id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.1 Rolnummer: P.19.0225.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-05-21 Raadplegingen: 780 - laatst gezien 2026-06-29 10:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 63, § 1, 2°, Wegverkeerswet volgt niet dat een bestuurder enkel kan worden verplicht tot het afleggen van een bloedproef indien hij zowel de ademtest als de ademanalyse heeft geweigerd. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 63 Vrije woorden: Verplichting tot het afleggen van een bloedproef - Voorwaarde Fiche 2 De herstelmogelijkheden van de nietigheden waarin het op 9 juni 2018 in werking getreden artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken voorziet, zijn overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk van toepassing op alle rechtsplegingen waarover de rechter nog dient te beslissen
(1).
(1)Zie: Cass. 27 februari 2019, AR P.19.0148.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.5, AC 2019, nr. 127 met concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH in Pas. 2019. Thesaurus CAS: TAALGEBRUIK - GERECHTSZAKEN (WET 15 JUNI 1935) - Vonnissen en arresten. Nietigheden - Strafzaken Vrije woorden: Nietigheden - Herstelmogelijkheden - Artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken - Wijziging door artikel 5 Wet 25 mei 2018 - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 3, 794, 861 en 864 Wet - 15-06-1935 - Art. 40, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet - 25-05-2018 - Art. 5 - 02 ELI link Pub nr 2018031110 Fiche 3 De herstelmogelijkheden van de nietigheden waarin het op 9 juni 2018 in werking getreden artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken voorziet, zijn overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk van toepassing op alle rechtsplegingen waarover de rechter nog dient te beslissen
(1).
(1)Zie: Cass. 27 februari 2019, AR P.19.0148.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.5, AC 2019, nr. 127 met concl. van advocaat-generaal, VANDERMEERSCH in Pas. 2018. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken - Wijziging door artikel 5 Wet 25 mei 2018 - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 3, 794, 861 en 864 Wet - 15-06-1935 - Art. 40, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1935061501 Wet - 25-05-2018 - Art. 5 - 02 ELI link Pub nr 2018031110 Fiches 4 - 5 De vrijheidsbeneming bedoeld in de artikelen 1, 1°, Voorlopige Hechteniswet neemt een aanvang vanaf het ogenblik dat de verdachte geen vrijheid van komen en gaan heeft
(1); het loutere verzoek van een daartoe bevoegd persoon om tijdens de uitvoering van een alcoholcontrole ter plaatse te blijven, ook al zou dit moeten worden beschouwd als een dwangmiddel in de zin van artikel 1 Wet Politieambt, houdt als dusdanig geen vrijheidsbeneming in de zin van deze bepaling in.
(1)Cass. 8 januari 2013, AR P.12.2060.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130108.2, AC 2013, nr. 17; Cass. 7 november 2012, AR P.12.1711.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121107.2, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Vrije woorden: Vrijheidsbeneming - Begrip - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet - 05-08-1992 - Art. 1 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 34 Vrije woorden: Alcoholcontrole - Verzoek van een bevoegd persoon om ter plaatse te blijven - Aard Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 1, 1° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet - 05-08-1992 - Art. 1 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Wet - 16-03-1968 - Art. 34 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0225.N W D N V, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kurt Stas, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Neder-landstalige correctionele rechtbank Brussel van 11 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM en arti-kel 149 Grondwet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen inzake het recht van verdediging en de bewijslast in strafzaken: het bestreden vonnis verwerpt eisers verzoek tot het horen van de verbalisanten hoewel de verklarin-gen van deze verbalisanten doorslaggevend waren voor zijn schuldigverklaring; de appelrechters oordelen dat in het proces-verbaal BRB.90.LL.662376.16 wordt aangegeven dat de eiser zowel de ademtest als de bloedproef heeft geweigerd en de eiser er niet in slaagt om onjuistheden in dit proces-verbaal aan te tonen zodat dit zijn bijzondere bewijswaarde conform artikel 62 Wegverkeerswet behoudt; de appelrechters laten evenwel na compenserende factoren voor het niet-horen van deze getuigen te vermelden.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eisers ver-zoek tot het horen van de verbalisanten kadert in zijn verweer voor de appelrech-ters dat hij de ademtest of bloedproef niet heeft geweigerd vermits hij aangaf zijn medewerking te verlenen indien de bevoegdheid van de politiediensten niet afhankelijk was van deze toestemming, minstens dat deze ademtest of bloed-proef hem niet afdoende duidelijk werd opgelegd, zodat de constitutieve be-standdelen van de telastleggingen B en C niet waren vervuld.
