id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019
Art. 281
, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Besluit Raad EU - 16-11-2004 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Douane en accijnzen - Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Overeenkomst - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Toestemming van de Chinese autoriteiten - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 281
, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Besluit Raad EU - 16-11-2004 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Douane en accijnzen - Internationale Verdragen - Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Verordening - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Toestemming van de Chinese autoriteiten - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 281
, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Besluit Raad EU - 16-11-2004 Fiches 4 - 7 Uit de bepalingen van artikel 281, § 1, AWDA, de artikelen 12, 45.3, eerste lid en 51 van de Verordening (EG) nr. 515/97, alsmede de verantwoording die is verstrekt ter gelegenheid van de wijziging van artikel 12 Verordening (EG) nr. 515/97 door de Verordening (EU) nr. 2015/1525 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015, volgt dat indien op grond van de Verordening (EG) nr. 515/97 de bevoegde autoriteit om bijstand werd verzocht, de verzoeker om bijstand de aldus verkregen gegevens mag aanwenden in strafrechtelijke procedures wegens de niet-naleving van douanevoorschriften, aangezien onder gerechtelijke procedures of rechtsvervolgingen in de zin van artikel 45.3, eerste lid, Verordening (EG) nr. 515/97 zonder enig onderscheid alle gerechtelijke procedures en rechtsvervolging, strafvervolgingen inbegrepen, vallen en uit artikel 51 Verordening (EG) nr. 515/97 bovendien geenszins kan worden afgeleid dat de verzoeker om bijstand verplicht zou zijn een beroep te doen op andere rechtsinstrumenten voor internationale rechtshulp zoals de Napels II- overeenkomst of het Europees rechtshulpverdrag. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Internationale Verdragen - Verordening (EG) nr. 515/97 - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Verordening - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Verplichting tot gebruik van andere instrumenten voor internationale rechtshulp - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 281
, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 EEG-verordening - 13-03-1997 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Douane en accijnzen - Verordening (EG) nr. 515/97 - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Verordening - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Verplichting tot gebruik van andere instrumenten voor internationale rechtshulp - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 281
, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 EEG-verordening - 13-03-1997 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Douane en accijnzen - Verordening (EG) nr. 515/97 - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Verordening - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Verplichting tot gebruik van andere instrumenten voor internationale rechtshulp - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 281
, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 EEG-verordening - 13-03-1997 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Douane en accijnzen - Internationale Verdragen - Europese Unie - Verordening (EG) nr. 515/97 - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Verordening - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Verplichting tot gebruik van andere instrumenten voor internationale rechtshulp - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen:
Art. 281
, § 1 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 EEG-verordening - 13-03-1997 Fiches 8 - 13 Uit de artikelen 1.1 en 3.1 Napels II-overeenkomst volgt dat de verzoeker om bijstand de op grond van deze overeenkomst verkregen informatie van de bevoegde overheid kan aanwenden in een strafrechtelijke procedure; uit artikel 1.2 Napels II-overeenkomst volgt niet dat de verzoeker om bijstand gebruik had moeten maken van het Europees rechtshulpverdrag omdat de bevoegde autoriteit daarom had verzocht aangezien het de verzoekende autoriteit toekomt te bepalen op grond van welk rechtsinstrument hij zijn verzoek om bijstand formuleert. