id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190429.1 Rolnummer: C.18.0246.N Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 767 - laatst gezien 2026-06-28 11:35 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter dient niet ambtshalve het voorhanden zijn van een belang in hoofde van een partij vast te stellen
(1).
(1)Cass. 18 oktober 2012, AR C.11.0761.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121018.9, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Belang en hoedanigheid - Taak van de rechter - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 17 en 18 Tekst van de beslissing Nr. C.18.0246.N K.B., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen O.E., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de verweerder woonplaats kiest, in aanwezigheid van D.G., tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 september
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 4 januari 2019 verwezen naar de derde kamer. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (...) Derde en vierde onderdeel
- Krachtens artikel 17 Gerechtelijk Wetboek kan de rechtsvordering niet wor-den toegelaten indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen. Volgens artikel 18 van dit wetboek moet het belang reeds verkregen en dadelijk zijn en kan de rechtsvordering worden toegelaten indien zij, zelfs tot verkrijging van een verklaring van recht, is ingesteld om de schending van een ernstig be-dreigd recht te voorkomen.
- Anders dan waarvan de onderdelen uitgaan, dienden de appelrechters niet ambtshalve het voorhanden zijn van een belang in hoofde van de verweerder vast te stellen. De onderdelen falen naar recht. (...) Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Verwerpt het cassatieberoep. Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.264,22 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué en Bart Wylleman, en in openbare rechtszitting van 29 april 2019 uitge-sproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. M. Van Beneden B. Wylleman G. Jocqué E. Dirix VOORZIENING IN CASSATIE VOOR : Mevrouw K.B., eiseres in cassatie bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr Martin Lebbe, ad-vocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdend te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar keuze van woonplaats wordt gedaan. TEGEN : De heer O.E., verweerder in cassatie. MEDE IN ZAKE : De heer D.G., partij opgeroepen in gemeenverklaring van het tussen te komen arrest van het Hof van Cassatie. Aan de Heren Eerste Voorzitter en Voorzitter en aan de Dames en Heren Raadsheren, leden van het Hof van Cassatie. Hooggeachte Dames en Heren, De eiseres heeft de eer aan Uw toezicht te onderwerpen een arrest van de achtste kamer van het hof van beroep te Brussel dd. 19 september 2017 (A.R. nr 2012/AR/270). De van belang zijnde feiten en procedurevoorgaanden Partijen hebben op 17 juli 2002 een dading afgesloten, in het kader van dewelke de verweerder 25% van de aandelen van de NV Wood, Wood & Co aan de eiseres verkoopt tegen een prijs die een derde binnen een bepaald tijdsbe-stek op bindende wijze moet bepalen rekening houdend met bepaalde parameters. De derdebeslisser werd door partijen bij naam aangeduid in een door hen afgesloten dading (de heer G.) . Voor wat betreft de opdracht van de derdebeslisser, stelt de over-eenkomst van 17 juli 2002 het volgende : "Partijen komen overeen om een deskundige aan te stellen wiens opdracht de volgende zal zijn : Conform de regels van de kunst, en na in het bezit te zijn gesteld van de nodige documenten en de nodige vaststellingen te hebben verricht en na het beantwoorden van alle desbetreffende vragen en opmerkingen van partijen, de waarde bepalen van de totaliteit van de aandelen van de N.V. Wood, Wood & Co rekening houdend met de volgende parameters die partijen aannemen : - omzet : 36.172.491 incl. B.T.W. (BF) - winst na belastingen : 8.298.693 (BF) - voorraad : 9.349.285 BF - eigen vermogen : 12.148.234 BF. De waardebepaling wordt gedaan op 31 maart 2002 hierbij reke-ning houdend met een omzetstijging in 2002 van 20%. De deskundige zal binnen één maand zijn voorverslag in voorlezing meedelen aan partijen waarna deze over een vervaltermijn van 2 weken beschikken om hun vragen en opmerkingen te formuleren. De deskundige zal op deze vragen en opmerkingen antwoorden, eventueel voordien bespreken in een vergadering tussen partijen binnen de drie weken, en deze verwerken in een eindverslag binnen de maand volgend op vermelde vergadering". De heer G. heeft op 27 juni 2003 zijn eindverslag aan partijen be-zorgd. De verweerder heeft de door de derdebeslisser (de heer G.) in dit eindverslag gedane waardering van de aandelen van de vennootschap Wood, Wood & Co betwist door te stellen dat de derdebeslisser zijn waardering niet zou hebben gedaan conform vermelde parameters, maar volgens de gegevens zoals die uit de officiële boekhouding van die vennootschap volgt. De verweerder heeft bij dagvaarding van 8 januari 2004 de zaak voor de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen gebracht. Hij vorderde de on-geldigverklaring van de prijs bepaald door de heer G. en de veroordeling van de eiseres tot betaling van de prijs zoals die volgens hem diende te worden bepaald. De eerste rechter heeft de stelling van de verweerder niet gevolgd en de eiseres veroordeeld tot betaling van de prijs van de aandelen, zoals deze prijs werd vastgesteld door de heer G. (vonnis van 18 februari 2005). De verweerder heeft hoger beroep ingesteld en het hof van beroep te Antwerpen heeft bij arrest van 30 november 2006 beslist dat de door de derdebeslisser gedane waardering van de aandelen van de vennootschap Wood, Wood & Co ter zijde moet worden geschoven omdat die waardering niet uitgaat van alle parameters die partijen waren overeengekomen. Met andere woorden, het hof van beroep te Antwerpen heeft de door de heer G. bepaalde prijs ongeldig verklaard. Het hof van beroep heeft dan zelf de waarde van de aandelen van de vennootschap Wood, Wood & Co bepaald op 1.227.010,60 Euro en de veroordeling van de eiseres aangepast in functie van die prijs. Uw Hof heeft, bij arrest van 31 oktober 2008 gewezen op verzoek van de eiseres, het arrest van het hof van beroep te Antwerpen vernietigd in zover-re het hof van beroep te Antwerpen de waarde van de aandelen van de firma Wood, Wood & Co zelf heeft bepaald. De zaak werd door Uw Hof verwezen naar het hof van beroep te Brussel. Meer dan drie jaar na dit arrest, heeft de verweerder de zaak voor het hof van beroep te Brussel gebracht. In de procedure na cassatie heeft de verweerder (samengevat) ge-vorderd dat het hof van beroep te Brussel zelf een andere derdebeslisser dan wel de heer G. opdracht zou geven de prijs (opnieuw) te bepalen, minstens aan de par-tijen zou bevelen aan een andere derdebeslisser dan wel aan de heer G. opdracht te geven de prijs (opnieuw) te bepalen. De eiseres heeft die vordering betwist door te stellen dat de rechter geen andere derdebelisser en ook niet de heer G. de opdracht kan geven de prijs (opnieuw) te bepalen en dat de rechter evenmin partijen kan gelasten aan een an-dere derdebeslisser of aan de heer G. opdracht te geven de prijs (opnieuw) te be-palen. Enkel de partijen kunnen zulke opdracht aan een andere derdebeslisser of aan de heer G. geven. Het bestreden arrest verklaart het hoger beroep van de verweerder gedeeltelijk gegrond en na vernietiging van de beslissing van de eerste rechter wat betreft de lastens de eiseres uitgesproken veroordeling, beslist het als volgt : "Oordeelt dat het aan derdebeslisser D.G. toekomt om de opdracht uit te voeren die hem in de dading van 17 juli 2002 werd gegeven, conform de parameters die daarin door partijen werden bepaald" (p. 20). Ingevolge dit arrest, is de veroordeling van de eiseres tot betaling van een geldsom als prijs voor de aandelen verdwenen. Tegen het bestreden arrest meent de eiseres volgende cassatiemid-delen te mogen aanvoeren. EERSTE MIDDEL TOT CASSATIE Geschonden wetsbepalingen en algemeen rechtsbeginsel - artikel 1138,2° van het Gerechtelijk Wetboek; - artikel 149 van de Grondwet; - artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek; - het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van ver-dediging; - artikel 6.1 van het verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 (hierna afgekort als EVRM). Bestreden beslissing Het bestreden arrest, dat een eindarrest is, beslist als volgt in zijn dispositief : "Oordeelt dat het aan derdebeslisser D.G. toekomt om de opdracht uit te voeren die hem in de dading van 17 juli 2002 werd gegeven, conform de pa-rameters die daarin door partijen werden bepaald; Wijst het meer gevorderde af als ongegrond" (p. 20). In de motivatie van het arrest staat het volgende te lezen : "De derdebeslisser dient geen partij te zijn in de zaak opdat het hof zou (...) oordelen dat hij de hem toevertrouwde opdracht, die hij aanvaardde, dient uit te voeren" (p. 16). Grieven Eerste onderdeel
