← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.2

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.2 Rolnummer: P.19.0398.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-05-21 Raadplegingen: 236 - laatst gezien 2026-06-28 06:21 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De kamer voor de bescherming van de maatschappij die uitspraak doet op grond van artikel 54, § 1, Interneringswet kan de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde niet bevelen. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Verder beheer van de internering - Procedure op grond van artikel 54 Interneringswet - Grens Fiches 2 - 5 Uit de artikelen 5.1.e, 5.4 en 13 EVRM volgt niet dat een geïnterneerde die voorhoudt dat zijn vrijheidsberoving onrechtmatig is, op grond van de door artikel 54 Interneringswet bepaalde procedure van hoogdringendheid om zijn definitieve invrijheidstelling zou moeten kunnen verzoeken; hij kan dit doen ter gelegenheid van de periodieke beoordeling door de kamer voor de bescherming van de maatschappij van het beheer van de internering. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Geïnterneerde - Verzoek tot definitieve invrijheidstelling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.e - Bescherming van de maatschappij - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Geïnterneerde - Verzoek tot definitieve invrijheidstelling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Bescherming van de maatschappij - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Geïnterneerde - Verzoek tot definitieve invrijheidstelling - Wijze Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Bescherming van de maatschappij - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Geïnterneerde - Verzoek tot definitieve invrijheidstelling - Wijze Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0398.N M A, geïnterneerde, eiseres, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2200 Herentals, Lierseweg 102-104, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 12 april

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen in hun geheel
  2. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 5.4 en 13 EVRM: de bestreden beslissing tot onmiddellijke plaatsing van de eiseres als geesteszie-ke in de gevangenis van Brugge is niet langer rechtmatig omdat zij werd geïnter-neerd voor misdrijven die niet langer aanleiding kunnen zijn tot internering; het bestreden vonnis oordeelt dan ook ten onrechte dat de eiseres niet voldoet aan de voorwaarden om de vraag tot definitieve invrijheidstelling te kunnen stellen en dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij haar rechtsmacht om een definitieve invrijheidstelling te bevelen slechts put uit de Interneringswet; noch-tans vindt het verzoek van de eiseres zijn rechtsgrond in artikel 5.4 EVRM, dat een autonome en parallelle rechtsgrond is; het bestreden vonnis schendt dan ook de aangehaalde bepalingen door te oordelen dat de eiseres thans geen vraag kan stellen tot definitieve invrijheidstelling. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 5.1.e en 7 EVRM, arti-kel 149 Grondwet, artikel 2 Strafwetboek en de artikelen 9 en 82 Internerings-wet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de mildere strafwet niet moet worden toegepast ten aanzien van de eiseres; de artikelen 2 en 7 Strafwetboek zijn krachtens artikel 82 Interneringswet van toepassing in interneringszaken; de verdere opsluiting van de eiseres is niet langer rechtmatig omdat de feiten waar-voor zij werd geïnterneerd, niet meer tot internering kunnen leiden; er moet bo-vendien op basis van een objectieve medische expertise worden vastgesteld dat de eiseres wel degelijk nog geestesziek is en dat deze geestesziekte voldoende ernstig is om een vrijheidsberoving te rechtvaardigen; de bestreden beslissing moest dus nagaan of de eiseres nog steeds een gevaar vormt voor de maatschap-pij doordat er opnieuw feiten zouden kunnen worden gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten of bedreigen; door louter te oordelen dat de eiseres niet in vrijheid kan worden gesteld omdat geen reclasseringsplan voorligt, voldoet het bestreden vonnis niet aan de motiveringsplicht met betrek-king tot het door de eiseres gevoerde verweer steunend op de aangehaalde wets-bepalingen.
  3. Artikel 54, § 1, Interneringswet laat de kamer voor de bescherming van de maatschappij toe om bij hoogdringendheid een beslissing te nemen over een ver-zoek tot overplaatsing van de geïnterneerde en tot het toekennen van een uit-gaansvergunning, zoals bedoeld in artikel 20, § 2, 3°, verlof, beperkte detentie, elektronisch toezicht, invrijheidstelling op proef en vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering. Artikel 54, § 5 en § 6, Interneringswet bepaalt dat tegen deze beschikking verzet kan worden aangetekend, waarover de kamer voor de bescherming van de maat-schappij bij vonnis oordeelt.
  4. De kamer voor de bescherming van de maatschappij die uitspraak doet op grond van deze bepalingen kan de definitieve invrijheidstelling van de geïnter-neerde niet bevelen.
  5. Uit de artikelen 5.1.e, 5.4 en 13 EVRM volgt niet dat een geïnterneerde die voorhoudt dat zijn vrijheidsberoving onrechtmatig is, op grond van de door arti-kel 54 Interneringswet bepaalde procedure van hoogdringendheid om zijn defini-tieve invrijheidstelling zou moeten kunnen verzoeken. Hij kan dit doen ter gele-genheid van de periodieke beoordeling door de kamer voor de bescherming van de maatschappij van het beheer van de internering. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  6. In zoverre de middelen voor het overige de afwijzing van eisers verzoek tot definitieve invrijheidstelling bekritiseren, zijn ze gericht tegen overtollige rede-nen en bijgevolg niet ontvankelijk.
  7. Het vonnis oordeelt dat de eiseres niet langer aandringt op een vrijheidstel-ling op proef en dat de rechtbank niet beschikt over een door stukken gestaafd reclasseringsplan en eventuele tegenindicaties niet kunnen worden onderzocht. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moest de kamer voor de be-scherming van de maatschappij niet nader motiveren waarom de geïnterneerde ingevolge zijn geestestoestand opnieuw feiten kan plegen die de fysieke of psy-chische integriteit van derden aantasten of bedreigen. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet genomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Geert Jocqué, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 14 mei 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190514.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.