← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.4 Rolnummer: P.18.1059.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 304 - laatst gezien 2026-06-29 06:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit artikel 2, § 1, 8°, 10° en 31°, Vlaamse Wooncode volgt dat onroerende goederen slechts onder de toepassing van de Vlaamse Wooncode vallen indien de huisvestingsbestemming een zekere standvastigheid heeft, wat inhoudt dat het verblijf een duurzaam of anders gezegd permanent karakter moet hebben en dus niet occasioneel mag zijn en het staat aan de rechter te oordelen op grond van de feitelijke gegevens van de zaak in welke mate een verblijf in een onroerend goed een duurzaam of permanent karakter heeft dan wel slechts occasioneel van aard is; de rechter kan daarbij het gegeven dat de betrokken personen slechts voor korte tijd in het onroerend goed verblijven en regelmatig terugkeren naar hun woon- of verblijfplaats in het buitenland in aanmerking nemen. Thesaurus CAS: HUISVESTING Vrije woorden: Vlaamse Wooncode - Toepassingsgebied - Onroerende goederen - Voorwaarde - Beoordeling door de rechter - Criteria Tekst van de beslissing FHof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1059.N WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST, met kantoor te 1210 Brussel, Koning Albert II-laan 19 bus 22, eiser tot herstel, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. F H & C nv, beklaagde, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  2. B P G A V L, beklaagde, met als raadsman mr. Jens Joossens, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2800 Mechelen, Antwerpsesteenweg 16-18, waar de verweerder woonplaats kiest. verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 26 september
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste en tweede onderdeel samen
  4. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 5, 20 en 20bis Vlaamse Wooncode en de artikelen 4, 6, 7 en 17 van het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studenten-kamers (hierna het Kamerdecreet), vóór de opheffing van deze bepalingen door artikel 34 van het decreet van 29 maart 2013 houdende wijziging van diverse de-creten wat de woonkwaliteitsbewaking betreft: het arrest steunt de beoordeling over de toepasselijkheid van de Vlaamse Wooncode ten onrechte op het geheel van de woningen op het openluchtrecreatief domein en maakt die toepasselijk-heid dus afhankelijk van het gegeven dat het merendeel van de bewoners van de op dit domein opgetrokken chalets of kamers daar op duurzame wijze verblijft en er zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd, eerder dan op het antwoord op de vraag of in elk van de betrokken woningen die op dit domein zijn gesitueerd op duurzame wijze wordt gewoond door de personen die daar verblijven; uit artikel 5 Vlaamse Wooncode volgt dat het voldoen aan de vereisten moet worden be-paald per woning; het arrest onderzoekt weliswaar of de chalets die het voorwerp uitmaken van de telastleggingen B en C permanent werden bewoond, maar ka-dert dit onderzoek volledig in het onjuiste uitgangspunt dat de Vlaamse Woon-code slechts toepasselijk kan zijn indien op het openluchtrecreatief domein in zijn geheel gezien het merendeel van de bewoners daar op duurzame wijze ver-blijft; aldus is de afwijzing van eisers herstelvordering, gesteund op het niet be-wezen zijn van de telastleggingen B en C, niet naar recht verantwoord. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 2, § 1, 31°, Vlaamse Wooncode: het arrest beoordeelt de toepasselijkheid van de Vlaamse Wooncode ten onrechte rekening houdend met het geheel van het openluchtrecreatief do-mein, terwijl de Vlaamse Wooncode toepasselijk is op elke woning zoals gedefi-nieerd in artikel 2, § 1, 31°, Vlaamse Wooncode; de appelrechters stellen vast dat elke chalet als een afzonderlijke woning is te beschouwen, zodat het toepas-selijkheidsonderzoek van de Vlaamse Wooncode niet kon gebeuren via een glo-bale benadering van het betrokken openluchtrecreatief domein, maar wel per chalet afzonderlijk; bijgevolg verantwoordt het arrest de beslissing niet naar recht.