- Het oordeel van het bestreden arrest dat de derdebeslisser G. de op-dracht, hem gegeven door de partijen in hun dading van 17 juli 2002, dient uit te voeren of dat het hem toekomt die opdracht uit te voeren, is een verklaring van recht. Dit oordeel houdt inderdaad geen opdracht in vanwege het hof van beroep aan de heer G. om de opdracht, die deze laatste van partijen kreeg in hun dading van 17 juli 2002, uit te voeren. Ten opzichte van de eiseres houdt dit oordeel geen veroordeling in. Het bestreden arrest bevat trouwens geen enkele veroordeling, behalve tot een deel van de kosten. Tenslotte beslecht vermeld oordeel niet het geschil tussen partijen. Tussen hen bestond het geschilpunt of een rechter, na ongeldigverklaring van de prijs bepaald door de derdebeslisser, die derdebeslisser de opdracht kan geven de prijsbepaling (opnieuw) te doen (voor dit geschilpunt, zie het tweede middel tot cassatie). Met vermeld oordeel wordt dit geschilpunt niet beslecht. Zoals blijkt uit de vorderingen van de verweerder zoals gesteld in zijn derde syntheseconclusie, vorderingen die ook in het bestreden arrest worden weergegeven (p. 5 in fine, tot p. 10 bovenaan), heeft de verweerder geen verkla-ring van recht gevorderd. Zoals blijkt uit het bestreden arrest heeft de verweerder in onderge-schikte orde als volgt gevorderd : "Ondergeschikt aan gerechtelijke deskundige - derdebeslisser D.G. de opdracht te geven tussen partijen op tegensprekelijke wijze over te gaan tot de waardebepaling van de aandelen van de NV Wood, Wood & Co (...)" (p. 7 in fine en p. 8 bovenaan; eigen onderlijning). De verweerder heeft geen verklaring van recht gevorderd, volgens dewelke het hof van beroep zou oordelen dat de derdebeslisser G. de opdracht, hem gegeven door de partijen in hun dading van 17 juli 2002, dient uit te voeren of dat het aan die derdebeslisser toekomt die opdracht uit te voeren. Hij heeft ge-vorderd dat het hof van beroep aan de heer G. deze opdracht zou geven in het ka-der van een door hem nagestreefde veroordeling van de eiseres tot betaling van de prijs van de aandelen, zoals die prijs opnieuw door de heer G. zou worden be-paald. Het bestreden arrest doet derhalve uitspraak over niet gevorderde zaken (te weten vermelde verklaring van recht) en schendt aldus artikel 1138,2° van het Gerechtelijk Wetboek.
- Minstens is de motivatie van het bestreden arrest onduidelijk en dubbelzinnig. Gelet op de betwisting gevoerd tussen partijen of na de ongeldig-verklaring van de prijs, de rechter de derdebeslisser opdracht kan geven om de prijs (opnieuw) te bepalen (de stelling van de eiseres was dat enkel de partijen dit zouden kunnen doen), is het op grond van de motivatie van het bestreden arrest onduidelijk of het hof van beroep aan de derdebeslisser G. de opdracht heeft ge-geven om (opnieuw) de prijsbepaling te doen dan wel of het hof van beroep ver-melde betwisting niet heeft beslecht of heeft willen beslechten door enkel een verklaring van recht te doen, volgens dewelke het aan de heer G. toekomt om de prijsbepaling (opnieuw) te doen. Deze onduidelijkheid veroorzaakt een dubbel-zinnigheid in de motivatie, daar indien het hof van beroep een opdracht heeft ge-geven aan de heer G., hem niet kan worden verweten uitspraak te hebben gedaan over een niet gevorderde zaak, terwijl indien het een verklaring van recht heeft gedaan, zulk verwijt terecht is. Het bestreden arrest schendt derhalve minstens artikel 149 van de Grondwet. Tweede onderdeel De eerbiediging van het recht van verdediging van de eiseres houdt in dat de appelrechters, alvorens ambtshalve een verklaring van recht te doen, de eiseres in de mogelijkheid zou stellen zich te verdedigen betreffende de ontvanke-lijkheid van een vordering van de verweerder tot verkrijging van een verklaring van recht vanuit het oogpunt van het belang van de verweerder, dat krachtens arti-kel 18 van het Gerechtelijk Wetboek een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn, minstens de schending van een ernstig bedreigd recht veronderstelt. Door de eiseres niet in die mogelijkheid te stellen, schendt het be-streden arrest het recht van verdediging van de eiseres (schending van het alge-meen rechtsbeginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging en van artikel 6.1 EVRM). Derde onderdeel Uit de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat de rechtsvordering niet kan worden toegelaten wanneer de eiser geen belang heeft en dit belang een reeds verkregen en dadelijk belang moet zijn, minstens dat er sprake is van een vordering ingesteld om de schending van een ernstig bedreigd recht te voorkomen. Het bestreden arrest stelt langs de zijde van de verweerder geen reeds verkregen en dadelijk belang vast om een rechtsvordering tot het verkrijgen van bovenvermelde verklaring van recht in te dienen en evenmin dat deze rechts-vordering ertoe strekt de schending langs de zijde van de verweerder van een ern-stig bedreigd recht te voorkomen. Het bestreden arrest schendt derhalve de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek met bovenvermelde verklaring van recht. Vierde onderdeel In elk geval houdt het oordeel van het bestreden arrest dat de derdebeslisser G. de opdracht, hem gegeven door de partijen in hun dading van 17 juli 2002, dient uit te voeren of dat het hem toekomt die opdracht uit te voeren, geen veroordeling in van de eiseres tot het doen van iets of tot het niet doen van iets. Het bestreden arrest bevat trouwens geen enkele veroordeling, behalve wat betreft een deel van de kosten. In de veronderstelling dat de verweerder gevorderd zou hebben zo-als geoordeeld door het arrest bij wijze van dispositief, hadden de appelrechters de plicht na te gaan en vast te stellen of de verweerder belang had met zulke vordering. Uit het bestreden arrest blijkt geen dergelijk belang langs de zijde van de verweerder en zulk belang bestaat niet gezien een veroordeling in hoofde van de eiseres om iets te doen of niet te doen ontbreekt (behalve wat betreft de betaling van een deel van de kosten). Het bestreden arrest schendt derhalve de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek. TWEEDE MIDDEL TOT CASSATIE Geschonden wetsbepalingen - artikel 149 van de Grondwet; - artikelen 1129, 1134, 1135, 1160, 1319, 1320, 1322, 1582, 1583, 1591 en 1592 van het Burgerlijk Wetboek. Bestreden beslissing
- Wat betreft de vordering van de verweerder, zoals gesteld na cassa-tie, stelt het bestreden arrest vast dat de verweerder bij zijn derde syntheseconclu-sie het volgende in ondergeschikte orde aan het hof verzoekt : "Ondergeschikt aan gerechtelijke deskundige-derdebeslisser D.G. de opdracht te geven tussen partijen op tegensprekelijke wijze over te gaan tot de waardebepaling van de aandelen van de NV Wood, Wood & Co (...)" (p. 7, on-deraan, p. 8).
- Het bestreden arrest, dat een eindarrest is, beslist als volgt in zijn dispositief : "Oordeelt dat het aan derdenbeslisser D.G. toekomt om de opdracht uit te voeren die hem in de dading van 17 juli 2002 werd gegeven, conform de parameters die daarin door partijen worden bepaald; Wijst het meer gevorderde af als ongegrond" (p. 20). In de motivatie van het arrest staat het volgende te lezen : "De derdebeslisser dient geen partij te zijn in de zaak opdat het hof zou (...) oordelen dat hij de hem toevertrouwde opdracht, die hij aanvaardde, dient uit te voeren" (p. 16).