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Douane en accijnzen - Napels II- overeenkomst - Wederzijdse bijstand en samenwerking tussen douaneadministraties - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Overeenkomst - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - Art. 1.1, 1.2 en 1.3 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-04-1959 - 30 Link Justel databank 19590420-30 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Douane en accijnzen - Napels II- overeenkomst - Wederzijdse bijstand en samenwerking tussen douaneadministraties - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Overeenkomst - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - Art. 1.1, 1.2 en 1.3 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-04-1959 - 30 Link Justel databank 19590420-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Douane en accijnzen - Internationale Verdragen - Europese Unie - Napels II- overeenkomst - Verzoek om bijstand gebaseerd op deze Overeenkomst - Gebruik van de verkregen gegevens in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving - Toelaatbaarheid - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - Art. 1.1, 1.2 en 1.3 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-04-1959 - 30 Link Justel databank 19590420-30 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Internationale rechtshulp - Europees rechtshulpverdrag - Napels II- overeenkomst - Verzoek van de aangezocht autoriteit om gebruik te maken van het Europees rechtshulpverdrag - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - Art. 1.1, 1.2 en 1.3 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-04-1959 - 30 Link Justel databank 19590420-30 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Internationale rechtshulp - Europees rechtshulpverdrag - Napels II- overeenkomst - Verzoek van de aangezocht autoriteit om gebruik te maken van het Europees rechtshulpverdrag - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - Art. 1.1, 1.2 en 1.3 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-04-1959 - 30 Link Justel databank 19590420-30 Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Europees rechtshulpverdrag - Napels II- overeenkomst - Verzoek van de aangezocht autoriteit om gebruik te maken van het Europees rechtshulpverdrag - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - Art. 1.1, 1.2 en 1.3 Verdrag of internationale overeenkomst - 20-04-1959 - 30 Link Justel databank 19590420-30 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1259.N I BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1040 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de adviseur-generaal - regiomanager - gewestelijk directeur der douane en accijnzen Gent, met kantoor te 9000 Gent, Sint-Lievenslaan 27, Administratief Centrum Ter Plaeten, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, eiser, beide cassatieberoepen tegen
- A. HARTRODT (BELGIUM) AIRFREIGHT nv, met zetel te 2000 Antwerpen, Suikerrui 5, beklaagde, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 106, waar de verweerster woonplaats kiest,
- CEBETEX bvba, met zetel te 8570 Anzegem, Mekeirleweg 17, beklaagde, verweerster, met als raadsman mr. Filip Soetaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
- FIRMA IMPORTOWO-HANDLOWO-USLUGOWA RYSZARD ANTOLAK, met zetel te PL 34-240 Jordanów (Polen), Osiedle, Wrzosy 1/31, beklaagde, verweerster,
- WELVERTON ENTERPRISES Ltd, met zetel te 1302 Nicosia (Cyprus), Arch. Makaroui III 58, Iris Tower 602, beklaagde, verweerster,
- L N J V, beklaagde, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest,
- D M V V, beklaagde, verweerder, met als raadsman mr. Filip Soetaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
- I G D B, beklaagde, verweerster, met als raadsman mr. Filip Soetaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen,
- A R, beklaagde, verweerder,
- U Z, beklaagde, verweerster,
- L D, beklaagde, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest,
- D P, beklaagde. verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 6 december 2017 (hierna arrest I) en 14 november 2018 (hierna arrest II). De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen Gronden van niet-ontvankelijkheid
- De verweerster 1, de verweerders 2, 6 en 7 en de verweerders 5, 10 en 11 voeren aan dat het enig middel van de eiser I in al zijn onderdelen niet ontvankelijk is omdat de appelrechters met het arrest II de fiscale rechtsvordering ongegrond hebben verklaard op grond van zelfstandige redenen, die losstaan van de beslissing tot wering van stukken.
- Uit het arrest II blijkt dat de appelrechters de fiscale rechtsvordering afwijzen op grond van redenen die geen verband houden met de beslissing tot wering van stukken en die niet door de eiser I worden bekritiseerd. De aangevoerde grond van niet-ontvankelijkheid moet dan ook in zoverre hij betrekking heeft op de beslissing op de fiscale rechtsvordering van de eiser I worden aangenomen. In zoverre het middel van de eiser I in al zijn onderdelen betrekking heeft op de beslissing op de fiscale rechtsvordering, behoeft het gelet op de niet-ontvankelijkheid ervan geen antwoord.
