← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.2 Rolnummer: P.18.0815.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 781 - laatst gezien 2026-06-29 11:00 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het staat aan de beklaagde die er zich op beroept uitgegraven bodem als bodem binnen een kadastrale werkzone vrij te mogen gebruiken, geloofwaardig aan te voeren of voldaan is aan de toepassingvoorwaarden van het uitzonderingsregime bepaald in de artikelen 158, 7° en 164, eerste lid, 1°, VLAREBO en inzonderheid aan de voorwaarde van een kadastrale werkzone; vervolgens staat het aan de rechter om te oordelen of de beklaagde slaagt in die aanvoeringsplicht. Thesaurus CAS: MILIEURECHT Vrije woorden: Achterlaten van afvalstoffen - Gebruik van uitgegraven bodem als bodem - Verbod - Uitzonderingsregime - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 02-07-1981 - Art. 12, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1981001184 Decreet Vlaamse Raad - 23-12-2011 - Art. 12 - 33 ELI link Pub nr 2012035118 Besluit Vlaamse Regering - 14-12-2007 - Artt. 158, 7°, en 164, eerste lid, 1° - 65 ELI link Pub nr 2008200841 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Milieurecht - Achterlaten van afvalstoffen - Gebruik van uitgegraven bodem als bodem - Verbod - Uitzonderingsregime Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 02-07-1981 - Art. 12, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1981001184 Decreet Vlaamse Raad - 23-12-2011 - Art. 12 - 33 ELI link Pub nr 2012035118 Besluit Vlaamse Regering - 14-12-2007 - Artt. 158, 7°, en 164, eerste lid, 1° - 65 ELI link Pub nr 2008200841 Fiche 3 De herstelvordering moet geënt zijn op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging; vermits zij het herstel van de wettigheid naar de toekomst toe beoogt, dient zij een gewijzigde toestand in aanmerking te nemen

(1).
(1)Cass. 23 april 2019, AR P.18.0990.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3, AC 2019, nr. 236; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0593.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.2, AC 2018, nr. 125; Cass. 18 april 2017, AR P.16.0688.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.9, AC 2017, nr. 260; Cass. 2 februari 2016, AR P.14.1593.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.3, AC 2016, nr. 72; Cass. 9 september 2014, AR P.12.0896.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.1, AC 2014, nr. 500. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering geënt op feiten van de telastlegging - Begrip Fiche 4 Indien de telastlegging bestaat in het zonder vergunning gewoonlijk gebruik maken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande materialen, materieel of afval, dan leidt het verwijderen van de in de telastlegging vermelde opslag niet tot het uitdoven van de herstelvordering indien die verwijdering wordt gevolgd door een nieuwe opslag van materialen, materieel of afval op datzelfde perceel of diezelfde percelen omdat er dan een oorzakelijk verband moet worden aangenomen tussen de wederrechtelijke opslag waaraan een einde is gesteld en de nieuwe wederrechtelijke opslag, zodat de herstelvordering die strekt tot het herstel van de nieuwe opslag dan ook geënt blijft op de feiten van de telastlegging
(1).
(1)Cass. 23 april 2019, AR P.18.0990.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3, AC 2019, nr. 236; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0593.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.2, AC 2018, nr. 125; Cass. 18 april 2017, AR P.16.0688.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.9, AC 2017, nr. 260; Cass. 2 februari 2016, AR P.14.1593.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.3, AC 2016, nr. 72; Cass. 9 september 2014, AR P.12.0896.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.1, AC 2014, nr.