- De motivatie voor de beslissing dat de derdebeslisser G. de hem toevertrouwde opdracht dient uit te voeren, luidt als volgt : "(Partijen) sloten op 17 juli 2002 drie dadingen, waaronder een da-ding waarin (de verweerder) werd aangeduid als de 'overdrager' en (de eiseres) als 'de overnemer' van aandelen van de NV Wood, Wood & Co. In deze dading werd het volgende overeengekomen : 'ARTIKEL 1 : Partijen komen overeen om een deskundige aan te stellen wiens op-dracht de volgende zal zijn : Conform de regels van de kunst, en na in het bezit te zijn gesteld van de nodige documenten en de nodige vaststellingen te hebben verricht en na het beantwoorden van alle desbetreffende vragen en opmerkingen van partijen, de waarde bepalen van de totaliteit van de aandelen van de N.V. Wood, Wood & Co rekening houdend met de volgende parameters die partijen aannemen : - omzet : 36.172.491 incl. B.T.W. (BF) - winst na belastingen : 8.298.693 BF - voorraad : 9.349.285 BF - eigen vermogen : 12.148.234 BF De waardebepaling wordt gedaan op 31 maart 2002 hierbij reke-ning houdend met een omzetstijging in 2002 van 20%. De deskundige zal binnen één maand zijn voorverslag in voorlezing meedelen aan partijen waarna deze over een vervaltermijn van 2 weken beschikken om hun vragen en opmerkingen te formuleren. De deskundige zal op deze vragen en opmerkingen antwoorden, eventueel voordien bespreken in een vergadering tussen partijen binnen de drie weken, en deze verwerken in een eindverslag binnen de maand volgend op vermelde vergadering. ARTIKEL 2 : AFDWINGBAARHEID Partijen verklaren dat de definitieve besluiten van de aangestelde deskundige in het eindverslag hen beiden op onherroepelijke wijze zullen binden.' (...) De derdebeslisser werd in de dading door partijen bij naam aange-duid. Het betrof de heer D.G.
- Deskundige G. stelde op 23 juli 2003 de partijen in het bezit van zijn eindverslag.
- (De verweerder) betwistte de door de derdebeslisser (de heer G.) gedane waardering van de aandelen van de vennootschap Wood, Wood & Co, door te stellen dat de derdebeslisser zijn waardering niet zou hebben gedaan conform de in de dading vermelde parameters, doch volgens de gegevens die uit de officiële boekhouding van de vennootschap volgen. De boekhouding van de vennootschap en inzonderheid de jaarre-kening met betrekking tot het boekjaar 2002 zou echter ten onrechte geen rekening houden met alle inkomsten van de vennootschap. (Uit het dossier van de rechtspleging blijkt dat in het kader van de door de verweerder ingestelde procedure, het hof van beroep te Antwerpen bij ar-rest van 30 november 2006 beslist heeft dat geen rekening kan worden gehouden met de door de heer G. bepaalde prijs omdat deze laatste de prijs heeft bepaald zonder uit te gaan van alle parameters die partijen waren overeengekomen). (...) Ten grond, wat de middelen betreft van de partijen tegen het bestre-den vonnis in de mate waarin het arrest van het hof van beroep te Antwerpen werd vernietigd en de zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Brussel.
- (De eiseres) voert in hoofdorde aan : De derdebeslisser diende een essentieel (wezenlijk) bestanddeel van de koop-verkoopovereenkomst tussen de partijen te bepalen, zonder hetwelk in toepassing van artikel 1582 BW er geen koop is. Hij diende dit te doen binnen een bepaald tijdsbestek, dat reeds lang verstreken is. De overeenkomst tussen partijen kan niet zo worden uitgelegd dat voor het geval de derdebeslisser zijn opdracht niet correct zou uitvoeren en de rechter de beslissing van de derdebeslisser ter zijde zou schuiven, partijen zouden zijn overeengekomen om dezelfde of zelfs een nieuwe derdebeslisser aan te duiden of door de rechter te laten aanduiden. Het feit dat de rechter de door de derdebeslisser gedane prijsbepaling ter zijde heeft geschoven brengt mee dat de koop-verkoop zonder uitwerking is, gelet op een ontbreken van een essentieel bestanddeel, met name de prijs. De rechter zou de bindende kracht van de overeenkomst miskennen door in de plaats van partijen een derdebeslisser aan te duiden met de opdracht de prijs van de aandelen te bepalen of door aan partijen te bevelen een derdebeslisser aan te duiden, temeer daar het overeengekomen tijdbestek waarbinnen de derdebeslisser diende te beslissen, sedert lang verstreken is. (...) Het hof oordeelt als volgt.
- De dading luidt als volgt aangaande de prijsbepaling : De des-kundige zal binnen één maand zijn voorverslag in voorlezing meedelen aan par-tijen. De naleving van deze termijn werd niet bepaald op straffe van ver-val. Partijen zijn met andere woorden niet overeengekomen dat bij gebrek aan naleving van deze termijn de dading of enige bepaling daarvan zou komen te ver-vallen. Dat partijen een dergelijke bedoeling hadden bij het overeenkomen van de termijn waarvan sprake, blijkt nergens uit. Het is enkel de termijn waarbinnen de partijen vragen of opmerkingen op het voorverslag dienden te formuleren die in de dading bepaald werd op straffe van een vervaltermijn (met name twee weken). (De eiseres) kan dan ook geen nuttig middel putten uit het gegeven dat de derdebeslisser zijn opdracht diende uit te voeren binnen een bepaald tijds-bestek, dat verstreken is.
- Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest herhaald dat artikel 1134 van het BW bepaalt dat alle overeenkomsten die wettig zijn aangegaan, de-genen die deze hebben aangegaan, tot wet strekken en dat artikel 1592 BW bepaalt dat de bepaling van de koopprijs aan een derde kan worden overgelaten. Krachtens artikel 1134 en 1592 BW kunnen de partijen aan een derdebeslisser opdragen de waarden van de door de ene partij aan de andere partij over te laten aandelen bindend voor hen te bepalen. In casu hebben partijen in de dading van 17 juli 2002 de derdebe-slisser D.G. (lees : G.) opgedragen de waarde van de door de ene partij aan de andere partij over te laten aandelen bindend voor hen te bepalen. De bij naam aangeduide derdebeslisser, D.G. (lees : G.), dient zo-doende tot de waardebepaling over te gaan, conform hetgeen partijen zijn over-eengekomen en dat hen strekt tot wet krachtens artikel 1134 BW. Ten onrechte meent (de verweerder) dat het hof aan de partijen kan opleggen een andere derdebeslisser aan te stellen of dat het hof een andere der-debeslisser kan aanstellen in de plaats van de in de dading bij naam aangeduide derdebeslisser. Dit zou een schending inhouden van artikel 1134 BW. Er was bij de dading van 17 juli 2002 immers enkel overeenstemming tussen partijen over de aanstelling van D.G. (lees : G.) (de namen van andere eventuele derdebeslissers werden door de partijen geschrapt). D.G. (lees : G.) dient dan ook over te gaan tot de prijsbepaling, conform hetgeen tussen partijen werd overeengekomen. Er anders over beslissen zou een schending inhouden van artikel 1134 BW. Ten onrechte voert (de eiseres) aan dat D.G. niet door het hof zou kunnen 'aangesteld worden' als derdebeslisser omdat hij geen partij is in de zaak. De derdebeslisser dient geen partij te zijn in de zaak opdat het hof zou vaststellen dat hij bij de dading als derdebeslisser werd aangesteld en opdat het zou oordelen dat hij de hem toevertrouwde opdracht, die hij aanvaardde, dient uit te voeren. Ten onrecht voert (de eiseres) aan dat G. niet langer de opdracht zou kunnen uitvoeren die hem bij de dading werd toevertrouwd. Er wordt immers niet bewezen of voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn opdracht niet meer als een onafhankelijke derdebeslisser zou kunnen vervullen. Dit kan immers niet zonder meer of voldoende worden afgeleid uit het feit dat (de verweerder) D.G. verzocht om een nieuw verslag op te stellen en overwoog om hem aansprakelijk te stellen. (...)
- Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de prijs van de aandelen van Wood, Wood & Co bepaalbaar is. Dat de derdebeslisser zelf zal oordelen over de waarderingsmethode, aangezien dienaangaande in de dading door de partijen niets werd bepaald, staat daar niet aan in de weg. Partijen kunnen dienaangaande, zoals in de dading werd bepaald, in elk geval hun vragen en opmerkingen formuleren, waarop de derdebeslisser dient te antwoorden. Er blijkt niet dat de derdebeslisser de waardering niet wil doen. De middelen van (de eiseres) zijn ongegrond.
