id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.3 Rolnummer: P.19.0045.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 922 - laatst gezien 2026-06-29 12:24 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 6.1 en 6.3.c EVRM volgt dat een verdachte die van zijn vrijheid is beroofd recht heeft op toegang tot een advocaat vanaf het ogenblik dat er sprake is van een vervolging wegens een strafbaar feit en dit recht houdt in dat vanaf het ogenblik van de vrijheidsberoving de verdachte contact kan hebben met een advocaat en er vertrouwelijke aanwijzingen kunnen worden gegeven, alsook dat de advocaat bij de verhoren tijdens het vooronderzoek fysiek mag aanwezig zijn, wat moet toelaten een effectieve en concrete bijstand te verlenen en erop toe te zien dat het recht van verdediging niet wordt miskend
(1).
(1)EHRM, Beuze t. België, 9 november 2018. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat - Draagwijdte Fiches 3 - 4 Het recht van toegang tot de advocaat kan een verdachte enkel worden ontzegd indien daartoe dwingende redenen zijn die noodzakelijk een tijdelijk karakter hebben en slechts kunnen worden aangenomen op grond van een specifieke beoordeling van de omstandigheden van de zaak, zoals de dringende noodzaak om een ernstige aantasting van het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit te voorkomen, maar een beperking van het recht van toegang op een wettelijke en dus algemene, verplichte en systematische basis vormt als dusdanig geen dwingende reden
(1).
(1)EHRM, Beuze t. België, 9 november 2018. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat - Beperking van het recht op toegang - Dwingende redenen - Wettelijke grondslag voor de beperking - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat - Beperking van het recht op toegang - Dwingende redenen - Wettelijke grondslag voor de beperking - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 6 Een beperking van het recht van toegang tot de advocaat op basis van een wettelijke grondslag leidt evenwel bij afwezigheid van dwingende redenen niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM en het staat aan de rechter te onderzoeken of in het licht van de omstandigheden van de zaak de beperking van het recht van toegang tot de raadsman de eerlijkheid van het proces in zijn geheel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast, waarbij onder meer rekening kan worden gehouden met de volgende elementen, voor zover die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaarheid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaarheid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik ervan, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over hun betrouwbaarheid en de juistheid in het licht van de omstandigheden waarin ze werden verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of verbeterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties
(1).
(1)EHRM, Beuze t. België, 9 november 2018. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat - Beperking van het recht op toegang - Wettelijke grondslag voor de beperking - Aantasting van het eerlijk proces - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Recht op een eerlijk proces - Recht op bijstand van een advocaat - Beperking van het recht op toegang - Wettelijke grondslag voor de beperking - Aantasting van het eerlijk proces - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Fiche 7 Uit de bepalingen van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek, de artikelen 195, tweede lid, eerste en tweede zin en 211, Wetboek van Strafvordering, volgt niet dat de strafrechter de weigering om een werkstraf uit te spreken met afzonderlijke redenen moet motiveren; die weigering kan in overeenstemming met artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek regelmatig met redenen worden omkleed door de opgave van de redenen om een andere straf of andere straffen op te leggen overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en dergelijke niet-autonome motivering impliceert niet dat de rechter de mogelijkheid van een werkstraf niet heeft overwogen of ontneemt niet aan artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek elke zin
(1).