  1. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering geënt op feiten van de telastlegging - Toepassing Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 15-05-2009 - Artt. 4.2.1, 5°, a), en 6.1.1, 1° - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Strafrecht [T.Strafr.] - LAMBRECHTS, Joris; Noot "Nog steeds geen RPV voor de overheid die een algemeen belang nastreeft voor de strafrechter" - 2019, nr. 6, p. 347-
  2. Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0815.N
  3. H L M, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  4. S A bvba, voor wie optreedt de lasthebber ad hoc Mark BALLON, met kan-toor te 2000 Antwerpen, Britselei 39, beklaagde, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, beide cassatieberoepen tegen COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN van de gemeente BRECHT, met kantoor te 2960 Brecht, Gemeentepark 1, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 27 juni
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  6. Het arrest (p. 35-36) verklaart de herstelvordering van de verweerder be-treffende het feit A van de zaak I tegen de beide eisers zonder voorwerp. Het ar-rest (p. 43) stelt ook vast dat er geen grond is om wat betreft de telastlegging C van de zaak I bij toepassing van artikel 16.6.4 DABM een maatregel te bevelen, aangezien aan die bepaling is voldaan. In zoverre ook gericht tegen deze beslissingen, zijn de cassatieberoepen bij ge-brek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiser Eerste middel Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 70 en 71 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginse-len van de bewijsregels in strafzaken: de motivering van het arrest, zonder de vaststelling dat het aangevoerde verweer elke geloofwaardigheid mist, dat de in-geroepen uitzonderingsmaatregel van de grondverzetregeling niet van toepassing is op het perceel omdat niet is vastgesteld dat het kwestieuze perceel, waar de uitgegraven bodem als bodem werd gebruikt, gelegen is binnen een kadastrale werkzone, is dubbelzinnig; uit de enkele overweging "dat niet is vastgesteld" kan worden afgeleid dat de vervolgde partij dit diende aan te tonen in welk geval de overweging wettig zou zijn, maar die overweging sluit niet uit dat daarmee aan de eiser onwettig de bewijslast wordt opgelegd dat de ingeroepen geloof-waardige uitzonderingsmaatregel daadwerkelijk van toepassing is doordat hij niet slaagt in de bewijslast die niet de zijne is dat het kwestieuze perceel binnen een kadastrale werkzone ligt.
  8. Met de reden dat niet is vastgesteld dat het kwestieus perceel waar de uit-gegraven bodem als bodem werd gebruikt, is gelegen binnen een kadastrale werkzone, geeft het arrest (p. 22) te kennen dat de eiser niet geloofwaardig maakt dat aan de voorwaarde voor deze uitzonderingsbepaling is voldaan. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 136 tot en met 139 van het decreet van het Vlaams parlement van 27 oktober 2006 betreffende de bo-demsanering en de bodembescherming (hierna Bodemdecreet) en de artikelen 158, 7°, 163 en 164, 1°, van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 decem-ber 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodem-sanering en bodembescherming (hierna Vlarebo): het arrest verklaarde de eiser ten onrechte schuldig aan de telastlegging C van de zaak I; op grond van de vast-stellingen die het arrest bevat, kan het niet oordelen dat de hopen grond niet re-gelmatig konden worden gebruikt op het betrokken perceel waar zij uiteindelijk zijn uitgezeefd en uitgereden op het terrein overeenkomstig de verleende steden-bouwkundige vergunning van 13 oktober 2008; het arrest (p. 22) heeft vastge-steld dat uit het bodemanalyseverslag van 14 mei 2013 blijkt dat de uitgegraven grond van de hopen grond als bodem kan worden gebruikt binnen de kadastrale werkzone voor het bestemmingstype II waarin het terrein is gelegen (agrarisch gebied) zodat is voldaan aan het criterium van het vrij gebruik als bodem en bouwkundig bodemgebruik binnen de kadastrale werkzone; het arrest (p. 43) be-slist dat de door artikel 16.6.4 DABM bedoelde beveiligingsmaatregel niet wordt opgelegd omdat gebleken is dat op 17 juni 2015 inmiddels de hopen gronden werden gezeefd en de grond werd uitgereden op het terrein overeenkomstig de stedenbouwkundige vergunning van 13 oktober 2008; het gebruik van uitgegra-ven bodem als bodem binnen een kadastrale werkzone is toegelaten krachtens ar-tikel 164, 1°, Vlarebo en is derhalve niet strafbaar.