- (De eiseres) voert terecht aan dat het hof geen rekening kan houden met het verslag dat door D.G. werd opgesteld op 6 mei
- Dit verslag werd immers opgesteld op verzoek van (de verweerder) en zonder dat daarbij werd rekening gehouden met de vragen en opmerkingen van (de eiseres). Er anders over oordelen zou een schending inhouden van artikel 1134 BW.
- Er is geen gegronde reden om (de eiseres) te veroordelen tot het betalen van een provisioneel bedrag.
- Artikel 4 van de dading van 17 juli 2002 bepaalt dat de over-nemer de waarde van de aandelen, na compensatie, zal betalen aan de overdrager, in schijven van 2.500 euro per maand, verhoogd met wettelijke interesten, en dit voor het eerst de 15de van de maand volgend op de afsluiting van de opdracht van de deskundige. De opdracht van de 'deskundige', hetzij de door partijen aangeduide derdebeslisser, werd nog niet afgesloten. Er zijn zodoende nog geen intresten verschuldigd door de overne-mer, zijnde (de eiseres).
- Alle andere middelen en argumenten van de partijen dan deze die hiervoor door het hof werden besproken, zijn niet ter zake dienend. Minstens wegen zij niet op tegen hetgeen hiervoor door het hof werd overwogen." Grieven In haar derde syntheseconclusie, neergelegd in hoger beroep na cas-satie en gedateerd op 26 september 2013, heeft de eiseres zich verweerd tegen de (ondergeschikte) vordering van de verweerder, in zoverre die ertoe strekte dat het hof aan de heer G. de opdracht zou geven om (opnieuw) tot de waardebepaling van de aandelen over te gaan. De eiseres voerde als een verweer ten overvloede aan dat "Boven-dien Uw Hof de Heer G. niet kan gelasten met een opdracht, daar de Heer G. geen partij is in de zaak (de Heer G. is geen gerechtsdeskundige)" (p. 9, eigen on-derlijning). Hierop antwoordt het hof met de overweging "De derdebeslisser dient geen partij te zijn in de zaak opdat het hof zou vaststellen dat hij bij de dading als derdebeslisser werd aangesteld en opdat het zou oordelen dat hij de hem toevertrouwde opdracht, die hij aanvaardde, dient uit te voeren" (p. 16). De appelrechters laten evenwel na op het eigenlijk verweer van de eiseres op de (ondergeschikte) vordering van de verweerder, die ertoe strekt dat het hof aan de heer G. de opdracht zou geven om (opnieuw) tot de waardebepaling van de aandelen over te gaan, te antwoorden. Dit eigenlijk verweer luidt als volgt : "Dat (de verweerder) stelt dat in de hypothese dat de derdebeslisser de prijs heeft bepaald op een wijze die niet overeenkomt met zijn opdracht, dit niet gelijk te stellen is met een derdebeslisser die de prijs 'niet wil' of 'niet kan bepalen'; Dat volgens (de verweerder) in zulke hypothese de rechter de der-debeslisser moet bevelen de prijsbepaling te herdoen of een nieuwe derdebeslisser moet aanduiden met de opdracht de prijs te bepalen of partijen moet bevelen een nieuwe derdebeslisser aan te duiden met die opdracht; Dat evenwel de rechter enkel aldus zou kunnen handelen wanneer partijen hiermee akkoord zijn of wanneer de overeenkomst zulke tussenkomst van de rechter voorziet;" (randnr 13, p. 6 en p. 7 bovenaan). "Dat het contract niet voorziet dat in de hypothese dat de Heer G. de prijs niet zou bepalen conform zijn opdracht, de partijen de Heer G. of een andere deskundige moeten aanduiden om de prijs opnieuw te bepalen of een rechtbank een derdebeslisser zou kunnen aanduiden of aan de partijen zou kunnen bevelen een nieuwe derdebeslisser aan te duiden; Dat de vordering van (de verweerder), zoals na cassatie geformu-leerd, derhalve moet worden verworpen als strijdig met de overeenkomst tussen partijen;" (p. 8, onder randnr 15). "Dat het opnieuw aanstellen van de Heer G. om zijn opdracht te herdoen enkel door de partijen zou kunnen gebeuren mits een nieuwe overeen-komst tussen hen op dit punt" (p. 9, 4° alinea van randnr 18). De eiseres deed aldus als verweermiddel tegen de (ondergeschikte) vordering van de verweerder, welke ertoe strekte dat het hof de heer G. zou op-leggen zijn opdracht tot waardebepaling van de aandelen (de waarde van de aan-delen is de koopprijs) (opnieuw) te doen, dat enkel de partijen en niet de rechter aan de heer G. de opdracht kunnen geven om de waardebepaling opnieuw te doen, dat dit een nieuwe overeenkomst tussen hen vereist en dat de bestaande overeenkomst (de dading) van 17 juli 2002 niet voorziet dat voor het geval de prijsbepaling gedaan door de heer G. ongeldig zou zijn, de partijen hem zullen gelasten de prijsbepaling opnieuw te doen of de rechter hem kan gelasten met de opdracht de prijsbepaling opnieuw te doen. Het bestreden arrest antwoordt niet op dit verweer. Het overweegt weliswaar het volgende : "In casu hebben partijen in de dading van 17 juli 2002 de derdebe-slisser D.G. opgedragen de waarde van de door de ene partij aan de andere partij over te laten aandelen bindend voor hen te bepalen. De bij naam aangeduide derdebeslisser, D.G., dient zodoende tot de waardebepaling over te gaan, conform hetgeen partijen zijn overeengekomen en dat hen strekt tot wet krachtens artikel 1134 BW. (...) D.G. dient dan ook over te gaan tot de prijsbepaling, conform het-geen tussen partijen werd overeengekomen. Er anders over beslissen zou een schending inhouden van artikel 1134 BW." (p. 16). en (in verband met de door de verweerder gevorderde interesten) "De opdracht van de 'deskundige', hetzij de door de partijen aange-duide derdebeslisser, werd nog niet afgesloten" (p. 19). Deze overwegingen houden geen antwoord in op bovenvermeld verweer van de eiseres. De vraag, die dit verweer opwerpt, is of de heer G., die op 23 juli 2003 de partijen in het bezit van zijn eindverslag heeft gesteld (zie p. 11, nr 5 van het arrest) maar wiens prijsbepaling door het hof van beroep te Antwerpen ongel-dig werd verklaard, door een rechter kan worden gelast met de opdracht de prijs-bepaling opnieuw uit te voeren. Volgens het verweer van de eiseres komt dit en-kel aan de partijen toe, die hierover een overeenkomst moeten hebben. Of de op-dracht van de derdebeslisser al dan niet werd afgesloten met zijn eerste (maar na-dien ongeldig verklaarde) prijsbepaling is niet ter zake voor het beslechten van de vraag, die het verweer van de eiseres opwerpt. De overwegingen van het bestreden arrest, luidens dewelke "(d)e middelen van (de eiseres) zijn ongegrond" (p. 18) en "(a)lle andere middelen en argumenten van de partijen dan deze die hiervoor door het hof werden besproken, zijn niet ter zake dienend. Minstens wegen zij niet op tegen hetgeen hiervoor door het hof werd overwogen" kunnen niet worden beschouwd als een antwoord op dit verweer. De vraag of in de gegeven omstandigheden van het geschil een rechter de derdebeslisser de opdracht kan geven de prijsbepaling opnieuw te doen, is wel ter zake in het kader van bovengenoemd verweer van de eiseres en het hof diende hierop te antwoorden. Door dit niet te doen, schendt het hof van beroep zijn motiverings-plicht (schending van artikel 149 van de Grondwet). Dit geldt tevens in zoverre het hof van beroep, met zijn oordeel dat het aan de heer G. toekomt de opdracht tot prijsbepaling (opnieuw) te doen, de ondergeschikte vordering van de verweerder, welke ertoe strekt dat het hof van beroep aan de heer G. de opdracht zou geven over te gaan tot de waardebepaling van de aandelen van de NV Wood, Wood & Co, zou hebben ingewilligd. Tweede onderdeel
- Artikel 1591 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de koopprijs door de partijen wordt vastgesteld. Krachtens artikel 1592 van het Burgerlijk Wetboek kan de bepaling van de koopprijs echter aan een derde worden overgela-ten. Uit de samenlezing van die twee bepalingen volgt dat het de partij-en zijn die de bepaling van de koopprijs aan een derde kunnen overlaten. Wanneer de partijen dit hebben gedaan en de derde de prijs heeft bepaald maar die prijs door de rechter ongeldig werd verklaard, kunnen de partij-en de derde opdracht geven de prijs opnieuw te bepalen. Zij zijn daartoe gehou-den indien hun overeenkomst voorziet dat bij een ongeldigverklaring van de prijs, de partijen aan de derde opdracht zullen geven de prijs opnieuw te bepalen of in-dien zij na de ongeldigverklaring akkoord zijn gegaan om aan de derde de op-dracht te geven de prijs opnieuw te bepalen. Na de ongeldigverklaring van de prijs, kan de rechter niet in de plaats van partijen de derde opdracht geven om de prijs opnieuw te bepalen, be-halve in het geval de overeenkomst tussen partijen zou voorzien dat bij ongeldig-verklaring van de prijs, de rechter de derde opdracht kan geven de prijs opnieuw te bepalen.
