id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190510.7 Rolnummer: C.18.0495.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-06-18 Raadplegingen: 279 - laatst gezien 2026-06-28 06:20 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De vordering tot verdeling van de goederen na de beëindiging van de wettelijke samenwoning onderstelt dat de eiser aannemelijk maakt dat er nog goederen zijn waarop het vermoeden waarvan sprake in artikel 1478, tweede lid, B.W kan betrekking hebben. Thesaurus CAS: VERDELING Vrije woorden: Beëindiging van de wettelijke samenwoning - Vordering tot verdeling - Vermoeden van onverdeeldheid - Toepassing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1478, tweede lid Thesaurus CAS: ONVERDEELDHEID Vrije woorden: Beëindiging van de wettelijke samenwoning - Vordering tot verdeling - Vermoeden van onverdeeldheid - Toepassing Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1478, tweede lid Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0495.N E.L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen N.V., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 14 juni
- Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1478, tweede lid, Burgerlijk Wetboek worden de goe-deren waarvan geen van beide wettelijk samenwonenden de eigendom kan be-wijzen en de inkomsten daarvan geacht in onverdeeldheid te zijn. De vordering tot verdeling van de goederen na de beëindiging van de wettelijke samenwoning onderstelt dat de eiser aannemelijk maakt dat er nog goederen zijn waarop dit vermoeden kan betrekking hebben.
- De appelrechters die oordelen dat het niet opgaat "om nog gewag te maken van een vermoeden van onverdeeldheid, in acht genomen dat de wettelijke sa-menwoning op heden reeds ca. 5 jaar is beëindigd, terwijl de [eiser] ook zijn domicilie al ca. 3 jaar niet meer in de woning van de [verweerster] heeft" aange-zien, "het vermoeden van onverdeeldheid slechts kan worden ingeroepen indien dit wordt ingeroepen korte tijd na de beëindiging van de wettelijke samen-woonst", geven aldus te kennen dat mag worden aangenomen dat al de nog aan-wezige roerende goederen in de woning van de verweerster aan haar toebehoren. Door op die gronden de vordering van de eiser ongegrond te verklaren, verant-woorden zij hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 822.39 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 10 mei 2019 uitgesproken door sectie-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190510.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div