  10. Artikel 164, eerste lid, 1°, Vlarebo, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat in afwijking van de artikelen 161, § 2 en 162 uitgegraven bodem als bodem binnen een kadastrale werkzone vrij kan worden gebruikt indien het uitgegraven bodem betreft met concentraties van stoffen die lager zijn dan of gelijk aan 80 procent van de overeenstemmende bodemsaneringsnormen van het bestemmingstype waaronder de ontvangen grond wordt ingedeeld, overeenkomstig de bepalingen van bijlage IV. Artikel 158, 7°, Vlarebo bepaalt dat onder kadastrale werkzone wordt verstaan die zone die is vastgesteld in het kader van eenzelfde project en die bestaat uit een geheel van gronden met soortgelijke kenmerken, zijnde kenmerken die een betekenisvol effect op het milieu hebben of een betekenisvol risico voor de volksgezondheid inhouden.
  11. Het staat aan de beklaagde geloofwaardig aan te voeren of voldaan is aan de toepassingvoorwaarden voor deze uitzonderingsbepaling en inzonderheid aan de voorwaarde van een kadastrale werkzone en vervolgens aan de rechter om te oordelen of de beklaagde slaagt in die aanvoeringsplicht.
  12. Het arrest (p. 20-24 en p. 43) stelt met betrekking tot deze telastlegging, die wordt gesitueerd in de periode van 1 januari 2009 tot 17 juni 2015, het vol-gende vast: - het kwestieuze perceel is gelegen in ( ... ), kadastraal gekend als ( ... ), gele-gen in agrarisch gebied overeenkomstig het gewestplan ( ... ); - op 22 april 2013 stelden verbalisanten de visu vast dat er op het perceel ver-schillende hopen zand waren met grote stukken bodemvreemde stenen zoals oude gevelstenen, metselpuin, betonpuin, steenslag, stukjes eternietplaten, te-gelstenen met afmetingen groter dan 50 mm, maar ook veel kleine steenstuk-jes; - de verbalisanten stelden vast dat gezien de aard, de verschillende bodemstruc-turen en de verschillende hoeveelheden begroeiing op de hopen, de grond af-komstig was van verschillende locaties en dat deze aanvoer van grond reeds verschillende jaren bezig was; - de eiser heeft als eigenaar van de grond niet betwist dat deze ophogingswer-ken systematisch gebeurden vanaf 2009 en dat deze werken werden uitge-voerd door de eiseres waarvan de eiser de zaakvoerder was en is; - de broer van de eiser, die de grond bewerkt als landbouwer, heeft bevestigd dat de ophoging van het perceel was gestart in de loop van 2009; - het verweer van de eiser komt er in essentie op neer dat hij geen afvalstoffen heeft achtergelaten, maar dat hij nuttig gebruik heeft gemaakt van uitgegra-ven bodem in de zin van de artikelen 136 tot en met 139 Bodemdecreet en de artikelen 158 tot en met 210 Vlarebo; - er werd in opdracht van de eiseres een bodemanalyseonderzoek van 17 mei 2013 uitgevoerd waarbij de deskundige tot het besluit kwam dat er geen over-schrijding van de 80 procent waarde was van de omgerekende geanalyseerde bodemsaneringsnorm van het Vlarebo voor het bestemmingstype II waarin het terrein gelegen was (agrarisch gebied), zodat voldaan wordt aan het criterium vrijgebruik als bodem en bouwkundig bodemgebruik binnen de kadastrale werkzone; - de deskundige bevestigt aldus dat het gebruik van de uitgegraven bodem als bodem is toegelaten, maar enkel binnen een kadastrale werkzone, zoals die wordt omschreven door artikel 158, 7°, Vlarebo; - er is niet vastgesteld dat het kwestieuze perceel waar de uitgegraven bodem als bodem werd gebruikt, gelegen is binnen een kadastrale werkzone; - het is niet opportuun een bijkomend onderzoek te laten uitvoeren om te on-derzoeken of de hopen grond voldoen aan de in artikel 162 Vlarebo bepaalde voorwaarden vermits de eiser zich beroept op een uitzonderingsmaatregel die op dit perceel niet van toepassing is; - uit de vaststellingen van 22 april 2013 en 10 april 2015 met bijgevoegde fo-to's blijkt dat deze hopen grond vervuild