← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190430.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 30 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190430.4 Rolnummer: P.19.0065.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-05-03 Raadplegingen: 600 - laatst gezien 2026-06-29 05:24 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een daad van vervolging die overeenkomstig artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de verjaring stuit is een daad van een daartoe bevoegde autoriteit, die tot doel heeft de strafvordering in te stellen of verder uit te oefenen en met die daad geeft deze autoriteit te kennen dat zij de strafvordering niet uit het oog verliest, maar ze integendeel tot een goed einde wil brengen; het enkele feit dat een onregelmatigheid in de rechtspleging wordt vastgesteld die weliswaar een impact kan hebben op de doelmatigheid van die daad, maar niet met zich meebrengt dat hij uitgaat van een daartoe onbevoegde overheid of zelf nietig is, doet dan ook geen afbreuk aan de verjaringstuitende werking ervan

(1).
(1)Cass. 19 september 2018, AR P.18.0456.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180919.3, AC 2018, nr. 481 en concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, Mechelen, 6de editie, 2014, p. 125; M.-A. BEERNAERT, H.-D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, la Charte, 2017, t. I, p. 208 e.v.; zie Cass. 28 juni 2017, AR P. 17.0490.F, AC 2017, nr. 428 (onregelmatige betekening van een verstekbeslissing heeft stuitende werking); Cass. 24 november 2015, AR P.14.0722.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151124.3, AC 2015, nr. 693 met concl van advocaat-generaal M. DE SWAEF (schorsende werking van een uitstel van de zaak ingevolge een niet rechtsgeldig bevel tot persoonlijke verschijning); Cass. 21 september 1993, AR nr. 6652, AC 1993, nr. 362 (stuitende werking van de toezending van een kantschrift aan de politiecommissaris teneinde aan een verdachte een kopie van betekening van een verstekvonnis af te geven, zelfs wanneer de rechtspleging die aanleiding gaf tot de verstekbeslissing nadien werd vernietigd). Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Stuiting Vrije woorden: Onregelmatigheid in de rechtspleging - Invloed op de doelmatigheid van de stuitingsdaad - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Vrije woorden: Verjaring - Stuiting - Onregelmatigheid in de rechtspleging - Invloed op de doelmatigheid van de stuitingsdaad - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0065.N J C R, beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jesse Van den Broeck, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 20 december 2018, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 9 oktober
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 2, § 4, 3°, Wet Europees Aan-houdingsbevel en de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Straf-vordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verjaring van de strafvordering met betrekking tot de beweerde feiten van 13 januari 2012 niet is ingetreden om-dat de verjaringstermijn regelmatig is gestuit door het kantschrift van 29 sep-tember 2016 waarmee de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent aan zijn ambtsgenoot te Amiens (Frankrijk) het Europees aanhoudingsbevel van 18 augustus 2016 heeft meegedeeld en sindsdien nog geen vijf jaar is verstreken; ei-sers overlevering moet overeenkomstig artikel 2, § 4, 3°, Wet Europees Aanhou-dingsbevel steunen op een uitvoerbaar arrest, wat een regelmatige betekening vereist van het lastens de eiser verleende verstekarrest van 22 januari 2013; de betekening van dat arrest aan de procureur des Konings op 1 maart 2013 was on-regelmatig, zodat het niet uitvoerbaar was en de overlevering werd gevraagd door een onbevoegde overheid; de laatste stuitingsdaad was het vermelde verste-karrest.
  3. Een daad van vervolging die overeenkomstig artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering de verjaring stuit is een daad van een daartoe be-voegde autoriteit, die tot doel heeft de strafvordering in te stellen of verder uit te oefenen. Met die daad geeft deze autoriteit te kennen dat zij de strafvordering niet uit het oog verliest, maar ze integendeel tot een goed einde wil brengen. Het enkele feit dat een onregelmatigheid in de rechtspleging wordt vastgesteld die weliswaar een impact kan hebben op de doelmatigheid van die daad, maar niet met zich meebrengt dat hij uitgaat van een daartoe onbevoegde overheid of zelf nietig is, doet dan ook geen afbreuk aan de verjaringstuitende werking ervan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  4. Het feit dat het verstekarrest van 22 januari 2013 bij gebrek aan rechtsgel-dige betekening zoals in het arrest vastgesteld, niet uitvoerbaar was op de datum van het kantschrift van 29 september 2016, heeft niet tot gevolg dat eisers over-levering werd gevraagd door een onbevoegde overheid. De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent was immers een bevoegde rechtsinstantie om in het kader van de uitoefening van de strafvordering de in het middel vermelde kennisgeving te doen aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Amiens.
  5. Datzelfde gegeven heeft evenmin de nietigheid van die kennisgeving tot gevolg.
  6. Hieruit volgt dat het arrest naar recht oordeelt dat het kantschrift van 29 september 2016 de verjaring van de strafvordering stuit. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  8. Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 107,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 30 april 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190430.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151124.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170628.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180919.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.