id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.5 Rolnummer: P.19.0307.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 256 - laatst gezien 2026-06-28 06:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de artikelen 5.1.e, 5.4 en 13 EVRM volgt niet de verplichting om een overeenkomstig de Interneringswet geïnterneerde persoon onverwijld te plaatsen in een aangepaste instelling waar hij gepaste zorg ontvangt; de met de uitvoering van de internering belaste instanties voldoen aan de voormelde verdragsbepalingen indien die plaatsing binnen een redelijke termijn gebeurt. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Geïnterneerde - Plaatsing in een aangepaste instelling - Termijn Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0307.N W D W, geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 19 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Krachtens artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering (hierna Interneringswet) staat voor het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde persoon cassatieberoep open tegen de beslissingen van de ka-mer voor de bescherming van de maatschappij: - met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de be-perkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de ver-vroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondge-bied of met het oog op de overlevering en tot herziening overeenkomstig arti-kel 62; - met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling; - tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel 77/7 Interne-ringswet.
- Uit die bepaling volgt dat de beslissingen tot behoud van de internering in een welbepaalde inrichting en over de toekenning van uitgaansvergunningen niet vatbaar zijn voor cassatieberoep. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep niet ontvan-kelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM en artikel 2 Inter-neringswet: het vonnis wijst eisers verzoeken tot onmiddellijke invrijheidstelling en in ondergeschikte orde tot plaatsing in een medium-security instelling af en beslist ten onrechte tot zijn verdere opsluiting in de gevangenis; deze beslissing miskent eisers recht op zorg binnen een redelijke termijn en meer bepaald zijn recht tot vrijheidsberoving in een hospitaal, kliniek of aangepaste instelling waarbij hij tegelijkertijd therapeutisch ten laste wordt genomen met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij.
- Uit de artikelen 5.1.e, 5.4 en 13 EVRM volgt niet de verplichting om een overeenkomstig de Interneringswet geïnterneerde persoon onverwijld te plaatsen in een aangepaste instelling waar hij gepaste zorg ontvangt. De met de uitvoering van de internering belaste instanties voldoen aan de voormelde verdragsbepa-lingen indien die plaatsing binnen een redelijke termijn gebeurt. Die regel geldt evenzeer voor geïnterneerden die reeds een of meerdere keren hebben genoten van uitvoeringsmodaliteiten van een internering, zoals een invrijheidstelling op proef, maar die wegens het mislukken van die modaliteiten opnieuw dienen te worden opgesloten. Het staat in die gevallen aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij om, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de zaak, de geïnterneerde binnen een redelijke termijn opnieuw te plaatsen in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt. De rede-lijkheid van die termijn, die niet in absolute termen is uit te drukken, hangt on-der meer af van de aard van de geestesziekte, de mogelijke behandelwijzen, de wijze waarop de uitvoering van de internering in het verleden is verlopen, de be-schikbaarheid van voorzieningen die zijn gericht op de specifieke noden van de geïnterneerde en de bereidheid van de geïnterneerde om mee te werken met voorgestelde behandelingen.