- De verweerster 1 en de verweerders 5, 10 en 11 voeren aan dat in zoverre het middel van de eiser I in al zijn onderdelen is gericht tegen het arrest I, het niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang, omdat de eiser I na het arrest I heeft beslist zijn vordering te steunen op een nieuw proces-verbaal van 21 februari 2018 met een reeks van bijlagen.
- Deze grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen. Het louter neerleggen van een nieuw proces-verbaal waarop de vordering van de eiser I wordt gesteund, leidt niet tot het verlies van belang om een middel aan te voeren tegen de wering van processen-verbaal en hun bijlagen met het arrest I waarop die vordering eveneens was gesteund.
- De verweerster 1 voert aan dat het eerste onderdeel van het middel van de eiser I niet ontvankelijk is omdat de eiser I schending aanvoert van verdragsbepalingen die geen wet zijn in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek.
- De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van de Volksrepubliek China betreffende samenwerking en wederzijdse administratieve bijstand in douanezaken (hierna Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China), zoals goedgekeurd bij besluit van de Raad van 16 november 2004 (2004/889/EG), is wel degelijk een wet in de zin van artikel 608 Gerechtelijk Wetboek. De grond van niet-ontvankelijkheid wordt niet aangenomen.
- De verweerders 2, 6 en 7 voeren aan dat de eiser II geen belang heeft bij zijn middelen omdat hij voor het hof van beroep geen gevangenisstraf heeft gevorderd. Het recht voor het openbaar ministerie om ter staving van zijn cassatieberoep tegen een beslissing op de strafvordering in een zaak waar het instellen van die vordering toekomt aan de administratie, middelen aan te voeren betreffende het weren van stukken uit de strafprocedure en de vrijspraak van een beklaagde hangt niet af van het al dan niet vorderen van een gevangenisstraf. De grond van niet-ontvankelijkheid van de middelen van de eiser II wordt niet aangenomen. Gegrondheid Eerste onderdeel van het middel van de eiser I en eerste en derde middel van de eiser II
- Het eerste onderdeel van het middel van de eiser I voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 17 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China en de artikelen 139, 6°, 202, 261 en 283 AWDA: het arrest I weert ten onrechte de processen-verbaal van 6 december 2012, 19 mei 2015 en 9 december 2015, met de vermelde bijlagen, omdat ze verwijzen naar of gesteund zijn op de door China verstrekte gegevens, uit het debat als bewijsmateriaal in de strafprocedure; het arrest II weert om dezelfde redenen ten onrechte het proces-verbaal van 21 februari 2018 en de vermelde bijlagen uit het debat; daardoor wordt ook de fiscale rechtsvordering van de eiser I ten onrechte ongegrond verklaard; de eiser I had mede met het oog op het instellen van de fiscale rechtsvordering China om administratieve bijstand verzocht op grond van de vermelde Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China, in het bijzonder om het bedrag van de ontdoken rechten te kunnen bepalen en de namen van de betrokken douaneschuldenaren te kunnen achterhalen; dit verzoek dat verband hield met de fiscale rechtsvordering en dus niet louter kaderde binnen de strafprocedure strekte wel degelijk tot de correcte toepassing van de douanewetgeving en preventie en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving in de zin van artikel 10.1 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China; anders dan wat het arrest I oordeelt, is dit verzoek geen verzoek om bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes in de zin van artikel 10.3 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China; aangezien het bedrag aan rechten nog niet was vastgesteld en de douaneschuldenaren nog niet waren geïdentificeerd, kon er op het ogenblik van het verzoek nog geen sprake zijn van invordering en evenmin van boetes; uit artikel 17.3 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China volgt dat de verzoekende overheid gebruik kan maken van de krachtens de Overeenkomst verkregen informatie in het kader van bewijsvoeringen, verslagen en getuigenissen en in administratieve procedures, maar niet dat die informatie uitsluitend als bewijs in administratieve procedures kan worden gebruikt; de eiser diende dan ook niet overeenkomstig artikel 17.4 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China voorafgaandelijk om de schriftelijke toestemming van China te verzoeken om de verkregen gegevens aan te wenden in het kader van de