- Hieruit volgt dat eisers kritiek op de vaststellingen van de verbalisanten als dusdanig geen betrekking heeft op hun zintuiglijke waarnemingen, die bijzonde-re bewijswaarde hebben, maar op de hieruit afgeleide gevolgen. Het behoorde evenwel niet aan de verbalisanten, maar aan de appelrechters om te oordelen of uit de gedragingen of gezegdes van de eiser kan worden afgeleid of er een weige-ring was om de ademtest of bloedproef af te leggen, dan wel of de verbalisanten de eiser de verplichting tot het afleggen van de ademtest of de bloedproef op af-doende wijze hebben duidelijk gemaakt.
- Met de reden dat "de verbalisanten juist in het proces-verbaal de feiten hebben geacteerd zoals deze zich volgens hun vaststellingen hebben voorge-daan", geven de appelrechters te kennen dat het verhoor van deze getuigen geen invloed kan hebben op hun beoordeling van eisers voormeld verweer, zodat er geen noodzaak is om deze getuigen te horen. Die beslissing is naar recht verant-woord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 34, § 2, 3°, Wegverkeerswet, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen inza-ke het recht van verdediging, de bewijslast in strafzaken en het recht op een eer-lijk proces: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser zijn toestem-ming voor een ademtest en bloedproef heeft geweigerd; in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat hij bereid was zijn medewerking te verlenen indien de bevoegdheid van de verbalisanten niet afhankelijk was van zijn toestemming; het bestreden vonnis, dat niet vaststelt dat dit verweer elke geloofwaardigheid mist en het verhoor van de verbalisanten hierover ten onrechte weigert, oordeelt onterecht dat de eiser nalaat het bewijs hiervan te leveren; ook voor de weigering van een ademtest kan een wettige reden worden ingeroepen; het bestreden vonnis oordeelt verder eveneens ten onrechte dat eisers bewering, zelfs indien correct, moet worden beschouwd als een weigering; noch uit deze vaststelling noch uit de andere vaststellingen van het bestreden vonnis kunnen de appelrechters naar recht oordelen dat er sprake was van een weigering tot het afleggen van een ademtest of bloedproef in de zin van voormeld artikel
- Het bestreden vonnis oordeelt niet dat de eiser nalaat het bewijs te leveren dat hij het in het onderdeel vermeld verweer aan de verbalisanten heeft meege-deeld. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk.
- Artikel 34, § 2, 3°, Wegverkeerswet bestraft hij die geweigerd heeft zich te onderwerpen aan de in artikel 59 Wegverkeerswet bedoelde ademtest. Er zijn behoudens rechtvaardigingsgronden geen wettige redenen om een ademtest te weigeren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of de beklaagde een ademtest of bloed-proef heeft geweigerd. Het Hof gaat na of de rechter uit de door hem vastgestel-de feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Met de redenen die het bevat, oordeelt het bestreden vonnis naar recht dat de ei-ser zijn toestemming heeft geweigerd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Met die redenen geven de appelrechters tevens te kennen dat eisers ver-weer elke geloofwaardigheid mist. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- De aangevoerde schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht van verdediging en de bewijslast in strafzaken zijn afgeleid uit de overige vergeefs aangevoerde wetschendingen. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artike-len 34, 59 en 63 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser heeft geweigerd een bloedproef te ondergaan; de appelrechters stellen niet vast dat de ademanalyse niet kon worden uitgevoerd, noch dat de eiser dui-delijke tekenen van alcoholopname vertoonde of in staat van dronkenschap ver-keerde, zoals nochtans vereist om hem op regelmatige wijze een bloedproef op te leggen; bij gebrek aan een regelmatig opgelegde bloedproef kan er geen inbreuk zijn op voormeld artikel
- Krachtens artikel 63, § 1, 2°, Wegverkeerswet is het ondergaan van een bloedproef verplicht indien noch de ademtest noch de ademanalyse uitgevoerd kunnen worden en de betrokkene duidelijke tekenen van alcoholopname vertoont of zich blijkbaar bevindt in de toestand bedoeld in artikel 35 Wegverkeerswet. Uit deze bepaling volgt niet dat een bestuurder enkel kan worden verplicht tot het afleggen van een bloedproef indien hij zowel de ademtest als de ademanalyse heeft geweigerd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen dat "[de eiser] zich bewust (heeft) onttrokken aan de vaststellingen betreffende het door hem opgenomen alcoholgehalte ter-wijl hij zeer goed wist dat hij onder invloed van alcohol was en bijgevolg niet mocht rijden met een voertuig op de openbare weg" en "[de eiser] ter zitting trouwens nogmaals (bevestigde) dat hij enkele glazen teveel op had". Met deze redenen geven de appelrechters te kennen dat de eiser op het ogenblik van zijn weigering tot het afleggen van een bloedproef tekenen van alcoholopname ver-toonde. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel in zijn geheel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 11 en 40 Taalwet Gerechtszaken: het bestreden vonnis oordeelt ten on-rechte dat de Franstalige bijlagen, gehecht aan het proces-verbaal met nr. BRB 90.LL.662376/16, niet leiden tot de nietigheid van dit proces-verbaal dat werd opgesteld in het Nederlands; bijlagen, die een essentieel deel uitmaken van een proces-verbaal, moeten worden opgesteld in de taal van het proces-verbaal; de appelrechters gaan niet na of de Franstalige bijlagen een essentieel deel uitma-ken van het Nederlandstalige proces-verbaal en verhinderen het Hof aldus zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 33 en 40 Taalwet Gerechtszaken en artikel 1 van het koninklijk besluit van 10 juni 1959 betreffende de bloedproef met het oog op het bepalen van het alcohol-gehalte en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 15 april 1958 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening van de wetgeving en van de reglementen op de politie van het vervoer en van de besluitwet van 14 november 1939 betreffen-de de beteugeling van de dronkenschap: het bestreden vonnis oordeelt ten on-rechte dat de Franstalige bijlagen, gehecht aan het proces-verbaal met nr. BRB 90.LL.662376/16, geen deskundigenverslagen betreffen noch opgesteld zijn op vraag van de rechtbank en aldus niet in het Nederlands dienden te worden opge-steld; een geneesheer die door een bevoegde gerechtelijk persoon wordt gevor-derd in het kader van de bloedproef treedt op als deskundige zodat alle documen-ten die in dit kader worden opgesteld in het Nederlands moeten worden opge-steld; de appelrechters oordelen aldus ten onrechte dat de arts geen deskundige is, minstens laten ze na enige toetsing uit te voeren inzake de kwalificatie van de arts als vakman.
- Artikel 40, eerste en tweede lid, Taalwet Gerechtszaken, zoals in werking vóór de vervanging ervan met ingang van 9 juni 2018 door artikel 5 van de wet van 25 mei 2018 tot vermindering en herverdeling van de werklast binnen de rechterlijke orde, bepaalt dat de regels van de Taalwet Gerechtszaken zijn voor-geschreven op straffe van nietigheid en deze nietigheid van ambtswege door de rechter wordt uitgesproken, maar dat elk niet zuiver voorbereidend vonnis of ar-rest dat op tegenspraak is gewezen, de nietigheid dekt van het exploot en van de overige akten van rechtspleging die het vonnis of het arrest zijn voorafgegaan. Artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken, na de vervanging ervan door het voormelde artikel 5 van de wet van 25 mei 2018, bepaalt dat de regels van de Taalwet Gerechtszaken zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid, onvermin-derd de toepassing van de artikelen 794, 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek.
- De herstelmogelijkheden van de nietigheden waarin het op 9 juni 2018 in werking getreden artikel 40, eerste lid, Taalwet Gerechtszaken voorziet, zijn overeenkomstig artikel 3 Gerechtelijk Wetboek onmiddellijk van toepassing op alle rechtsplegingen waarover de rechter nog dient te beslissen.
- Artikel 861 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter een proceshande-ling alleen dan nietig kan verklaren of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven sanctioneren, indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Krachtens artikel 864 Gerechtelijk Wetboek zijn de nietigheid die tegen een pro-ceshandeling kan worden ingeroepen of het niet-naleven van een termijn die op straffe van nietigheid is voorgeschreven, gedekt indien zij niet tegelijk en vóór enig ander middel worden voorgedragen.
- Het middel voert niet aan en het blijkt niet uit eisers appelconclusie dat hij voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de voeging van Franstalige bijlagen bij het Nederlandstalige proces-verbaal zijn belangen heeft geschaad. Hieruit volgt dat, zelfs indien aangenomen wordt dat de artikelen 11 en 33 Taal-wet Gerechtszaken werden geschonden, de appelrechters het proces-verbaal niet nietig konden verklaren. Het middel dat niet tot cassatie kan leiden, is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65 Strafwetboek: het bestreden vonnis laat na te antwoorden op eisers verweer dat de feiten vermeld onder de telastleggingen B, C en D de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet; de appelrechters mo-tiveren ook niet waarom er geen eenheid van opzet kan worden aangenomen en leggen onterecht een afzonderlijke straf op voor enerzijds de telastleggingen B en C en anderzijds de telastlegging D.
