit deze verdragsbepalingen volgt dat: - de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts rechtmatig is, indien (
  2. a)uit een objectieve en medische expertise blijkt dat de betrokkene is getroffen door een reële en voortdurende mentale stoornis, (
  3. b)die stoornis van aard is dat zij de vrijheidsberoving rechtvaardigt en (
  4. c)de vrijheidsberoving niet langer duurt dan noodzakelijk is; - bij de voormelde beoordeling niet alleen strikt medische elementen een rol spelen, maar ook het gevaar dat de betrokkene vormt voor de samenleving; - indien een van zijn vrijheid beroofde geesteszieke terug gezond is, hij in beginsel in vrijheid moet worden gesteld. De vaststelling dat de betrokkene niet langer geestesziek is, impliceert evenwel niet dat die invrijheidstelling dadelijk en onvoorwaardelijk moet gebeuren, voor zover de uitgestelde invrijheidstelling in overeenstemming is met de doelstellingen van artikel 5.1.
  5. e)EVRM en die vrijlating niet onredelijk lang wordt uitgesteld. 6. De vrijheidsberoving van geesteszieken die zich aan een strafbaar feit hebben schuldig gemaakt wordt met ingang van 1 oktober 2016 geregeld door de Interneringswet. De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. 7. De wet maakt een onderscheid tussen de beslissing tot internering zelf (de gerechtelijke fase van de internering) en de uitvoering van die beslissing (tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen tot internering). 8. De onderzoeks- of vonnisgerechten kunnen slechts beslissen tot internering voor zover (
  6. a)de betrokkene misdaden of wanbedrijven heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen, (
  7. b)de betrokkene op het ogenblik van die beslissing lijdt aan een geestesstoornis die zijn oordeelsvorming of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast en (
  8. c)bij wie het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw de voormelde misdaden of wanbedrijven zal plegen (artikel 9, § 1, eerste lid, Interneringswet). Het onderzoeks- of vonnisgerecht kan slechts beslissen tot internering na de uitvoering van een forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of de actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek (artikel 9, § 2, Interneringswet). Dit forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek, dat een zeker tegensprekelijk karakter kent (artikelen 7 en 8 Interneringswet), moet voldoen aan de door de wet bepaalde kwaliteitsvereisten (artikel 5 Interneringswet). Tegen de interneringsbeslissing kunnen de bij wet bepaalde rechtsmiddelen worden aangewend. 9. Eens de interneringsbeslissing kracht van gewijsde krijgt, gebeurt de concrete tenuitvoerlegging ervan door de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die een gespecialiseerde kamer is van de strafuitvoeringsrechtbank. Die kamer bestaat uit een rechter-voorzitter, een assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie en een assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie (artikel 78 Gerechtelijk Wetboek). Die instantie moet dus worden geacht voldoende vertrouwd te zijn met de beoordeling van de geestestoestand van geïnterneerden. 10. Het openbaar ministerie moet de zaak binnen de twee maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de interneringsbeslissing aanhangig maken bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Diverse adviezen (al naargelang het geval: voorlichtingsverslag of maatschappelijke enquête, verslag van de inrichtingsdirecteur of de zorgverantwoordelijke, verslag van de psychosociale dienst) worden ingewonnen (artikel 29, § 1 en § 3, Interneringswet). De kamer voor de bescherming van de maatschappij moet de zaak behandelen uiterlijk drie maanden na het in kracht van gewijsde gaan van de interneringsbeslissing (artikel 29, § 2, Interneringswet) met een mogelijkheid van een eenmalig uitstel (artikel 32 Interneringswet) en zij moet uitspraak doen binnen de veertien dagen na het in beraad nemen van de zaak (artikel 33 Interneringswet). Bij die tegensprekelijke behandeling worden ook de inrichtingsdirecteur of de verantwoordelijke voor de zorg gehoord (artikel 30, eerste lid, Interneringswet). De kamer voor de bescherming van de maatschappij kan beslissen tot plaatsing of overplaatsing, de toekenning van de bij wet bepaalde uitvoeringsmodaliteiten van de internering en dus ook tot de invrijheidstelling op proef (artikel 34 Interneringswet), mits aan de daarvoor geldende wettelijke voorwaarden is voldaan. Indien wordt beslist tot een invrijheidstelling op proef geldt een proeftijd van drie jaar, telkens hernieuwbaar met twee jaar (artikel 42, § 1, Interneringswet). Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot plaatsing dient zij een termijn te bepalen waarbinnen opnieuw advies moet worden uitgebracht, termijn die niet langer mag zijn dan één jaar na het vonnis (artikel 43 Interneringswet). 11. De verdere opvolging van de internering door de kamer voor de bescherming van de maatschappij start met het advies van de inrichtingsdirecteur of de zorgverantwoordelijke, dat onder meer een geactualiseerd multidisciplinair psychosociaal-psychiatrisch verslag en een met redenen omkleed voorstel tot toekenning of afwijzing van de overplaatsing en de uitvoeringsmodaliteiten bevat. Dit advies moet binnen de door de kamer voor de bescherming van de maatschappij bepaalde termijn worden ingediend (artikel 47, § 1 en § 2, Interneringswet). De kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist volgens een procedure en binnen termijnen die analoog zijn met die welke gelden voor de eerste beslissing (artikelen 49, 50 en 52 Interneringswet). Zij kan opdracht geven tot het opstellen van een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijke enquête of bij gemotiveerde beschikking een aanvullend forensisch psychiatrisch onderzoek bevelen (artikel 51 Interneringswet). 12. Bij hoogdringendheid kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij op verzoek van de advocaat van de geïnterneerde, het openbaar ministerie, de inrichtingsdirecteur of de zorgverantwoordelijke en dus niet op verzoek van de geïnterneerde zelf, volgens een niet-tegensprekelijke procedure met een mogelijkheid van verzet, beslissen over een overplaatsing of de toekenning van een uitvoeringsmodaliteit van de internering, waaronder de invrijheidstelling op proef (artikel 54 Interneringswet). Of er hoogdringendheid is, wordt onaantastbaar beoordeeld door de kamer voor de bescherming van de maatschappij. 