  5. In zoverre de vordering van de eiser als eiser tot herstel is gesteund op de feiten der telastlegging C, die zouden zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2012 tot en met 3 december 2012, veronderstelt ze dat is bewezen dat de ver-weerders zich aan die als misdrijf omschreven feiten hebben schuldig gemaakt. Die beoordeling moet gebeuren op basis van de regelgeving zoals van toepassing op het ogenblik van die feiten, meer bepaald de toen geldende artikelen 4 en 17, § 1, Kamerdecreet. De omstandigheid dat met het voormelde decreet van 29 maart 2013 de bepalingen van het Kamerdecreet zijn opgeheven en de regeling betreffende kamers en studentenkamers is geïntegreerd in de Vlaamse Woonco-de, waarvan artikel 20 als mildere strafbepaling van toepassing is, doet daaraan niets af. Daaruit volgt dat bij de beoordeling van het bewezen zijn van de feiten der te-lastlegging C, als grondslag voor de vordering van de eiser, de omschrijving van de begrippen woning, gezin of hoofdverblijfplaats in artikel 2, § 1, 31°, 8° en 10°, Vlaamse Wooncode niet dienstig is. In zoverre de beide onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  6. Het arrest (p. 22, derde tot vijfde alinea en p. 24, tweede alinea) neemt aan dat de toepasselijkheid van de Vlaamse Wooncode moet worden beoordeeld re-kening houdend met het openluchtrecreatief domein in zijn geheel en dus of het merendeel van de bewoners op duurzame wijze in de chalets of kamers verblijft en er zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd. Het arrest (p. 22, zesde alinea), dat ter zake overigens verwijst naar de conclusie van de eiser (p. 24, laatste alinea), onderzoekt evenwel ook aan de hand van de concrete gegevens van het strafdos-sier of er voor de chalets, waarvan de eiser aanneemt dat er duurzame of perma-nente bewoning was, daadwerkelijk sprake is van duurzame of permanente be-woning. Het oordeelt op basis van dit onderzoek dat dit niet het geval is (arrest, p. 22, laatste twee alinea's, p. 23, eerste alinea en p. 24, derde tot en met vijfde alinea), zodat de beslissing betreffende de telastlegging B als grondslag voor de afwijzing van eisers herstelvordering wel degelijk is gesteund op een onderzoek per chalet. In zoverre zijn de beide onderdelen gericht tegen overtollige redenen, kunnen ze niet tot cassatie leiden en zijn ze bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2, § 1, 8° en 5 Vlaamse Wooncode: het arrest oordeelt betreffende de chalets voorwerp van de telastleg-gingen B en C dat geen permanente bewoning voorligt omdat het verblijf tijde-lijk is en de betrokken bewoners af en toe terugkeren naar hun land, terwijl de Vlaamse Wooncode niet enkel van toepassing is bij permanente bewoning, maar vanaf het ogenblik dat er een duurzame bewoning is; er is sprake van duurzame bewoning van zodra een persoon effectief en gewoonlijk op een plaats woont; de omstandigheid dat de betrokken bewoners die voor maanden en sommigen voor meer dan een jaar in de betrokken woning hebben verbleven voor korte periodes terugkeerden naar hun land, laat niet toe te besluiten dat er geen sprake is van duurzame bewoning; permanente bewoning sluit een duurzame bewoning niet uit zoals blijkt uit de artikelen 2, § 1, 8° en 5 Vlaamse Wooncode.
  8. In zoverre de vordering van de eiser als eiser tot herstel is gesteund op de feiten der telastlegging C, die zouden zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2012 tot en met 3 december 2012, veronderstelt ze dat is bewezen dat de ver-weerders zich aan die als misdrijf omschreven feiten hebben schuldig gemaakt. Die beoordeling moet gebeuren op basis van de regelgeving zoals van toepassing op het ogenblik van die feiten, meer bepaald de toen geldende artikelen 4 en 17, § 1, Kamerdecreet. De omstandigheid dat met het voormelde decreet van 29 maart 2013 de bepalingen van het Kamerdecreet zijn opgeheven en de regeling betreffende kamers en studentenkamers is geïntegreerd in de Vlaamse Woonco-de, waarvan artikel 20 als mildere strafbepaling van toepassing is, doet daaraan niets af. Daaruit volgt dat bij de beoordeling van het bewezen zijn van de feiten der te-lastlegging C, als grondslag voor de vordering van de eiser, de omschrijving van de begrippen woning, gezin of hoofdverblijfplaats in artikel 2, § 1, 31°, 8° en 10°, Vlaamse Wooncode niet dienstig is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Artikel 2, § 1, 31°, Vlaamse Wooncode omschrijft een woning als elk on-roerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk is bestemd voor de huisvesting voor een gezin of een alleenstaande. Artikel 2, § 1, 8°, Vlaamse Wooncode defi-nieert een gezin als meerdere personen die op duurzame wijze in dezelfde wo-ning samenwonen en daar hun hoofdverblijfplaats hebben. Artikel 2, § 1, 10°, Vlaamse Wooncode bepaalt dat onder hoofdverblijfplaats moet worden verstaan de woning waar een gezin of een alleenstaande effectief en gewoonlijk verblijft. Uit deze bepalingen volgt dat onroerende goederen slechts onder de toepassing van de Vlaamse Wooncode vallen indien de huisvestingsbestemming een zekere standvastigheid heeft, wat inhoudt dat het verblijf een duurzaam of anders ge-zegd permanent karakter moet hebben en dus niet occasioneel mag zijn.
  10. Het staat aan de rechter te oordelen op grond van de feitelijke gegevens van de zaak in welke mate een verblijf in een onroerend goed een duurzaam of permanent karakter heeft dan wel slechts occasioneel van aard is. De rechter kan daarbij het gegeven dat de betrokken personen slechts voor korte tijd in het on-roerend goed verblijven en regelmatig terugkeren naar hun woon- of verblijf-plaats in het buitenland in aanmerking nemen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Vierde onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5, 20 en 20bis Vlaamse Wooncode: het arrest kon uit de vastgestelde feiten geenszins afleiden dat de chalets niet duurzaam werden bewoond; uit die feitelijke vaststellingen blijkt immers dat de bewoners voor een langere periode van minstens meerdere maan-den tot soms een jaar of meer in de betrokken chalets verbleven en voor korte periodes terugkeerden naar hun land; er is een duurzame bewoning vanaf het ogenblik dat een persoon effectief en gewoonlijk op een bepaalde plaats woont, zelfs indien deze bewoner voor korte periodes naar zijn land terugkeert; de be-slissing is dan ook niet naar recht verantwoord.