waren met bouw- en sloopafval af-komstig van de bouwwerven van de eiseres; - ook op basis van de bevindingen van de bodemanalyse uitgevoerd in opdracht van de eiseres blijkt duidelijk dat de aanwezige hopen grond bevuild waren met oude gevelsteen, betonpuin, steenslag en tegelsteen waarbij de bij de pro-cessen-verbaal gevoegde foto's voor zich spreken; - de eiser erkende zelf dat de aangevoerde grond bodemvreemde niet steenach-tige materialen bevatte en nog diende gezeefd te worden; - toen de verbalisanten op 10 april 2015 opnieuw ter plaatse gingen, stelden ze vast dat nog steeds hopen grond aanwezig waren die reeds bij de eerdere vast-stellingen aanwezig waren en nog niet werden gezeefd, alsook nieuwe hopen verontreinigde grond werden aangevoerd; - gelet op een hercontrole door de verbalisanten op 17 juni 2015 staat vast dat de hopen grond werden gezeefd en de grond werd uitgereden op het terrein overeenkomstig de stedenbouwkundige vergunning van 13 oktober 2008 en het perceel inmiddels werd ingezaaid met mais. Op grond van die redenen kan het arrest wel degelijk oordelen dat niet geloof-waardig is aangevoerd dat is voldaan aan de voorwaarde dat het perceel waar de uitgegraven bodem als bodem werd gebruikt, is gelegen binnen een kadastrale werkzone als bedoeld door artikel 158, 7°, Vlarebo. Aldus is de beslissing dat de eiser zich ten onrechte beroept op het hier toepasselijke artikel 164, eerste lid, 1°, Vlarebo naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 44 Strafwetboek, de artikelen 161 en 189 Wetboek van Strafvordering, artikel 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimte-lijke Ordening (in de versie vóór de opheffing ervan op 1 maart 2018) en artikel 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: aangezien de op 30 juni 2014 inge-diende herstelvordering van de verweerder van 24 februari 2014 op 15 december 2014 was uitgedoofd bij gebrek aan voorwerp door de met het arrest vastgestelde verwijdering van de opslag van materialen en stenen, kan het arrest niet wettig het herstel bevelen voor feiten die zich nadien en buiten de aanhangig gemaakte periode voor de feiten der telastlegging B van de zaak I hebben voorgedaan, met name van 9 januari 2013 tot 15 december 2014; dat gelijkaardige feiten zich la-ter in de tijd opnieuw voordoen, impliceert niet dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen beiden; dergelijk verband kan maar worden aangenomen indien de rechter in concreto vaststelt dat de tweede reeks feiten zonder de eerste reeks fei-ten waaraan een einde was gekomen, zich niet zou hebben voorgedaan; het arrest kan niet uit¬sluiten dat deze feiten ook zonder de eerdere en op 15 december 2014 stopgezette opslag hadden kunnen gebeuren, zodat ze niet zijn geënt op de feiten voorwerp van deze telastlegging; er werd voor de op 9 maart 2016 door de verba-lisanten vastgestelde feiten geen nieuwe herstelvordering ingediend.
  14. De verweerder heeft in zijn appelconclusie (st. 14 appelprocedure) met be-trekking tot de feiten der telastlegging B van de zaak I wel degelijk het herstel gevorderd voor de op 9 maart 2016 vastgestelde feiten en de vordering aangepast aan de gewijzigde omstandigheden (p. 42-45, nr. 54-68 en p. 51-54, nr. 91-113). In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing en mist het feitelijke grond-slag.
  15. In correctionele zaken maakt de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding de feiten aanhangig zoals ze blijken uit het gerechtelijk onderzoek of het opspo-ringsonderzoek en die aan de verwijzingsbeschikking of de dagvaarding ten grondslag liggen. De herstelvordering moet geënt zijn op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging. De herstelvordering beoogt het herstel van de wettigheid naar de toekomst toe en dient de gewijzigde toestand in aanmerking te nemen.