fiscale rechtsvordering. Het eerste middel van de eiser II voert schending aan van de artikelen 10, 17.3 en 17.4 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China: het arrest I dat beslist tot wering van de processen-verbaal van 6 december 2012, 19 mei 2015 en 9 december 2015 met de vermelde bijlagen, die verwijzen naar of gebaseerd zijn op de van China verkregen informatie, is niet naar recht verantwoord; het arrest I leidt uit de samenhang tussen de artikelen 10.1, 17.3, en 17.4, eerste lid, Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China verkeerdelijk af dat de verkregen informatie enkel in administratieve procedures mag worden gebruikt; artikel 17.3 bepaalt duidelijk dat de informatie mag worden gebruikt bij de bewijsvoering, verslagen en getuigenissen en in administratieve procedures; geen enkele bepaling van de Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China verbiedt het gebruik van informatie in strafprocedures; artikel 10.1 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China omschrijft het doel van de wederzijdse bijstand als de correcte toepassing van de douanewetgeving en de preventie, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving; de vervolging valt daaronder; het arrest I oordeelt dan ook ten onrechte dat de verkregen informatie wordt gebruikt in strijd met de doeleinden van de Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China; het arrest geeft aan artikel 10.3 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China een onjuiste interpretatie; die bepaling heeft betrekking op de uitvoeringsfase en belet niet dat verkregen informatie wordt gebruikt in een strafprocedure; aangezien de verkregen informatie kadert in de in artikel 10.1 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China bepaalde doelstelling en het gebruik valt binnen de door artikel 17.3 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China gegeven omschrijving, oordeelt het arrest I ten onrechte dat op grond van artikel 17.4 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China de eiser I de Chinese autoriteiten voorafgaandelijk en schriftelijk toestemming had moeten vragen om de informatie te gebruiken in de voorliggende procedure. Het derde middel van de eiser II voert schending aan van onder meer de artikelen 10, 17.3 en 17.4 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China: het arrest II dat beslist tot het weren van het proces-verbaal van 21 februari 2018 in de mate dat het verwijst naar of is gebaseerd op de uit China verkregen informatie is niet naar recht verantwoord; tegen dat arrest worden dezelfde grieven aangevoerd als tegen het arrest I.
- Artikel 281, § 1, AWDA bepaalt dat alle vorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven, waartegen bij de wetten inzake douane en accijnzen, straffen zijn bepaald, zullen worden berecht door de correctionele rechtbank en in hoger beroep door het hof van beroep overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering. Artikel 281, § 2, eerste zin, AWDA bepaalt dat alle vorderingen die strekken tot toepassing van boeten, verbeurdverklaringen of het sluiten van fabrieken of werkplaatsen voor die rechtbank zullen worden vervolgd door of in naam van de administratie, maar dat daarin geen recht zal worden gesproken dan op conclusie van het openbaar ministerie. Artikel 283 AWDA bepaalt dat zo deze overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden, onverminderd de strafvordering, tevens tot betaling van rechten en accijnzen en dus tot een civiele vordering aanleiding geven, de bevoegde criminele of correctionele rechter daarvan kan kennisnemen.
- Artikel 10.1 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China bepaalt dat de douaneautoriteiten elkaar bijstand verlenen door passende informatie te verstrekken die bijdraagt tot een correcte toepassing van de douanewetgeving en de preventie, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving. Artikel 17.3, eerste en tweede zin, Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China bepaalt dat geen enkele bepaling van deze overeenkomst een beletsel vormt voor het gebruik van krachtens deze overeenkomst verkregen informatie of documenten als bewijsmateriaal in administratieve procedures die achteraf worden ingesteld ingevolge de vaststellingen van handelingen die in strijd zijn met de douanewetgeving en dat de overeenkomstsluitende partijen derhalve in hun bewijsvoeringen, verslagen en getuigenissen en in administratieve procedures gebruik kunnen maken van krachtens deze overeenkomst verkregen informatie en documenten.