  12. In zoverre de vordering van de eiser als eiser tot herstel is gesteund op de feiten der telastlegging C, die zouden zijn gepleegd in de periode van 1 januari 2012 tot en met 3 december 2012, veronderstelt ze dat is bewezen dat de ver-weerders zich aan die als misdrijf omschreven feiten hebben schuldig gemaakt. Die beoordeling moet gebeuren op basis van de regelgeving zoals van toepassing op het ogenblik van die feiten, meer bepaald de toen geldende artikelen 4 en 17, § 1, Kamerdecreet. De omstandigheid dat met het voormelde decreet van 29 maart 2013 de bepalingen van het Kamerdecreet zijn opgeheven en de regeling betreffende kamers en studentenkamers is geïntegreerd in de Vlaamse Woonco-de, waarvan artikel 20 als mildere strafbepaling van toepassing is, doet daaraan niets af. Daaruit volgt dat bij de beoordeling van het bewezen zijn van de feiten der te-lastlegging C, als grondslag voor de vordering van de eiser, de omschrijving van de begrippen woning, gezin of hoofdverblijfplaats in artikel 2, § 1, 31°, 8° en 10°, Vlaamse Wooncode niet dienstig is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  13. Zoals blijkt uit het antwoord op het derde onderdeel: - volgt uit artikel 2, § 1, 31°, 8° en 10°, Vlaamse Wooncode dat onroerende goederen slechts onder de toepassing van de Vlaamse Wooncode vallen in-dien de huisvestingsbestemming een zekere standvastigheid heeft, wat in-houdt dat het verblijf een duurzaam of anders gezegd permanent karakter moet hebben en dus niet occasioneel mag zijn; - staat het aan de rechter te oordelen op grond van de feitelijke gegevens van de zaak in welke mate een verblijf in een onroerend goed een duurzaam of per-manent karakter heeft dan wel slechts occasioneel van aard is, waarbij hij het gegeven dat de betrokken personen slechts voor korte tijd in het onroerend goed verblijven en regelmatig terugkeren naar hun verblijfplaats in het bui-tenland in aanmerking kan nemen.
  14. Het arrest (p. 21-23) bevat met verwijzing naar het proces-verbaal van 19 december 2012 met het overzicht van de verblijfsperiodes van de bewoners van de chalets op het openluchtrecreatief domein de volgende vaststellingen betref-fende de hierna vermelde chalets voorwerp van de telastlegging B: - chalet 21: volgens de bewoonster werd de chalet bewoond door haarzelf en haar zoontje sinds juni 2012 en door haar vriend sinds maart en zouden zij daar verblijven totdat haar tewerkstelling bij Albert Heijn in februari 2013 zou zijn beëindigd; - chalet 86: de woning 0/1 werd op het ogenblik van de controle sinds drie we-ken bewoond en de bewoner zou er verblijven tot februari 2013 totdat de te-werkstelling bij Albert Heijn zou zijn beëindigd; volgens de verklaring van de bewoner van de woning 0/2 verbleef hij sinds een viertal maanden in de cha-let, maar keerde hij op regelmatige basis terug naar zijn thuisland Polen (voor wisselende periodes: vier maanden, één week, ...); - chalet 87: de woning 0/1 werd bewoond door een echtpaar dat eveneens bij Albert Heijn werkte en dat sinds één maand in de chalet verbleef; de bewoner van de woning 0/2 verbleef sinds één maand in deze chalet en woonde daar-voor gedurende één jaar in chalet 89; de woning 0/3 werd sinds juli 2011 door de bewoner betrokken, maar hij ging op regelmatige basis terug naar Polen en verbleef in Polen van einde juli tot november; - chalet 46: deze chalet werd volgens de eigen verklaring van de bewoner be-woond sinds anderhalf jaar, zonder dat die daar was ingeschreven en zonder dat is onderzocht met welk doel hij er verbleef en tot wanneer, zodat het gelet op deze zeer summiere gegevens niet is aangetoond dat er sprake is van een permanente bewoning; - chalet 0/1: deze chalet werd bewoond door een persoon, die als conciërge was tewerkgesteld voor de eerste verweerster, maar daar pas verbleef vanaf 2011 en dit enkel van mei tot oktober; tijdens de wintermaanden verbleef hij met zijn familie in een appartement van het hotel waar ze waren ingeschreven; ge-let op deze gegevens is er geen sprake van een permanente bewoning. Op grond van die gegevens kan het arrest oordelen dat er geen sprake is van een duurzame of permanente bewoning betreffende de met de telastlegging B be-doelde chalets, dat de met deze telastlegging als misdrijf omschreven feiten niet bewezen zijn en dat de appelrechters geen kennis kunnen nemen van de herstel-vordering van de eiser betreffende deze telastlegging. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,01 euro waarvan 115,01 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 23 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.149 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.