- Het bestreden arrest stelt niet vast dat de overeenkomst tussen par-tijen (de dading) van 17 juli 2002 voorziet dat bij een ongeldigverklaring van de prijs, de partijen aan de heer G. opdracht zullen geven de prijs opnieuw te bepalen. Het stelt evenmin vast dat partijen akkoord waren of zijn om, na de ongeldigverklaring van de prijs, de heer G. opdracht te geven de prijs opnieuw te bepalen. Het hof kon dus in geen geval oordelen dat het aan de heer G. toe-komt de prijs (opnieuw) te bepalen of nog de eiseres te verplichten om de prijsbe-paling opnieuw te laten doen door de heer G. Het bestreden arrest stelt ook niet vast dat de overeenkomst tussen partijen dd. 17 juli 2002 voorziet dat bij ongeldigverklaring van de prijs, de rechter aan de heer G. opdracht kan geven de prijs opnieuw te bepalen.
- Het oordeel van het hof van beroep dat het aan de heer G. toekomt de prijs (opnieuw) te bepalen, schendt derhalve de artikelen 1591 en 1592 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de verbindende kracht van de overeenkomst (de da-ding) dd. 17 juli 2002, gezien het bestreden arrest niet beslist dat die overeen-komst voorziet dat bij ongeldigverklaring van de prijs de rechter (in plaats van de partijen) kan beslissen dat het aan de heer G. toekomt de prijs opnieuw te bepalen (schending van artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek). Dit geldt tevens in zoverre het hof van beroep, met zijn oordeel dat het aan de heer G. toekomt de opdracht tot prijsbepaling (opnieuw) te doen, de ondergeschikte vordering van de verweerder, welke ertoe strekt dat het hof van beroep aan de heer G. de opdracht geeft over te gaan tot de waardebepaling van de aandelen van de NV Wood, Wood & Co, zou hebben ingewilligd. Derde onderdeel
- Uit de artikelen 1582 en 1583 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat er koop is wanneer er een overeenkomst is omtrent de zaak en de prijs. De prijs moet bepaald of minstens bepaalbaar zijn : zie artikelen 1129 en 1591 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1591 van het Burgerlijk Wetboek stelt dat de koopprijs door de partijen wordt vastgesteld. Krachtens artikel 1592 van het Burgerlijk Wetboek kan de bepaling van de koopprijs echter aan een derde worden overgelaten.
- Volgens de artikelen 1135 en 1160 van het Burgerlijk Wetboek ver-bindt de overeenkomst niet alleen tot hetgeen daarin is bepaald, maar ook tot alle gevolgen die de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend.
- Ten deze is de koopprijs van de aandelen Wood, Wood & Co niet bepaalbaar in die zin dat aan de hand van de overeenkomst dd. 17 juli 2002 alleen (zonder dat de tussenkomst van een derde noodzakelijk zou zijn) de prijs kan worden bepaald. Partijen hebben dus zelf geen bepaalbare prijs voor de aandelen voorzien. De bepaling van de prijs veronderstelt ten deze dat de heer G., die au-tonoom beslist over de waarderingsmethode waarover partijen in hun overeen-komst niets zijn overeengekomen (zie p. 18, randnr 14 van het bestreden arrest), de prijs bepaalt. De prijs werd door de heer G. bepaald met zijn eindverslag van 23 juli 2003 (p.11, randnr 5 van het bestreden arrest), maar die prijs werd nadien door het hof van beroep te Antwerpen ter zijde geschoven, dus ongeldig of niet-bindend verklaard. In het bestreden arrest wordt niet gesteld dat de billijkheid, het ge-bruik of de wet aan de verbintenis, tot het laten bepalen van de prijs door een der-de, het gevolg verbindt dat bij ongeldigverklaring van de prijs, de prijs opnieuw door de derde moet worden bepaald. Door op grond van het motief dat de prijs bepaalbaar is, het ver-weer van de eiseres te verwerpen, volgens hetwelke de ongeldigverklaring van de prijsbepaling gedaan door de heer G. tot gevolg heeft dat er geen koop is, en te oordelen dat het aan de heer G. toekomt de prijs (opnieuw) te bepalen, schendt het bestreden arrest de artikelen 1129, 1135, 1160, 1582, 1583, 1591 en 1592 van het Burgerlijk Wetboek. Dit geldt tevens in zoverre het hof van beroep, met zijn oordeel dat het aan de heer G. toekomt de opdracht tot prijsbepaling (opnieuw) te doen, de ondergeschikte vordering van de verweerder, welke ertoe strekt dat het hof van beroep aan de heer G. de opdracht geeft over te gaan tot de waardebepaling van de aandelen van de NV Wood, Wood & Co, zou hebben ingewilligd. Vierde onderdeel
- De eiseres heeft in haar derde syntheseconclusie gedateerd op 26 september 2003 het volgende verweer gevoerd : "
- Aangezien, bovendien, gezien het in de overeenkomst over-eengekomen tijdsbestek voor het bepalen van de prijs door een derdebeslisser se-dert lang verstreken is, het in strijd zou zijn met de overeenkomst om aan de koop-verkoop uitwerking te geven tegen een prijs die elf jaar later alsnog door een der-debeslisser zou moeten worden bepaald; dat concluante in 2002 belangstelling had in de aankoop van de aandelen op voorwaarde dat de prijs ervan onmiddellijk (binnen het overeengekomen tijdschema) zou worden bepaald door een bij naam genoemde derde; dat concluante niet kan worden verplicht alsnog de aandelen aan te kopen aan een prijs die elf jaar later nog moet worden bepaald door dezelfde derde of een andere derde; dat zoiets in strijd zou zijn met de overeenkomst;" (p. 8, randnr 16). "Dat bovendien de prijs niet is kunnen worden bepaald binnen het overeengekomen tijdschema en concluante onmogelijk nog kan worden verplicht een prijs te aanvaarden die niet binnen het overeengekomen tijdschema maar elf jaar later zou worden bepaald" (p. 10, onderaan). "Dat in die omstandigheden concluante volkomen gerechtigd is om zich elf jaar na de overeenkomst van 17 juli 2002, te verzetten tegen de vordering van appellant strekkende tot de aanduiding van een nieuwe derdebeslisser of de-zelfde derdebeslisser met de opdracht opnieuw de prijs van de aandelen te bepalen, ingediend meer dan drie jaar na het cassatiearrest van 31 oktober 2008;" (p. 11, 4° alinea; het is pas na dit cassatiearrest dat de verweerder voor het eerst heeft gevorderd dat aan een nieuwe derdebeslisser of dezelfde derdebeslisser de op-dracht zou worden gegeven de prijs opnieuw te bepalen). " (...) dat de overeenkomst tussen partijen niet zo kan worden uit-gelegd dat voor het geval de derdebeslisser zijn opdracht niet correct zou uitvoeren en de rechter de beslissing van de derdebeslisser ter zijde zou schuiven, partijen zouden zijn overeengekomen om dezelfde of een nieuwe derdebeslisser aan te duiden of door de rechter te laten aanduiden (zeker niet jaren na het verstrijken van het tijdsbestek waarbinnen de derdebeslisser diende te beslissen);" (p. 12, voorlaatste alinea; eigen onderlijning).
