← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3 Rolnummer: P.18.0990.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 666 - laatst gezien 2026-06-29 11:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De toepasselijkheid van het door artikel 4.2.14, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ingevoerde vermoeden van vergunning vereist dat hij die zich erop beroept aantoont dat de constructie werd gebouwd vóór de referentiedatum van 22 april 1962 en dat het nog steeds gaat om dezelfde constructie, zodat indien de constructie zodanig is gewijzigd of aangepast dat ze niet langer kan worden beschouwd als een bestaande constructie, het vermoeden van vergunning niet kan worden ingeroepen; het staat aan de rechter te oordelen of de constructie zodanig is gewijzigd of aangepast dat die niet langer te beschouwen is als een bestaande constructie en bij die beoordeling kan de rechter rekening houden met verbouwingen aan of uitbreidingen van de constructie en kan hij in aanmerking nemen of de werken aan de constructie gelet op hun aard en hun omvang niet louter het onderhoud of de instandhouding ervan beogen. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - BOUWVERGUNNING Vrije woorden: Vermoeden van vergunning - Voorwaarden - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 15-05-2009 - Art. 4.2.14, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiche 2 De herstelvordering moet geënt zijn op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging; vermits zij het herstel van de wettigheid naar de toekomst toe beoogt, dient zij een gewijzigde toestand in aanmerking te nemen1; de enkele omstandigheid dat na het plegen van de vervolgde feiten wijzigingen werden aangebracht aan de constructie die het voorwerp uitmaakt van de strafvervolging of dat die constructie werd vervangen door een andere, belet niet dat de herstelvordering geënt blijft op de feiten van de strafvervolging van zodra er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstelvordering en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de telastlegging, ook al maken de wijzigingen aan de geviseerde constructie of de vervanging ervan zelf niet het voorwerp uit van de strafvervolging

(1).
(1)Cass. 23 april 2019, AR P.18.0815.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.2, AC 2019, nr. 235; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0593.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.2, AC 2018, nr. 125; Cass. 18 april 2017, AR P.16.0688.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.9, AC 2017, nr. 260; Cass. 2 februari 2016, AR P.14.1593.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.3, AC 2016, nr. 72; Cass. 9 september 2014, AR P.12.0896.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.1, AC 2014, nr.
  1. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering geënt op feiten van de telastlegging - Toepassing Fiche 3 Uit de omstandigheid dat op het ogenblik dat de rechter uitspraak moet doen over de herstelvordering de decreetgever in een andere herstelrangorde heeft voorzien dan de herstelrangorde die gold op het ogenblik dat de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering zijn op straffe van onontvankelijkheid voorgeschreven advies heeft verleend, volgt niet dat dit advies daardoor onwettig zou zijn of dat opnieuw om het advies van de Hoge Raad zou moeten worden verzocht. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstelvordering - Herstelrangorde - Rangorde op het ogenblik van de uitspraak verschillend van het ogenblik van de adviesverlening door de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering - Gevolg Wettelijke bepalingen: Besluit Vlaamse Regering - 15-05-2009 - Artt. 6.3.1, § 1, en 6.41.1, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.0990.N F J D C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Philip Daeninck, advocaat bij de balie Limburg, tegen STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST bevoegd voor het grondgebied van het Vlaams Gewest, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19 bus 12, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 12 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest stelt vast dat de feiten van de enige telastlegging met betrekking tot de instandhouding niet langer strafbaar zijn. In zoverre ook gericht tegen deze beslissing, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 4.2.14, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsmede miskenning van de bewijs-kracht en de bewijswaarde van de dossierstukken: het arrest kan op basis van de processen-verbaal van 4 april 2003 en 21 november 2012 niet oordelen dat het door artikel 4.2.14, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bedoelde vermoe-den van vergunning niet geldt voor wat betreft de chalet, behalve voor wat be-treft de kleine uitstulping aan de achterkant van de chalet van 5,73 vierkante me-ter; de in deze processen-verbaal opgenomen vaststellingen hebben voornamelijk betrekking op uitbreidingen aan de chalet waarvoor het vermoeden van vergun-ning niet wordt ingeroepen; het uitvoeren van werken aan een constructie waar-voor het vermoeden van vergunning als dusdanig geldt van zelfs vergunnings-plichtige maar onvergunde werken, heeft niet tot gevolg dat het vermoeden van vergunning vervalt; dat is alleen het geval als de constructie dermate wordt ge-wijzigd dat ze niet meer kan worden beschouwd als bestaand; dat is met deze constructie, waarvan het arrest aanvaardt dat er vroeger een houten chalet was van 40 vierkante meter, niet het geval; noch uit het gegeven dat er een bakstenen buitengevelblad rond de houten chalet werd geplaatst noch uit de omstandigheid dat alle constructies heel recent zijn geverfd kan het arrest afleiden dat er geen sprake meer is van een bestaande constructie; voor het plaatsen van een bakste-nen buitengevelblad was geen vergunning vereist; dit betreft onderhouds- of in-standhoudingswerken die niet op de stabiliteit betrekking hebben; de structurele elementen werden behouden, het volume of het grondoppervlak van de bestaande chalet werd niet gewijzigd behoudens de kleine uitstulping en de werken waren erop gericht het onderhoud naar de toekomst te beperken; uit een verklaring van een gemeentelijk ambtenaar van 25 oktober 2004 blijkt dat de gebouwen recht-stonden vóór de referentiedatum zodat het vermoeden van vergunning geldt en de gebouwen kunnen worden opgenomen in het lokaal vergunningenregister.