  16. Indien de telastlegging bestaat in een overtreding van de hier toepasselijke artikelen 4.2.1, 5°, a), en 6.1.1, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dan leidt het verwijderen van de in de telastlegging vermelde opslag van materialen, materieel of afval op een perceel of percelen niet tot het uitdoven van de herstel-vordering indien die verwijdering wordt gevolgd door een nieuwe opslag van materialen, materieel of afval op datzelfde perceel of diezelfde percelen. Er moet dan ook een oorzakelijk verband worden aangenomen tussen de wederrech-telijke opslag waaraan een einde is gesteld en de nieuwe wederrechtelijke opslag. De herstelvordering die strekt tot het herstel van de nieuwe opslag blijft dan ook geënt op de feiten van de telastlegging. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Derde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 162bis Wetboek van Strafvor-dering, de artikelen 1022 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 6.1.41 en 6.1.46 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (in de versie vóór de opheffing op 1 maart 2018) en de artikelen 6.3.1 en 6.3.2 Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening: het arrest kent aan de verweerder een rechtsplegingsvergoeding toe zon-der dat die daarop is gerechtigd; de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsver-goeding in strafzaken is beperkt tot de verhouding tussen eensdeels de beklaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijk partij en anderdeels de burgerlijke partij; de herstelvorderende overheid die een wettelijke opdracht in het algemeen belang nastreeft, kan niet worden gelijk gesteld met een burgerlijke partij aan wie wel een rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend; bovendien kent het arrest aan de verweerder en aan de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur een rechtsplegingsvergoeding toe die door hen niet was gevorderd en werd de gewes-telijk stedenbouwkundig inspecteur niet bijgestaan door een advocaat.
  18. Het arrest veroordeelt de eiser niet tot betaling van een rechtsplegingsver-goeding aan de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, maar enkel aan de verweerder. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het fei-telijke grondslag.
  19. Artikel 162bis Wetboek van Strafvordering beperkt de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding in strafzaken tot de verhoudingen tussen de be-klaagde en de burgerrechtelijk aansprakelijke partij enerzijds en de burgerlijke partij anderzijds.
  20. De herstelmaatregel beoogt niet de vergoeding van schade aan particuliere belangen, maar strekt ertoe een einde te maken aan de met de wet strijdige toe-stand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het algemeen belang wordt ge-schaad. Het optreden voor het strafgerecht van een herstelvorderende overheid, die een wettelijke of decretale opdracht in het algemeen belang uitoefent en geen particulier belang nastreeft, kan niet worden gelijk gesteld met het optreden van een burgerlijke partij in de zin van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering. Bij afwezigheid van een wettelijke grondslag kan een beklaagde bijgevolg niet worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan een her-stelvorderende overheid wiens vordering tegen die beklaagde door de strafrech-ter wordt ingewilligd, net zoals een herstelvorderende overheid wiens vordering tegen een beklaagde wordt afgewezen, niet kan worden veroordeeld tot de beta-ling van een rechtsplegingsvergoeding aan die beklaagde.
  21. Het arrest dat de eiser veroordeelt tot betaling aan de verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 1.440 euro voor de rechtspleging in hoger beroep, is niet naar recht verant-woord. In zoverre is het middel gegrond. Middel van de eiseres
  22. Het middel heeft in zijn beide onderdelen dezelfde strekking als het eerste middel van de eiser en moet om de in het antwoord op dat middel vermelde re-denen worden verworpen. Ambtshalve onderzoek
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt tot betaling aan de verweerder van een rechtsplegingsvergoeding van 1.440 euro voor de proce-dure in eerste aanleg en van 1.440 euro voor de rechtspleging in hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser tot drie achtsten en de eiseres tot de helft van de kosten van de cassatieberoepen. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 691,76 euro waarvan 216,21 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 23 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231107.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.