- Uit die bepalingen volgt dat de eiser I die op grond van de Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China om bijstand heeft verzocht met het oog op een correcte toepassing van de douanewetgeving en ter preventie, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving in de zin van artikel 10.1 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China, de aldus verkregen informatie en documenten mag aanwenden in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving die het voorwerp vormden van het verzoek om samenwerking.
- Noch artikel 10.2 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China dat bepaalt dat deze bijstand geen beletsel vormt voor de toepassing van de voorschriften van de wederzijdse bijstand in strafzaken, noch artikel 10.3 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China dat bepaalt dat de bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes, het aanhouden of in hechtenis nemen van personen en de inbeslagneming van goederen niet onder deze overeenkomst valt, laten toe anders te oordelen. De mogelijkheid voor de eiser I om de Chinese autoriteiten krachtens de wederzijdse bijstand in strafzaken om bijstand te verzoeken, sluit immers niet uit dat gegevens verkregen krachtens de Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China door de administratie worden gebruikt in een door haar aanhangig gemaakte strafrechtelijke procedure en de daarmee gepaard gaande fiscale rechtsvordering. De in artikel 10.3 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China bepaalde uitzonderingsregel heeft specifiek betrekking op het geval waarin de rechten, heffingen en boetes reeds zijn vastgesteld en niet op het geval waarin de verschuldigdheid van de rechten nog niet is vastgesteld.
- Indien het op grond van de Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China geformuleerde verzoek om bijstand door de eiser I aan de Chinese autoriteiten strekte tot een correcte toepassing van de douanewetgeving en de preventie, opsporing en bestrijding van inbreuken op de douanewetgeving in de zin van artikel 10.1 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China moet de eiser I, indien hij de verkregen informatie en documenten wil aanwenden in een strafrechtelijke procedure betreffende inbreuken op de douanewetgeving die het voorwerp vormden van het verzoek om samenwerking, niet vooraf de Chinese autoriteiten daartoe schriftelijk om toestemming verzoeken zoals voorgeschreven door artikel 17.4, tweede en derde zin, Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China. De verkregen informatie en documenten worden dan immers gebruikt voor doeleinden van deze overeenkomst, als bedoeld door artikel 17.4, eerste zin, Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China.
- Het arrest I dat wat betreft de beslissing op de strafvordering beslist tot wering van de vermelde processen-verbaal en de bijlagen eensdeels omdat volgens artikel 10.3 Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China de bijstand bij de invordering van rechten, heffingen en boetes, het aanhouden of in hechtenis nemen van personen en de inbeslagneming van goederen niet onder deze overeenkomst valt en, anderdeels, gelet op de afwezigheid van een voorafgaande schriftelijke toestemming door de Chinese autoriteiten voor het gebruik van de informatie en de documenten voor andere doeleinden dan die bedoeld door de overeenkomst, zoals vereist door artikel 17.4, tweede en derde zin, Overeenkomst Samenwerking Douane EG-China, is niet naar recht verantwoord. Dat geldt evenzeer voor de wering door het arrest II van het proces-verbaal van 21 februari 2018 en de bijlagen. Het onderdeel en de middelen zijn in zoverre gegrond. Tweede en derde onderdeel van het middel van de eiser I en tweede en derde middel van de eiser II