- Uit het vonnis blijkt dat: - de eiser op 9 oktober 2015 werd geïnterneerd; - er volgens het verslag van de psychiater aanwijzingen waren voor de aanwe-zigheid van ernstige middelenafhankelijkheid en -misbruik, gepaard gaande met psychotische decompensaties, alsook een persoonlijkheidsstructuur met antisociale kenmerken; - de eiser bij beslissing van 4 juli 2016 een eerste maal op proef werd in vrij-heid gesteld, mits residentiële behandeling in het UPC Sint-Kamillus te Bier-beek, wat aanvankelijk goed verliep maar eindigde met eisers wegblijven; - de eiser op 26 januari 2017 voorlopig werd aangehouden en zijn invrijheid-stelling op proef op 3 maart 2017 werd herroepen; - aan de eiser bij beschikking bij hoogdringendheid op 3 oktober 2017 opnieuw een invrijheidstelling op proef werd verleend, met verblijf in het UPC wat aanvankelijk goed verliep, maar opnieuw resulteerde in een wegblijven vanaf 23 februari 2018; - de kamer voor de bescherming van de maatschappij bij vonnis van 26 juli 2018 oordeelde dat gelet op de ontvluchtingen tijdens de behandelingen, een opname in een medium security-instelling noodzakelijk was en vervolgens uitgangsvergunningen toestond om dit uit te werken. In afwachting van een opname werd beslist tot plaatsing in de inrichting voor de bescherming van de maatschappij te Merksplas; - de eiser in Amsterdam werd onderschept en ter uitvoering van het vonnis van 26 juli 2018 vanaf 1 augustus 2018 werd opgesloten in de inrichting voor de bescherming van de maatschappij te Merksplas; - de eiser bij drie medium security-instellingen werd aangemeld, waarbij een instelling onder meer gelet op eisers gebrek aan motivatie een opname niet zag zitten, een tweede instelling de eiser op de wachtlijst voor opname plaatste en voor een derde instelling een intake gesprek nog diende plaats te vinden.
- Het vonnis oordeelt dat: - alleen een diepgaande behandeling in een residentiële setting een duurzame kans op slagen heeft, waarbij de eiser dient te beseffen dat hij de kansen die hij krijgt ook moet grijpen; - er volop wordt ingezet op een zoektocht naar een gepaste setting voor de eiser; - een ambulante piste zoals gevraagd door de eiser niet realistisch is aangezien de eiser allereerst aan zijn hardnekkige verslavingsproblematiek moet werken alvorens verdere stappen kunnen worden gezet richting her-integratie in de samenleving aangezien de kamer voor de bescherming van de maatschappij ook moet waken over de openbare veiligheid; - zonder een adequate behandeling op residentiële basis het risico op herval zeer reëel is zodat verder dient te worden gezocht naar een gepaste voorzie-ning om het zorgtraject uit te werken; - de eiser in de inrichting voor de bescherming van de maatschappij te Merks-plas verblijft, wat een door de federale overheid georganiseerde inrichting is waar de internering overeenkomstig de Interneringswet kan worden uitge-voerd; - niet blijkt dat de eiser daar op dit ogenblik, in afwachting van een residentiële opname in een medium security-instelling, geen adequate zorg zou krijgen; - niet blijkt dat er een schending is van het EVRM in het geval van de eiser, die reeds kansen heeft gekregen om een zorgtraject uit te werken middels twee toegekende invrijheidstellingen op proef, welke werden doorkruist door her-val in druggebruik en ontvluchtingen waardoor het behandelparcours werd af-gebroken. Op grond van die redenen is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij om eisers verweer te verwerpen dat hij is opgesloten in omstan-digheden strijdig met de artikelen 3 en 5.1.e EVRM en artikel 2 Interneringswet naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser niet aantoont dat hij in de inrichting voor de bescher-ming van de maatschappij geen adequate zorg zou krijgen; het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft immers reeds herhaaldelijk geoordeeld dat de Belgische interneringsrechter onvoldoende onderzoek voert naar door de ge-interneerden aangevoerde mensenrechtenschendingen alsook dat het Belgische interneringssysteem zelf structureel verantwoordelijk is voor deze schendingen; met het voormelde oordeel laat de kamer voor de bescherming van de maat-schappij na de vereiste afweging te maken tussen de door de eiser aangevoerde feiten en zijn belangen en wijst het eisers klacht af met een, door het Europees Hof reeds herhaaldelijk afgewezen, motivering; tevens legt het vonnis ten on-rechte de schuld voor het niet grijpen van kansen tot integratie bij de eiser zelf, hoewel deze als geïnterneerde schuldonbekwaam is; uit deze redenen blijkt de partijdigheid en de vooringenomenheid van de interneringsrechter.
- Uit de enkele omstandigheid dat de rechter een beslissing heeft genomen die volgens een partij strijdig zou zijn met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt niet dat die rechter niet langer onpartijdig zou zijn. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 23 april 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky. V. Kosynsky I. Couwenberg S. Berneman E. Francis A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190423.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div