- Indien een beklaagde zich beperkt tot de loutere aanvoering dat de rechter toepassing dient te maken van artikel 65 Strafwetboek zonder daartoe enig con-creet gegeven aan te voeren, beantwoordt en verwerpt de rechter die aanvoering met de enkele vaststelling dat er tussen de door hem te beoordelen feiten geen eenheid van opzet bestaat. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over het bestaan van eenheid van opzet. In zoverre het middel opkomt tegen dit oordeel of het Hof verplicht tot een on-derzoek van feiten waartoe het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 216bis Wetboek van Strafvordering, zoals toen toepasselijk, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis neemt ten onrechte eisers verzoek aan het openbaar ministerie tot het toepassen van de procedure inzake de minnelijke schikking in aanmerking bij de beoorde-ling van de zaak ten gronde; minstens stellen de appelrechters niet uitdrukkelijk vast dat zij dit stuk niet in aanmerking nemen.
- Uit het enkele feit dat een verzoek tot minnelijke schikking in de zin van artikel 216bis Wetboek van Strafvordering zich in het strafdossier bevindt kan geen schending van artikel 6 EVRM noch miskenning van het recht op een eer-lijk proces, het recht van verdediging of het vermoeden van onschuld worden af-geleid indien dit stuk niet ten laste van de beklaagde wordt aangewend in de strafprocedure. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis stelt vast dat uit het strafdossier enkel blijkt dat ei-sers raadsman een brief heeft geschreven aan het openbaar ministerie "onder meer om de toepassing te vragen van artikel 216bis Sv.". Uit geen van de rede-nen van het bestreden vonnis kan worden afgeleid dat de appelrechters deze brief in aanmerking hebben genomen bij de beoordeling van de zaak ten gronde. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Vijfde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 EVRM, de artikelen 1, 2 en 2bis Voorlopige Hechteniswet en artikel 1 Wet Politieambt: het bestreden vonnis leidt uit het feit dat "[de eiser] wordt geïntercepteerd en wordt gevraagd bij zijn voertuig te blijven", ten onrechte af dat er geen vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden; een verzoek van een politieambtenaar om tijdens een alcohol-controle ter plaatse te blijven is een dwangmaatregel, wat uitsluit dat de eiser hieraan vrijwillig gevolg heeft gegeven.
- De vrijheidsbeneming bedoeld in de artikelen 1, 1°, Voorlopige Hechte-niswet neemt een aanvang vanaf het ogenblik dat de verdachte geen vrijheid van komen en gaan heeft. Het loutere verzoek van een daartoe bevoegd persoon om tijdens de uitvoering van een alcoholcontrole ter plaatse te blijven, ook al zou dit moeten worden beschouwd als een dwangmiddel in de zin van artikel 1 Wet Po-litieambt, houdt als dusdanig geen vrijheidsbeneming in de zin van deze bepa-ling in. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat uit geen enkel element van het strafdossier blijkt dat de eiser van zijn vrijheid werd benomen en stelt anderzijds vast dat de eiser werd geïntercepteerd en gevraagd om bij zijn voertuig te blijven, wat een vrijheidsbeneming inhoudt.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid is geheel afgeleid uit de in het eerste on-derdeel vergeefs aangevoerde wetschending. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: in zijn conclusie heeft de eiser aan-gevoerd dat, hoewel hij na zijn interceptie niet meer over de vrijheid van komen en gaan beschikte, de politiediensten hem de rechten vermeld in artikel 47bis, § 4, Wetboek van Strafvordering niet hebben meegedeeld zodat er geen gebruik kan worden gemaakt van zijn verklaringen om een veroordeling te schragen; het bestreden vonnis neemt ten onrechte eisers verklaringen in aanmerking, min-stens stelt het niet vast dat deze verklaringen niet in aanmerking kunnen worden genomen.
- De aangevoerde onwettigheden zijn geheel afgeleid uit de in het eerste on-derdeel vergeefs aangevoerde wetschending. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Geert Jocqué, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 14 mei 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230228.2N.11 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121107.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130108.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190227.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div