- Het tweede onderdeel van het middel van de eiser I voert schending aan van de artikelen 12, 45.3, eerste lid, en 51 van de Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (hierna Verordening (EG) nr. 515/97) en de artikelen 139, 6°, 202, 261 en 258 AWDA: het arrest I oordeelt ten onrechte dat onder de in artikel 12 Verordening (EG) nr. 515/97 bedoelde gerechtelijke procedure of rechtsvervolging geen strafprocedure mag worden verstaan en dat de eiser I indien hij de Poolse, Cypriotische of Duitse informatie in de strafprocedure had willen aanwenden, een beroep had moeten doen op de Overeenkomst van 18 december 1997 opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties, goedgekeurd bij wet van 13 september 2004 (hierna Napels II-overeenkomst) hetzij op het Europees rechtshulpverdrag van 10 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna Europees rechtshulpverdrag); het arrest oor¬deelt dan ook ten onrechte dat de eiser I de Poolse, Cypriotische of Duitse informatie niet wettig in de strafprocedure heeft aangewend en het weert dan ook ten onrechte de processen-verbaal van 6 december 2012, 19 mei 2015 en 9 december 2015, met de vermelde bijlagen, die naar die gegevens verwijzen of er op waren gebaseerd, als bewijsmateriaal in de strafprocedure uit het debat; het arrest II heeft om dezelfde reden ten onrechte het proces-verbaal van 21 februari 2018 en de vermelde bijlagen uit het debat geweerd; de vrijspraak van de verweerders en de ongegrondverklaring van de fiscale rechtsvordering zijn dan ook niet naar recht verantwoord. Het derde onderdeel van het middel van de eiser I voert schending aan van de artikelen 1.2, 3.2, 10 tot en met 12 en 14 Napels II-overeenkomst en de artikelen 139, 6°, 202, 261 en 283 AWDA: het arrest I oordeelt ten onrechte dat de eiser I de bij toepassing van de Napels II-overeenkomst verkregen Poolse informatie na het derde bijstandsverzoek aan Polen ten onrechte als bewijsmateriaal in de strafprocedure heeft aangewend; het gegeven dat de Poolse aangezochte autoriteit de eiser I uitdrukkelijk heeft verzocht toepassing te maken van het Europees rechtshulpverdrag en de eiser I daarop niet is ingegaan, verantwoordt die beslissing niet naar recht; uit de samenlezing van de artikelen 1.2, 3.2 en 10 tot en met 12 Napels II-overeenkomst volgt dat het de verzoekende autoriteit zelf is die bepaalt welke de grondslag is van de door hem gevraagde rechtshulp en de aangezochte autoriteit kan hem geen ander instrument voor rechtshulp opdringen; de vrijspraak van de verweerders en de ongegrondverklaring van de fiscale rechtsvordering van de eiser I, die daar een gevolg van is, is niet naar recht verantwoord. Het tweede middel van de eiser II voert schending aan van de artikelen 12, 45.3, eerste lid, en 51 Verordening (EG) nr. 515/97, de artikelen 1 en 3 Napels II-overeenkomst en de artikelen 1, eerste lid, en 24 Europees rechtshulpverdrag: het arrest I dat beslist tot wering van de processen-verbaal van 6 december 2012, 19 mei 2015 en 9 december 2015 met de vermelde bijlagen, die verwijzen naar of gebaseerd zijn op de van Polen, Cyprus of Duitsland verkregen informatie is niet naar recht verantwoord; uit de artikelen 12 en 45.3, eerste lid, Verordening (EG) nr. 515/97 kan niet wettig worden afgeleid dat de krachtens deze Verordening verkregen gegevens niet in een strafprocedure kunnen worden gebruikt; artikel 45.3, eerste lid, Verordening (EG) nr. 515/97 vereist als enige voorwaarde dat het voorwerp van de gerechtelijke procedure of de rechtsvervolging betrekking moet hebben op de niet-naleving van douane- of landbouwvoorschriften; aan die voorwaarde is in deze zaak voldaan; ten onrechte oordeelt het arrest I dat de eiser I een beroep had moeten doen op de Napels II-overeenkomst of het Europees rechtshulpverdrag; ambtenaren van de eiser I kunnen op dat laatste verdrag geen beroep doen aangezien zij geen rechterlijke autoriteit zijn als bedoeld door artikel 24 van dit verdrag; uit de artikelen 1.1 en 3.1 Napels II-overeenkomst volgt dat de eiser I de uit Polen afkomstige informatie kan gebruiken in een strafprocedure; het arrest I kan artikel 1.2 Napels II-overeenkomst niet zo interpreteren dat de eiser I gebruik had moeten maken van het Europees rechtshulpverdrag en zo de bruikbaarheid van de verkregen informatie te niet doen; het komt overigens de verzoekende autoriteit toe de rechtsgrond van zijn rechtshulpverzoek te bepalen en niet de aangezochte autoriteit. Het derde middel van de eiser II voert schending aan van onder meer de artikelen 12, 45.3, eerste lid, en 51 Verordening (EG) nr. 515/97, de artikelen 1 en 3 Napels II-overeenkomst en de artikelen 1, eerste lid, en 24 Europees rechtshulpverdrag: het arrest II dat beslist tot het weren van het proces-verbaal van 21 februari 2018 in de mate dat het verwijst naar of is het gebaseerd op de uit Polen, Cyprus en Duitsland verkregen informatie is niet naar recht verantwoord; tegen dat arrest worden dezelfde grieven aangevoerd als tegen het arrest I.
- Artikel 281, § 1, AWDA bepaalt dat alle vorderingen wegens overtredingen, fraudes en misdrijven, waartegen bij de wetten inzake douane en accijnzen, straffen zijn bepaald, zullen worden berecht door de correctionele rechtbank en in hoger beroep door het hof van beroep overeenkomstig het Wetboek van Strafvordering. Artikel 281, § 2, eerste zin, AWDA bepaalt dat alle vorderingen die strekken tot toepassing van boeten, verbeurdverklaringen of het sluiten van fabrieken of werkplaatsen voor die rechtbank zullen worden vervolgd door of in naam van de administratie, maar dat daarin geen recht zal worden gesproken dan op conclusie van het openbaar ministerie. Artikel 283 AWDA bepaalt dat zo deze overtredingen, fraudes, misdrijven of misdaden, onverminderd de strafvordering, tevens tot betaling van rechten en accijnzen en dus tot een civiele vordering aanleiding geven, de bevoegde criminele of correctionele rechter daarvan kan kennisnemen.
- Artikel 12 Verordening (EG) nr. 515/97 bepaalt dat de vaststellingen, bevindingen, informatie, documenten, voor eensluidend gewaarmerkte afschriften en alle inlichtingen die door ambtenaren van de aangezochte autoriteiten in de in de artikelen 4 tot en met 11 bedoelde gevallen van bijstand zijn verkregen en aan de verzoekende autoriteit zijn verstrekt, door de bevoegde instanties van de lidstaat van de verzoekende autoriteit als bewijsmateriaal worden aangevoerd. Artikel 45.3, eerste lid, Verordening (EG) nr. 515/97 bepaalt dat het bepaalde in de vorige leden geen beletsel vormt voor het gebruik van de krachtens deze verordening verkregen gegevens bij gerechtelijke procedures of rechtsvervolgingen die later worden ingesteld wegens niet-naleving van de douane- of landbouwvoorschriften. Artikel 51 Verordening (EG) nr. 515/97 bepaalt dat deze verordening de toepassing in de lidstaten van de regels inzake de strafrechtelijke vervolging en de wederzijdse rechtshulp in strafzaken met inbegrip van de regels betreffende het geheim van het onderzoek, onverlet laat.