13. De definitieve invrijheidstelling kan aan een geïnterneerde persoon slechts worden toegekend bij het verstrijken van de in artikel 42, § 1, Interneringswet bepaalde proeftijd van minstens drie jaar én op voorwaarde dat de geestesstoornis voldoende gestabiliseerd is, zodat redelijkerwijze niet te vrezen valt dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen (artikel 66 Interneringswet). De toekenningsprocedure wordt opgestart door het openbaar ministerie drie maanden vóór het einde van de proeftijd en de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist één maand vóór het einde van de proeftijd over de definitieve invrijheidstelling, tenzij er werd beslist tot uitvoering van een nieuw forensisch psychiatrisch onderzoek, in welk geval de termijn is geschorst (artikelen 67 tot en met 70 Interneringswet). 14. Uit het voorgaande volgt dat: - de kamer voor de bescherming van de maatschappij niet de beroepsinstantie is van het onderzoeks- of vonnisgerecht dat de interneringsbeslissing heeft genomen en zich dan ook niet heeft uit te spreken over het voldaan zijn aan de in artikel 9 Interneringswet bepaalde voorwaarden om te interneren, waarover bij definitieve beslissing van het onderzoeks- of vonnisgerecht is geoordeeld; - het gegeven dat het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht zich met de interneringsbeslissing heeft uitgesproken over het bestaan, op het ogenblik van de berechting, van een geestesstoornis die de oordeelsvorming van de geïnterneerde of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast, een zekere duurzaamheid van die toestand veronderstelt; - ingevolge dit gegeven, alsook het wettelijk bepaalde korte tijdsverloop tussen de interneringsbeslissing en de eerste beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij over de wijze van uitvoering van de interneringsbeslissing, deze kamer op dat ogenblik niet kan worden verplicht zich uit te spreken over het bestaan van een geestesstoornis daar die moet worden geacht nog steeds aanwezig te zijn; - bij de volgende beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de internering, die in beginsel uiterlijk binnen het jaar moeten gebeuren, de kamer voor de bescherming van de maatschappij zich wel dient uit te spreken over het al dan niet nog bestaan van een geestesstoornis, indien zij daartoe door de geïnterneerde wordt uitgenodigd; - bij de beoordeling van de aanvoering van een geïnterneerde dat hij niet langer meer getroffen is door een geestesstoornis, de kamer voor de bescherming van de maatschappij, gelet op haar multidisciplinaire samenstelling en rekening houdend met de wettelijk te verlenen adviezen onder meer op psychosociaal-psychiatrisch vlak, niet steeds verplicht is om overeenkomstig artikel 51, § 2, Interneringswet een aanvullend forensisch psychiatrisch onderzoek te bevelen, maar onaantastbaar oordeelt of die beoordeling een dergelijk onderzoek vergt; - indien blijkt dat de geestesstoornis voldoende is gestabiliseerd en er nog steeds redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, de kamer voor de bescherming van de maatschappij niet de definitieve invrijheidstelling kan toekennen; - indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis, het aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij toekomt te oordelen of, in het licht van het risico op het opnieuw plegen van door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven, alsook rekening houdend met de doelstellingen van artikel 5.1.
  9. e)EVRM, een plaatsing nog wel noodzakelijk is en of het voormelde risico niet kan worden weggenomen door minder verdergaande uitvoeringsmaatregelen van de internering, zoals een invrijheidstelling op proef; - indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en er niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, de kamer voor de bescherming van de maatschappij aan de geïnterneerde een definitieve invrijheidstelling moet toekennen, zelfs al is de door artikel 42, § 1, Interneringswet bepaalde proefperiode nog niet verstreken. Artikel 66 Interneringswet, in die zin gelezen dat een geïnterneerde die aan de voormelde voorwaarden voldoet slechts in aanmerking komt voor een definitieve invrijheidstelling na het verstrijken van deze proeftermijn, is immers niet verenigbaar met artikel 5.1.e en 5.4 EVRM. 15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de interneringsbeslissing dateert van 28 april 2017 en zij kracht van gewijsde heeft gekregen op 7 november 2017; - de kamer voor de bescherming van de maatschappij bij vonnis van 6 februari 2018 heeft beslist tot plaatsing van de eiser in een instelling tot bescherming van de maatschappij met uitgaansvergunningen en waarbij de datum voor een nieuw advies werd bepaald op 6 februari 2019; - het cassatieberoep tegen dat vonnis bij arrest van het Hof van 6 maart 2018 werd verworpen; - de zaak opnieuw werd vastgesteld voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij op de rechtszitting van 27 februari 2019 en de eiser daar onder meer heeft aangevoerd dat hij geen geestesstoornis heeft en bijgevolg in vrijheid dient te worden gesteld. 16. Het vonnis oordeelt in wezen dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij op dit verweer niet hoeft in te gaan, gelet op wat werd beslist met de interneringsbeslissing. Die beslissing is niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie 17. De vernietiging van de beslissing over de beoordeling van eisers geestestoestand leidt tot de vernietiging van de overige beslissingen van het vonnis, ook van die waartegen eisers cassatieberoep niet ontvankelijk is, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Overige grieven 18. De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Verwijst de zaak naar de strafuitvoeringsrechtbank Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 9 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7 Gerelateerde publicatie(
  10. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.34 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250402.2F.14 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210413.2N.14 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240820.VAC.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.