  5. De bewijskracht en de bewijswaarde van akten zijn twee onderscheiden ju-ridische begrippen. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest de bewijswaarde dan wel de bewijs-kracht van de vermelde akten miskent, is het wegens onduidelijkheid niet ont-vankelijk.
  6. Artikel 4.2.14, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt dat be-staande constructies waarvan een door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden vóór 22 april 1962, voor de toepassing van deze codex te allen tijde geacht worden te zijn vergund. De toepasselijkheid van het door deze decretale bepaling ingevoerde vermoeden vereist dat hij die zich erop beroept aantoont dat de constructie werd gebouwd vóór de vermelde referentiedatum en dat het nog steeds gaat om dezelfde con-structie. Daaruit volgt dat indien de constructie zodanig is gewijzigd of aangepast dat ze niet langer kan worden beschouwd als een bestaande constructie, het vermoeden van vergunning niet kan worden ingeroepen.
  7. Het staat aan de rechter te oordelen of de constructie zodanig is gewijzigd of aangepast dat die niet langer te beschouwen is als een bestaande constructie. Bij die beoordeling kan de rechter wel degelijk rekening houden met verbouwin-gen aan of uitbreidingen van de constructie. Ook kan hij in aanmerking nemen of de werken aan de constructie gelet op hun aard en hun omvang niet louter het onderhoud of de instandhouding ervan beogen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
  8. Het arrest, dat ter zake de redenen van het beroepen vonnis heeft overge-nomen, oordeelt dat het op basis van het strafdossier en de voorgelegde stukken, in het bijzonder de vaststellingen van de stedenbouwkundig inspecteur en de bij-gevoegde foto's, duidelijk is dat de oorspronkelijk aanwezige houten chalet van 40 vierkante meter met vijver dermate ingrijpend werd gewijzigd en uitgebouwd met andere constructies dat er geen sprake meer is van een bestaande constructie in de zin van artikel 4.2.14, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de ei-ser zich niet kan beroepen op het vermoeden van vergunning. Het steunt voor die beoordeling onder meer op de volgende elementen: waar vroeger sprake was van een houten chalet van 40 vierkante meter, werd door de Inspectie RWO een va-kantiehuis in gevelsteen aangetroffen, met een zitruimte, slaapkamer, kleine keuken, bergruimte en bijkomend een kleine uitbouw aan de achterzijde van on-geveer 2,2 meter x ongeveer 3,2 meter, toegang met vier trappen bekleed met te-gels, alsook een garage met gevels in bakstenen met opendak als uitbreiding, met wc-hok achter de garage; aan de voorgevel van het vakantieverblijf werd een af-dak boven de deur geplaatst; de ruimte tussen de garage en de woning is dichtge-bouwd. Op grond van die redenen kan het arrest oordelen dat de uitgevoerde werken en uitbreidingen aan de oorspronkelijke houten chalet van 40 vierkante meter gelet op de aard en de omvang, het ingrijpend karakter ervan en het gegeven dat ze deels betrekking hebben op de stabiliteit ervan het niveau van loutere instand-houdings- of onderhoudswerken overschrijden en er geen sprake meer is van een bestaande constructie in de zin van artikel 4.2.14, § 1, Vlaamse Codex Ruimte-lijke Ordening. Die beslissing is dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  9. Voor het overige is het middel gericht tegen overtollige redenen, kan het bijgevolg niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, alsmede miskenning van de regel dat de herstelvordering moet geënt zijn op de bewezen verklaarde feiten van de her-stelvordering: het arrest beveelt ten onrechte het herstel van de "steiger vijver" in de oorspronkelijke toestand terwijl de eiser voor die feiten niet werd vervolgd.