- Uit deze bepalingen en de verantwoording die is verstrekt ter gelegenheid van de wijziging van artikel 12 Verordening (EG) nr. 515/97 door de Verordening (EU) nr. 2015/1525 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015, volgt dat indien de eiser I op grond van de Verordening (EG) nr. 515/97 de bevoegde autoriteit om bijstand heeft verzocht, hij de aldus verkregen gegevens mag aanwenden in strafrechtelijke procedures wegens de niet-naleving van douanevoorschriften. Onder gerechtelijke procedures of rechtsvervolgingen in de zin van artikel 45.3, eerste lid, Verordening (EG) nr. 515/97 vallen zonder enig onderscheid alle gerechtelijke procedures en rechtsvervolging, strafvervolgingen inbegrepen. Uit artikel 51 Verordening (EG) nr. 515/97 kan bovendien geenszins worden afgeleid dat de eiser I verplicht zou zijn een beroep te doen op andere rechtsinstrumenten voor internationale rechtshulp zoals de Napels II-overeenkomst of het Europees rechtshulpverdrag.
- Artikel 1 Napels II-overeenkomst legt het toepassingsgebied van deze overeenkomst vast. In het eerste lid wordt bepaald dat de lidstaten elkaar wederzijdse bijstand verlenen en samenwerken via hun administraties om inbreuken op de nationale douanevoorschriften te voorkomen en op te sporen en inbreuken op communautaire en nationale douanevoorschriften te vervolgen en te bestraffen. Het tweede lid bepaalt dat deze overeenkomst geen afbreuk doet aan de toepasselijke bepalingen inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen justitiële autoriteiten of aan verdergaande bepalingen van bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen lidstaten aangaande samenwerking tussen de douaneautoriteiten of andere bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Artikel 3.1 Napels II-overeenkomst bepaalt dat deze overeenkomst van toepassing is op wederzijdse bijstand en samenwerking in het kader van strafrechtelijke onderzoeken betreffende inbreuken op nationale of communautaire douanevoorschriften ter zake waarvan de verzoekende autoriteit bevoegd is op grond van de nationale bepalingen van de betrokken lidstaat.
- Uit de artikelen 1.1 en 3.1 Napels II-overeenkomst volgt dat de eiser I de op grond van deze overeenkomst verkregen informatie van de bevoegde Poolse overheid kan aanwenden in een strafrechtelijke procedure.
- Uit artikel 1.2 Napels II-overeenkomst volgt niet dat de eiser I gebruik had moeten maken van het Europees rechtshulpverdrag omdat de bevoegde Poolse autoriteit daarom had verzocht. Het komt de verzoekende autoriteit toe te bepalen op grond van welk rechtsinstrument hij zijn verzoek om bijstand formuleert.
- Het arrest I dat wat betreft de beslissing op de strafvordering beslist tot wering van de vermelde processen-verbaal en de bijlagen op grond dat de krachtens de Verordening (EG) nr. 515/97 verkregen gegevens enkel als bewijsmateriaal mogen worden gebruikt in een administratieve procedure of bij een burgerlijke vordering tot betaling van ontdoken invoerrechten en dus niet in het kader van een strafprocedure, de eiser I een beroep had moeten doen op andere rechtsinstrumenten voor internationale rechtshulp dan op deze verordening en de eiser I zich evenmin kan beroepen op de Napels II-overeenkomst, is niet naar recht verantwoord. Dat geldt evenzeer voor de wering door het arrest II van het proces-verbaal van 21 februari 2018 en de bijlagen. Het onderdeel en de middelen zijn in zoverre gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissingen over de wering van de vermelde processen-verbaal en de vermelde bijlagen leidt tot de vernietiging van de overige beslissingen van de arresten I en II wat betreft de beslissing op de strafvordering, gelet op het nauw verband tussen die beslissingen. Dictum Het Hof, Vernietigt de arresten I en II wat betreft de beslissing op de strafvordering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest I en het gedeeltelijk vernietigde arrest II. Verwerpt het cassatieberoep I voor het overige. Laat een vijfde van de kosten van het cassatieberoep I ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten in het geheel op 2396,33 euro, waarvan de eiser I 1764,20 euro verschuldigd is en de eiser II 632,13 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 30 april 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190430.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div