- Het bestreden arrest antwoordt op dit verweer als volgt : "
- De dading luidt als volgt aangaande de prijsbepaling : De deskundige zal binnen één maand zijn voorverslag in voorlezing meedelen aan partijen. De naleving van deze termijn werd niet bepaald op straffe van ver-val. Partijen zijn met andere woorden niet overeengekomen dat bij gebrek aan naleving van deze termijn de dading of enige bepaling daarvan zou komen te ver-vallen. Dat partijen een dergelijke bedoeling hadden bij het overeenkomen van de termijn waarvan sprake, blijkt nergens uit. Het is enkel de termijn waarbinnen de partijen vragen of opmerkingen op het voorverslag dienden te formuleren die in de dading bepaald werd op straffe van een vervaltermijn (met name twee weken). (De eiseres) kan dan ook geen nuttig middel putten uit het gegeven dat de derdebeslisser zijn opdracht diende uit te voeren binnen een bepaald tijds-bestek, dat verstreken is." (p. 15).
- De eiseres heeft nooit gesteld dat het tijdschema, opgelegd in de da-ding dd. 17 juli 2002 aan de heer G. voor het bepalen van de prijs, voorgeschreven was op straffe van verval. Zij heeft in haar derde syntheseconclusie van 26 september 2013 wel laten gelden dat het in strijd zou zijn met de overeenkomst om elf jaar na de overeenkomst van 17 juli 2002 (na het bestreden arrest is dit ondertussen 15 jaar geworden) alsnog de prijs (opnieuw) door de heer G. te laten bepalen. Dit verweer heeft niets te maken met een vervaltermijn of de be-doeling van de partijen om een vervaltermijn overeen te komen, maar met de vast-stelling dat gelet op het overeengekomen tijdschema voor de bepaling van de prijs, het in strijd is met de overeenkomst om elf jaar na de dading van 17 juli 2002 of na het verstrijken van dit tijdschema de prijs alsnog door de derdebeslisser te laten bepalen. Het antwoord van het bestreden arrest op vermeld verweer is dus naast de kwestie of niet ter zake, zodat er geen antwoord is op dit verweer (schen-ding van artikel 149 van de Grondwet).
- In plaats van na te gaan of de partijen de bedoeling hadden met vermeld tijdschema een vervaltermijn te voorzien, hadden de appelrechters dienen na te gaan of het wel de gemeenschappelijke bedoeling van de partijen was om, gelet op dit tijdschema, de heer G. elf jaar later alsnog te gelasten met een prijsbe-paling. Door deze gemeenschappelijke bedoeling niet na te gaan in het kader van vermeld verweer van de eiseres, schendt het bestreden arrest artikel 1156 van het Burgerlijk Wetboek. Vijfde onderdeel
- Een derdebeslisser, aangeduid door partijen om de koopprijs te be-palen, moet onpartijdig en onafhankelijk zijn, ook objectief onpartijdig en onaf-hankelijk in de ogen van de partijen. De derdebeslisser bedoeld in artikel 1592 van het Burgerlijk Wetboek moet aan die vereiste voldoen. Aan die vereiste is niet voldaan wanneer de derdebeslisser reeds eerder op eenzijdig verzoek van een partij, zonder het akkoord van de andere par-tij en zonder de tegenspraak van de andere partij, de prijsbepaling heeft gedaan. In zulk geval is de derdebeslisser immers reeds beïnvloed door zijn aldus reeds gedane prijsbepaling. De andere partij kan in elk geval gewettigde twijfels hebben om-trent de onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de derdebeslisser, gezien zij een gegronde vrees kan hebben dat de derdebeslisser zich reeds een oordeel over de prijsbepaling heeft gemaakt, gelet op zijn eerdere prijsbepaling gedaan op eenzij-dig verzoek van een partij en zonder tegenspraak.
- In haar derde syntheseconclusie gedateerd op 26 september 2013 heeft de eiseres gesteld dat de heer G. niet meer kan optreden als een onafhanke-lijke derdebeslisser. De verweerder had immers op eigen initiatief, zonder een be-slissing van het hof van beroep te Brussel af te wachten, zonder het akkoord van de eiseres en zonder de tegenspraak van de eiseres, aan de heer G. een nieuw ver-slag gevraagd en van de heer G. een nieuw verslag dd. 6 mei 2011 bekomen (p. 9, in fine, en p. 10, bovenaan).
- Het bestreden arrest overweegt als volgt : "(De eiseres) voert terecht aan dat het hof geen rekening kan hou-den met het verslag dat door D.G. werd opgesteld op 6 mei
- Dit verslag werd immers opgesteld op verzoek van (de verweerder) en zonder dat daarbij werd rekening gehouden met de vragen en opmerkingen van de (eiseres)" (p.18, nr 15). Betreffende de onafhankelijkheid van de heer G. om als derde op-nieuw de prijsbepaling te doen, oordeelt het bestreden arrest als volgt: "Ten onrechte voert (de eiseres) aan dat G. niet langer de opdracht zou kunnen uitvoeren die hem bij de dading werd toevertrouwd. Er wordt immers niet bewezen of voldoende aannemelijk gemaakt dat hij zijn opdracht niet meer als een onafhankelijke derdebeslisser zou kunnen vervullen. Dit kan immers niet zonder meer of voldoende worden afgeleid uit het feit dat (de verweerder) D.G. verzocht om een nieuw verslag op te stellen en overwoog om hem aansprakelijk te stellen".
- Evenwel, zoals blijkt uit het bestreden arrest (p. 18, nr 15), is het niet enkel zo dat de verweerder de heer G. verzocht heeft om een nieuw verslag op te stellen, maar werd dit nieuw verslag, dat dateert van 6 mei 2011, effectief door de heer G. opgesteld, dus op eenzijdig verzoek van de verweerder, zonder het akkoord van de eiseres en zonder dat, zoals blijkt uit het arrest (p. 18, nr 15), rekening werd gehouden met vragen en opmerkingen van de eiseres, terwijl de overeenkomst dd. 17 juli 2002 in een tegensprekelijk bepaling van de prijs voor-ziet. Beslissen dat in deze omstandigheden niet wordt bewezen of vol-doende aannemelijk wordt gemaakt dat de heer G. niet meer als een onafhankelij-ke derdebeslisser kan optreden, houdt een schending in van artikel 1592 van het Burgerlijk Wetboek nu de derde, bedoeld in dit artikel, onpartijdig en onafhanke-lijk dient te zijn opdat zijn prijsbepaling geldig zou zijn. Inderdaad, doordat de heer G. met zijn verslag van 6 mei 2011 reeds een standpunt heeft genomen, dit zonder de tegenspraak van de eiseres, over de waarde van de aandelen in functie van de overeengekomen parameters en van de door hem bepaalde waarderingsmethode, kan hij niet meer als onafhankelijk en onpartijdig worden beschouwd voor een nieuwe opdracht van prijsbepaling in dezelfde zaak. In elk geval kan bij de eiseres de gewettigde vrees bestaan dat hij niet meer onafhankelijk en onpartijdig zal zijn bij een nieuwe prijsbepaling, nu hij beïnvloed is door zijn eerdere prijsbepaling, gedaan zonder tegenspraak van de eiseres. Het is dus op onwettige wijze dat de appelrechters oordelen dat niet is bewezen of voldoende aannemelijk is gemaakt dat de heer G. niet meer als een onafhankelijke derdebeslisser zijn opdracht zou kunnen vervullen, nu uit de gegevens van de zaak, zoals die uit het bestreden arrest volgen, blijkt dat op eenzijdig verzoek van de verweerder en zonder het akkoord van de eiseres en zonder tegenspraak van de eiseres de heer G. reeds een waardebepaling heeft gedaan met een verslag van 6 mei 2011 en dit in rechte tot gevolg heeft dat zijn onafhankelijkheid en zijn onpartijdigheid zijn aangetast om opnieuw de prijsbepaling te doen, minstens bij de eiseres de gewettigde vrees kan doen ontstaan dat zijn onafhankelijkheid en zijn partijdigheid om een nieuwe prijsbepaling te doen aangetast zijn (schending van artikel 1592 van het Burgerlijk Wetboek). Zesde onderdeel Het hof van beroep steunt zijn beslissing dat door de eiseres nog geen interesten verschuldigd kunnen zijn op de overweging die als volgt luidt : "De opdracht van de 'deskundige', hetzij de door partijen aangeduide derdebeslis-ser, werd nog niet afgesloten" (p. 19, nr 17). In haar verweer, volgens hetwelke de ongeldigverklaring van de prijs bepaald door de heer G. in zijn eindverslag overgemaakt op 23 juli 2003 tot gevolg