  11. In correctionele zaken maakt de verwijzingsbeschikking van het onder-zoeksgerecht of de dagvaarding de feiten aanhangig zoals ze blijken uit het ge-rechtelijk onderzoek of het opsporingsonderzoek en die aan de verwijzingsbe-schikking of de dagvaarding ten grondslag liggen. De herstelvordering moet geënt zijn op de feiten die het voorwerp uitmaken van een bewezen verklaarde telastlegging. Zij beoogt het herstel van de wettigheid naar de toekomst en moet een desgevallend gewijzigde toestand in aanmerking nemen.
  12. De enkele omstandigheid dat na het plegen van de vervolgde feiten wijzi-gingen werden aangebracht aan de constructie die het voorwerp uitmaakt van de strafvervolging of die constructie werd vervangen door een andere, belet niet dat de herstelvordering geënt blijft op de feiten van de strafvervolging, ook al maken de wijzigingen aan de geviseerde constructie of de vervanging ervan zelf niet het voorwerp uit van de strafvervolging. Zodra er een oorzakelijk verband bestaat tussen de wederrechtelijke toestand zoals die bestaat bij de uitspraak over de herstelvordering en de wederrechtelijke toestand die het voorwerp uitmaakt van de telastlegging, blijft de herstelvordering geënt op de feiten van de telastlegging spijts de aangebrachte wijziging of vervanging.
  13. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite over het bestaan van dit oorzake-lijk verband. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen ge-volgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kun-nen worden verantwoord.
  14. De eiser wordt met de enige telastlegging vervolgd voor het instandhouden van een vakantieverblijf en bijgebouwen alsook het plaatsen en instandhouden van een poort, afsluiting en verhardingen zonder stedenbouwkundige vergunning en dit in natuurgebied ingevolge het gewestplan ( ... ). Het arrest (p. 8) stelt vast dat vanaf 1 maart 2018 de feiten van instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar ge-bied zoals natuurgebied zijn gedepenaliseerd en niet dus niet langer strafbaar zijn, maar dat aangezien de rechter ingevolge artikel 7.7.1, eerste lid, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening gehouden is zich uit te spreken over de op instand-houding gesteunde regelmatig aanhangig gemaakte herstelvordering, hij moet onderzoeken of de eiser zich aan de feiten van instandhouding, als grondslag voor de herstelvordering, heeft schuldig gemaakt (arrest, p. 16). Het arrest (p. 20) stelt vast dat de in de herstelvordering geviseerde constructies waarvan de afbraak wordt gevorderd, zoals de chalet alsook de overige construc-ties waaronder "de steiger-vijver" één geheel vormen en onlosmakelijk met el-kaar verbonden zijn en er derhalve een oorzakelijk verband bestaat tussen al de geviseerde constructies. Op grond van die reden kan het arrest oordelen dat de herstelvordering ook wat betreft "de steiger-vijver" wel degelijk geënt is op de bewezen verklaarde feiten van de strafvervolging en is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 6.1.41 en 6.3.1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het arrest oordeelt ten on-rechte dat het feit dat de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid, thans de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering (hierna de Hoge Raad) advies heeft ver-strekt op basis van het op het ogenblik van het arrest niet meer toepasselijke ar-tikel 6.1.41 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de daarin bepaalde herstel-rangorde, dit advies niet onwettig maakt en dat een eventuele onwettigheid van het advies niet leidt tot de onontvankelijkheid van de herstelvordering.
  16. De Hoge Raad dient zijn advies te verlenen rekening houdend met de de-cretaal bepaalde herstelrangorde zoals van toepassing op het ogenblik van dit advies. De rechter moet bij het bevelen van het herstel rekening houden met de decretaal bepaalde herstelrangorde zoals van toepassing op het ogenblik van zijn beslis-sing.
  17. Uit de omstandigheid dat op het ogenblik dat de rechter uitspraak moet doen de decreetgever in een andere herstelrangorde heeft voorzien dan de her-stelrangorde die gold op het ogenblik dat de Hoge Raad zijn op straffe van on-ontvankelijkheid voorgeschreven advies heeft verleend, volgt niet dat dit advies daardoor onwettig zou zijn of dat opnieuw om het advies van de Hoge Raad zou moeten worden verzocht. Dit blijkt noch uit enige decretale bepaling noch uit de ontstaansgeschiedenis van de nieuwe decretale bepalingen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  18. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de Hoge Raad advies heeft verleend op 3 april 2013 rekening houdend met het toen toe-passelijke artikel 6.41.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het arrest heeft de beslissing over de herstelvordering beoordeeld rekening houdend met het op dat ogenblik geldende artikel 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Or-dening. Het arrest oordeelt dan ook naar recht dat het loutere feit dat de Hoge Raad advies heeft verleend op basis van de voorheen geldende herstelrangorde dit advies niet onwettig maakt. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 130,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 23 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Tim-perman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230905.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140909.1 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160202.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170418.9 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240213.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.