id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.4 Rolnummer: F.18.0062.N Zaak: D. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 340 - laatst gezien 2026-06-28 06:18 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.4 Fiche Het beginsel van behoorlijk bestuur dat inhoudt het recht om gehoord te worden vooraleer een bestuurlijke beslissing wordt genomen die de rechtspositie van de betrokkene wijzigt, is niet absoluut; het kan terzijde gelaten worden indien, zelfs met het horen van de betrokkene, geen andere beslissing mogelijk is dan de beslissing genomen zonder dat de betrokkene gehoord is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INTERESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: Inkomstenbelasting - Vraag tot vrijstelling nalatigheidsintresten bij toepassing artikel 417 WIB92 - Recht om vooraf gehoord te worden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 417 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Annotaties Publicaties: Revue générale du contentieux fiscal [RGCF] - 2019, n° 5, p. 363-
- - VAN BRUSTEM, Eric; Note'La Cour de cassation précise la portée du droit d'être entendu dans le cadre d'une demande d'exonération des intérêts de retard' Tekst van de beslissing Nr. F.18.0062.N J.D., toegelaten tot de rechtsbijstand, eiser, met als raadsman mr. Bruno François, advocaat bij de balie te Brussel, met kantoor te 1755 Gooik (Oetingen), Vollezelestraat 22, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt het Regionaal Invorderingscentrum West-Vlaanderen, met kantoren te 8000 Brugge, Gustaaf Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 19 december
- Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft op 26 februari 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- De artikelen 374 en 375 WIB92 die betrekking hebben op de behandeling van een tegen een gevestigde aanslag ingediend bezwaarschrift, zijn vreemd aan het door de appelrechter beoordeelde geschil dat betrekking heeft op een weigering vrijstelling te verlenen voor wegens wanbetaling verschuldigde nalatigheidsinterest. In zoverre het middel schending aanvoert van de voormelde wetsbepalingen, is het niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 417 WIB92 mag de directeur der belastingen, in bijzondere gevallen, onder door hem bepaalde voorwaarden, vrijstelling verlenen voor al de nalatigheidsinterest of voor een deel ervan. Die wetsbepaling verplicht de directeur der belastingen niet om de verzoeker te horen vooraleer zijn beslissing te nemen.
- Het beginsel van behoorlijk bestuur dat inhoudt het recht om gehoord te worden vooraleer een bestuurlijke beslissing wordt genomen die de rechtspositie van de betrokkene wijzigt, is niet absoluut. Het kan terzijde gelaten worden indien, zelfs met het horen van de betrokkene, geen andere beslissing mogelijk is dan de beslissing genomen zonder dat de betrokkene gehoord is.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - het hoorrecht geen absoluut recht is en hier evenmin op straffe van nietigheid is voorgeschreven; - in de gegeven omstandigheden dat de administratie vaststelt dat de eiser geenszins onvermogend was en bij realisatie van het onroerend goed de belastingschuld van de eiser gedeeltelijk zou aangezuiverd worden, de administratie terecht kon oordelen dat het verzoek van de eiser ongegrond was en om die reden de uitoefening van het hoorrecht in geen geval tot een andere beslissing zou kunnen leiden, wat in de visie van de verweerder een gegronde reden was om de eiser niet te horen; - doorslaggevend is dat de eiser over een voldoende groot vermogen beschikte. Met die redenen verantwoordt de appelrechter naar recht zijn beslissing dat de eiser, in die omstandigheden, niet diende gehoord te worden. Het middel kan in zoverre niet aangenomen worden.
- De overige grieven zijn afgeleid, zodat het middel in zoverre niet ontvankelijk is. Tweede middel
- Krachtens artikel 164, § 1, KB WIB92, kan de bevoegde ontvanger, bij een ter post aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de aan een belastingschuldige verschuldigde of toebehorende sommen en zaken, tot beloop van het bedrag, geheel of gedeeltelijk, dat door deze laatste verschuldigd is uit hoofde van belastingen, voorheffingen, belastingverhoging, nalatigheidsinteresten, boeten en kosten van vervolging of tenuitvoerlegging. Wanneer de derde-beslagene zijn schuld betwist, blijft krachtens artikel 165, § 1, 2°, KB WIB92 het bewarend effect van dit beslag enkel behouden op voorwaarde dat tijdig een uitvoerend beslag onder derden bij deurwaardersexploot wordt gelegd zoals bepaald bij artikel 1539 Gerechtelijk Wetboek.
- Het middel dat ervan uitgaat dat wanneer de derde het beslag betwist, de ontvanger dient over te gaan tot het leggen van een gemeenrechtelijk uitvoerend beslag onder derden, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt mitsdien naar recht. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 345,86 euro in debet. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 12 april 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190412.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190412.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div