heeft dat er geen overeenkomst is betreffende de prijs en dus geen koop en dat na ongeldigverklaring van de prijs een rechter niet de derdebeslisser opdracht kan geven de prijs (opnieuw) te bepalen, heeft de eiseres zich gesteund op de om-standigheid dat de heer G. zijn opdracht had beëindigd ("Dat de Heer G. (...) op 27 juni 2003 (lees 23 juli 2003) zijn eindverslag heeft neergelegd met daarin de bepaling van de waarde van de aandelen; dat de opdracht die partijen aan de Heer G. hebben gegeven aldus beëindigd is (...)" (p. 7, randnr 14) en "Dat de heer G. niet door Uw Hof kan worden gelast met een nieuwe waardebepaling; dat de opdracht van de Heer G. sedert lang beëindigd is (hij heeft op 27juni 2003 (lees 23 juli 2003) zijn verslag overgemaakt); dat bovendien zijn opdracht diende te zijn vervuld binnen een bepaalde termijn welke reeds lang verstreken is zodat ook om die reden zijn opdracht is beëindigd; (...)" (p. 9, randnr 18, 4° alinea). In zoverre het bestreden arrest zijn oordeel, dat het aan de heer G. toekomt de prijsbepaling (opnieuw) te doen, zou steunen op de overweging dat zijn opdracht nog niet werd afgesloten, is deze overweging onduidelijk en dubbel-zinnig. Bedoelt het hof van beroep daarmee dat de door de partijen aan de heer G. toevertrouwde opdracht tot prijsbepaling niet werd afgesloten, dan wel of de opdracht die hij heeft om (opnieuw) de prijs te bepalen nog niet werd afgesloten? In het eerste geval is deze overweging in strijd met de vaststelling van het hof van beroep, volgens dewelke de heer G. op 23 juli 2003 de partijen in het bezit stelde van zijn "eindverslag" (p. 11, nr 5), en het gegeven dat uit het be-streden arrest blijkt, te weten dat de heer G. de prijs heeft bepaald maar die prijs door het hof van beroep te Antwerpen ongeldig werd verklaard, vaststelling en gegeven die impliceren dat de door partijen aan de heer G. gegeven opdracht reeds werd uitgevoerd en afgesloten (deze tegenstrijdige motivering staat gelijk met een schending van artikel 149 van de Grondwet). Bovendien blijkt uit het eindverslag van de heer G., dat door het bestreden arrest wordt aangehaald, dat op 23 juni 2003 de heer G. de door de eiseres te betalen prijs voor de aandelen, die het voorwerp uitmaken van de verkoop vervat in de dading van 17 juli 2002, heeft bepaald op 161.059,61 Euro (p. 16 van dit eindverslag). Indien het bestreden arrest overweegt dat de door de partijen aan de heer G. gegeven opdracht niet werd afgesloten, schendt het de bewijskracht toekomend aan dit verslag waaruit het tegendeel blijkt (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek). DERDE MIDDEL TOT CASSATIE Geschonden wetsbepalingen - artikelen 6, 1131, 1134, 1319, 1320, 1321 en 2044 van het Burgerlijk Wetboek; - artikel 149 van de Grondwet; - artikelen 179 tot 219bis van het Wetboek Inkomstenbelastingen
(1992), zoals deze artikelen van toepassing waren in het jaar 2002. Bestreden beslissing Het bestreden arrest oordeelt dat de heer G. de opdracht, die hem in de dading van 17 juli 2002 werd gegeven, dient uit te voeren "Conform de parameters die daarin door partijen werden bepaald" (p. 20), en steunt dit op volgende motieven : "13. De partijen hebben de derdebeslisser opgedragen bij de prijsbepaling bepaalde parameters in acht te nemen. Volgens (de eiseres) zou het in strijd zijn met de openbare orde om de prijs van de aandelen van Wood, Wood & Co te laten bepalen op grond van de in de dading overeengekomen parameters, die volgens haar een weergave zijn van onrechtmatige voordelen ('zwart geld') van Wood, Wood & Co. Deze bewering van (de eiseres) is gestoeld op de vaststelling van de derdebeslisser dat de parameters die in de dading werden bepaald, afwijken van de cijfers die blijken uit de jaarrekeningen van Wood, Wood & Co met betrekking tot de boekjaren 2001 en 2002. (De verweerder) voert echter aan dat de voormelde jaarrekeningen hem niet ter goedkeuring werden voorgelegd, dat hij ze ook niet heeft goedgekeurd, laat staan neergelegd en dat hij bij het opstellen daarvan geen inspraak had. (De verweerder) kan geen negatief bewijs leveren dienaangaande en (de eiseres) blijft in gebreke om te bewijzen of zelfs maar aannemelijk te maken dat hetgeen (de verweerder) aanvoert niet met de waarheid strookt. In elk geval staat minstens vast dat de jaarrekening met betrekking tot het boekjaar 2002 van Wood, Wood & Co, slechts na het sluiten van de dading werd neergelegd. Het hof oordeelt dat rekening houdend met hetgeen voorafgaat, voldoende vaststaat dat in de hypothese dat Wood, Wood & Co in haar jaarreke-ningen met betrekking tot het boekjaar 2001 en inzonderheid in haar jaarrekening met betrekking tot het boekjaar 2002 cijfers en gegevens heeft opgenomen die niet met de werkelijkheid strookten, dit hoe dan ook volledig los staat van (de ver-weerder). De jaarrekening met betrekking tot het boekjaar 2002 dateert in elk geval van na de dading van 17 juli 2002 en (de verweerder) was bij het opstellen en neerleggen daarvan niet betrokken, minstens wordt niet bewezen of voldoende aannemelijk gemaakt dat dit wel zo was. Er staat niet vast dat (de verweerder) op 17 juli 2002 op de hoogte was van een eventuele discrepantie tussen de parameters die, ingevolge een ak-koord daaromtrent tussen de beide partijen, opgenomen werden in de dading en de werkelijke cijfers die buiten enig toedoen van (de verweerder) zouden opgeno-men zijn in de jaarrekeningen van Wood, Wood & Co met betrekking tot de boek-jaren 2001 en 2002. Niets wijst erop dat het op 17 juli 2002 de bedoeling was van de partijen om bij het vaststellen van de parameters voor de prijsbepaling van de aandelen rekening te houden met andere cijfers dan de werkelijke cijfers (inzake omzet, winst na belasting, voorraad en eigen vermogen) van Wood, Wood & Co, inzonderheid om de parameters zo vast te stellen dat bij de prijsbepaling rekening zou worden gehouden met 'zwart geld' of met andere woorden met fiscaal niet-aangegeven inkomsten van Wood, Wood, & Co. Er blijkt niet of minstens onvoldoende dat (de parameters opgeno-men in
- de)dading een ongeoorloofde oorzaak hebben (heeft). Er wordt niet bewezen dat de prijs laten bepalen op grond van de parameters die in de dading werden overeengekomen, in strijd zou zijn met de openbare orde". Grieven Eerste onderdeel 1. In haar derde syntheseconclusie gedateerd op 26 september 2013, heeft de eiseres, in verband met de kennis in hoofde van beide partijen op 17 juli 2002 (datum van hun dading) van het feit dat beide wisten dat er veel zwart geld door Wood, Wood & Co gegenereerd werd en dat zij om die reden bepaalde pa-rameters vooraf in hun dading van 17 juli 2002 hebben vastgesteld met de taak voor de derdebeslisser G. deze parameters bij de waardebepaling van de aandelen te hanteren, verwezen naar de beslissing in die zin van het hof van beroep te Antwerpen, dat zich voor die beslissing steunde op de stukken uit farde V van het dossier dat de verweerder voor dit hof had neergelegd. Onmiddellijk daarop voerde de eiseres in haar vermelde conclusie aan dat de stelling van de verweerder in zijn syntheseconclusie (voor het hof van beroep te Brussel), volgens dewelke het gegeven van het veel zwart geld niet door hem voor het hof van beroep te Antwerpen zou zijn opgeworpen, onjuist is. De eiseres verwees in dit verband naar de derde besluiten van de verweerder dd. 27 september 2006 voor het hof van beroep te Antwerpen, onder meer p. 30 (laatste alinea van punt 4.2), dat de eiseres als stuk 4 bij haar derde syntheseconclusie dd. 26 september 2013 heeft gevoegd. De passage op p. 30 van vermelde conclusie van de verweerder voor het hof van beroep te Antwerpen luidt als volgt : "Dat de voorgeschiedenis van de cijfers zelf en de stukken van (de verweerder) onder KAFT V, overigens voldoende aantoont wat de bedoeling was van 'partijen' en aantoont hoe en waarom door partijen tot deze parameters is ge-komen, m.n. omdat de officiële door (de eiseres) gevoerde boekhouding van de vennootschap in kwestie vals is en de erin voorkomende bedragen niet overeen komen met de werkelijkheid;" 2. Door zijn beslissing dat niet of onvoldoende blijkt dat de (parame-ters opgenomen in
- de)dading een ongeoorloofde oorzaak (hebben) heeft en dat niet wordt bewezen dat de prijs laten bepalen op grond van de parameters die in de dading werden overeengekomen, in strijd zou zijn met de openbare orde, te la-ten steunen op de motieven, volgens dewelke niet vast staat en niets erop wijst dat het op 17 juli 2002 de bedoeling was van de partijen om bij het vaststellen van de parameters rekening te houden met het zwart geld of met fiscaal niet-aangegeven inkomsten van Wood, Wood & Co, verwerpt het bestreden arrest het bewijs van het tegendeel dat de eiseres afleidde uit het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen en vermelde passage uit de derde besluiten van de verweerder dd. 27 sep-tember 2006 voor het hof van beroep te Antwerpen. Met die verwerping schendt het bestreden arrest de bewijskracht die toekomt aan die passage. In die passage geeft de verweerder immers zwart of wit gesteld dat uit de voorgeschiedenis en zijn stukken onder Kaft V blijkt wat de bedoeling was van "partijen" met deze parameters en hoe en waarom zij tot die parameters zijn gekomen, namelijk omdat de officiële boekhouding gevoerd door de eiseres van de vennootschap Wood, Wood & Co vals is en de erin voorkomende cijfers niet overeenkomen met de werkelijkheid. De appelrechters kunnen derhalve onmogelijk zonder schending van de bewijskracht van die passage oordelen dat niet is aangetoond dat partijen op 17 juli 2002 de bedoeling hadden bij het vaststellen van de parameters reke-ning te houden met de werkelijkheid (het zwart geld) die niet overeenkomt met de officiële boekhouding. Vermelde passage, afkomstig uit een conclusie van de verweerder zelf, houdt duidelijk het tegendeel in en bevestigt derhalve de stelling van de eiseres dat de beide partijen de parameters hebben vastgesteld in functie van het "zwart geld" gegenereerd door Wood , Wood & Co. De appelrechters schenden derhalve de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek. Zij doen vermelde passage liegen. Tweede onderdeel Indien de kritiek van het eerste onderdeel op het bestreden arrest niet zou kunnen worden aangenomen omdat niet zou blijken dat het bestreden ar-rest de passage uit de derde besluiten van de verweerder dd. 27 september 2006 voor het hof van beroep te Antwerpen zou hebben uitgelegd, dan is het bestreden arrest behept met een motiveringsgebrek (schending van artikel 149 van de Grondwet). Inderdaad, de eiseres heeft in haar derde syntheseconclusie dd. 26 september 2013, voor het bewijs van de bedoeling van de partijen op 17 juli 2002 met het bepalen van de parameters die de derdebeslisser moet hanteren, verwezen naar het arrest van het hof van beroep te Antwerpen en vermelde passage uit de derde besluiten van de verweerder dd. 27 september 2006 voor het hof van beroep te Antwerpen, zijnde de passage op p. 30, laatste alinea van punt 4.2 (zie p. 13, 4° alinea van randnr 22, van de derde syntheseconclusie van de eiseres gedateerd op 26 september 2013). Indien de kritiek van het eerste onderdeel van het derde middel tot cassatie niet zou kunnen worden aangenomen omdat niet zou blijken dat het be-streden arrest vermelde passage uit de derde besluiten van de verweerder voor het hof van beroep te Antwerpen zou hebben uitgelegd, dan is het bestreden arrest minstens niet gemotiveerd door niet te antwoorden op het verweer van de eiseres, volgens dewelke uit het arrest van het hof van beroep te Antwerpen en de passage, afkomstig uit de conclusie van de verweerder voor het hof van beroep te Antwerpen, blijkt dat op 17 juli 2002 beide partijen de bedoeling hadden om bij het vaststellen van de parameters rekening te houden met het zwart geld die de NV Wood, Wood & Co genereerde (schending van artikel 149 van de Grondwet). Derde onderdeel De belastingswetten, waaronder de bepalingen van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
(1992)ter vaststelling van het belastbaar inkomen van vennootschappen (de artikelen 179 tot 219bis van dit wetboek zoals van toepas-sing in 2002) zijn van openbare orde omdat zij de essentiële belangen van de Staat of van de gemeenschap raken. Voordelen die voortvloeien uit de ontduiking van verschuldigde belastingen zijn onrechtmatig en kunnen niet wettig de basis vormen en de oorzaak zijn van een overeenkomst die tot doel heeft de rechten van de partijen te bepalen, waaronder een dading (zie artikelen 6, 1131, 1133 en 2044 van het Burgerlijk Wetboek). Indien bewezen is dat partijen in hun dading van 17 juli 2002 een derdebeslisser hebben aangeduid om de waarde van de aandelen van de vennoot-schap Wood, Wood & Co te bepalen op grond van parameters (cijfers), door hen bepaald in functie van het veel 'zwart geld' gegenereerd door die vennootschap, met de verplichting voor de derdebeslisser die parameters (cijfers) te hanteren, dan heeft de dading houdende aanduiding van een derdebeslisser met de verplichting de prijs te bepalen op grond van deze parameters een ongeoorloofde oorzaak. Indien de motieven van het bestreden arrest, luidens dewelke "Er blijkt niet of minstens onvoldoende dat de (parameters opgenomen in de) dading een ongeoorloofde oorzaak hebben (heeft)" en "Er wordt niet bewezen dat de prijs laten bepalen op grond van de parameters die in de dading werden overeengeko-men, in strijd zou zijn met de openbare orde" (p. 18), zouden gelden los van het motief dat niets erop wijst dat het op 17 juli 2002 de bedoeling was van de partij-en om bij het vaststellen van de parameters voor de prijsbepaling van de aandelen rekening te houden met niet aangegeven inkomsten van Wood, Wood & Co, dan schendt het besteden arrest met dit motief de artikelen 6, 1131, 1134 en 2044 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de artikelen 179 tot 219bis van het Wetboek van Inkomstenbelastingen
(1992)(zoals van toepassing in het jaar 2002). Het is immers ongeoorloofd om op grond van de niet-aangifte van belastbare inkomsten van een vennootschap de bedoeling te hebben voordelen, zoals een betere prijs voor de verkoop van de aandelen van die vennootschap, te bekomen en hierbij een derde (de derdebeslisser) te dwingen rekening te houden met niet aangegeven inkomsten bij het bepalen van de prijs van de aandelen van die vennootschap en dus rekening te houden met een ongeoorloofde en onrecht-matige toestand, zijnde de toestand ingevolge belastingontduiking. BIJ DEZE BESCHOUWINGEN Besluit ondergetekende advocaat bij het Hof van Cassatie dat het U beha-ge, Hooggeachte Dames en Heren, het bestreden arrest te vernietigen, de zaak en de partijen te verwijzen naar een ander hof van beroep, kosten als naar recht. Brussel, 4 juni 2018 Martin Lebbe Stukken gevoegd bij de voorziening: 1- een voor eensluidend verklaard afschrift van het stuk 2 van het dossier dat de eiseres voor het hof van beroep te Brussel heeft neergelegd, te weten het eindverslag van de heer G. dd. 23 juni 2003; 2- een voor eensluidend verklaard afschrift van het stuk 4 van het dossier dat de eiseres voor het hof van beroep te Brussel heeft neergelegd, te weten de derde besluiten van de verweerder dd. 27 september 2006 neergelegd voor het hof van beroep te Antwerpen; dit stuk bevindt zich in origineel in het rechtsplegings-dossier waarop Uw Hof vermag acht te slaan. Martin lebbe PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190429.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121018.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div