(1)Cass. 23 juni 2015, AR P.14.0545.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150623.2, AC
- nr. 427 met andersluidende concl. van advocaat-generaal L. DECREUS; contra Cass. 24 september 2008, AR P.08.1234.F ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080924.1, AC 2008, nr. 504 met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.; Cass. 8 juni 2005, AR P.05.0349.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050608.4, AC 2003, nr. 327; Cass. 12 februari 2003, AR P.02.1530.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030212.26, AC 2003, nr. 102, JLMB 2003, 1310 en noot A. JACOBS, "La motivation du refus d'appliquer la peine de travail". Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Werkstraf Vrije woorden: Weigering - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0045.N I G M V, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie Gent, en mr. Na-thalie Buisseret, advocaat bij de balie Brussel, II W C R B, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Verbelen, advocaat bij de balie Antwerpen, de beide cassatieberoepen tegen Gerry BANKEN en Ivo BUDÉ, met kantoor te 3600 Genk, Grotestraat 122, in hun hoedanigheid van curator over de faillissementen van P-PROJECT bvba, met zetel te 9600 Ronse, Kasteelstraat 13, en van P G, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 19 december
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert geen middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest stelt vast dat de eiser I voor het feit van de telastlegging B.II en de eiser II voor het feit van de telastlegging C definitief zijn vrijgesproken met het beroepen vonnis van 25 april
- Het stelt ook vast dat in zoverre de eerste rechter zich onbevoegd verklaarde om kennis te nemen van de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders tegen de beide eisers dit vonnis definitief is. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middelen van de eiser I Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en houdende eerbiediging van het recht van verdediging: de appelrechters die vaststellen dat de eiser op 3 september 2015 werd verhoord als verdachte op een ogenblik dat hij zich in de gevangenis van Brugge bevond omdat hij aangehou-den was om andere redenen, hem kennis werd gegeven van het recht op vooraf-gaand overleg met zijn raadsman maar niet van het recht om zich bij dat verhoor te laten bijstaan door een advocaat en hij bij dat verhoor ook niet door een advo-caat werd bijgestaan en vervolgens oordelen dat er geen aanleiding is om die verklaring als onwettig bewijs uit het debat te weren of het debat te heropenen over de verdere bewijsuitsluiting, laten na te onderzoeken of de strafprocedure in zijn geheel eerlijk is verlopen en verantwoorden aldus hun beslissing niet naar recht; het recht op een eerlijk proces en het recht op bijstand van een advocaat zoals gewaarborgd door artikel 6.1 en 6.3.c EVRM vereisen dat een verdachte steeds toegang tot een advocaat wordt verleend bij zijn verhoor door de politie, in het bijzonder vanaf het ogenblik dat hij van zijn vrijheid is beroofd; die rech-ten die zowel het recht op een vertrouwelijk overleg met een advocaat vooraf-gaand aan het verhoor als het recht op bijstand van een advocaat tijdens het ver-hoor omvatten, houden in de regel en dus bij afwezigheid van dwingende rede-nen een verbod in voor de rechter om zijn oordeel over de schuld van een be-klaagde te steunen op door die beklaagde zonder toegang tot de advocaat afge-legde verklaringen, in het bijzonder wanneer die op dat ogenblik van zijn vrij-heid is beroofd; een systematische beperking van het bijstandsrecht tijdens het vooronderzoek, namelijk wegens een wettelijke grondslag, kan geen dwingende reden uitmaken; de afwezigheid van dwingende redenen heeft nochtans niet au-tomatisch tot gevolg dat het definitief onmogelijk is om de zaak van de beklaag-de op eerlijke wijze te behandelen; de rechter kan op grond van andere factoren oordelen dat het proces in zijn geheel eerlijk is verlopen; dit vereist een nauwge-zet onderzoek van de procedure in haar geheel waarbij de rechter enkel op basis van specifieke omstandigheden uitzonderlijk kan oordelen dat het eerlijk ka-rakter van het proces in zijn geheel bekeken niet onherstelbaar werd miskend; de wettelijke waarborgen waarin het Belgisch recht zoals van toepassing op het ogenblik van eisers verhoor in abstracto voorzag, kunnen als dusdanig niet ver-zekeren dat de procedure in zijn geheel eerlijk is verlopen; er moet immers wor-den onderzocht of de toepassing van deze wettelijke bepalingen in concreto een compenserend effect heeft gehad waardoor de procedure in zijn geheel eerlijk is verlopen; uit de redenen die het arrest (nr. 4.3.1.3) bevat, blijkt niet dat de appel-rechters dit nauwkeurig onderzoek hebben verricht.
- Uit artikel 6.1 en 6.3.c EVRM volgt dat een verdachte die van zijn vrijheid is beroofd recht heeft op toegang tot een advocaat vanaf het ogenblik dat er spra-ke is van een vervolging wegens een strafbaar feit. Dit recht van toegang tot de advocaat houdt in dat vanaf het ogenblik van de vrijheidsberoving de verdachte contact kan hebben met een advocaat en er vertrouwelijke aanwijzingen kunnen worden gegeven, alsook dat de advocaat bij de verhoren tijdens het vooronder-zoek fysiek mag aanwezig zijn, wat moet toelaten een effectieve en concrete bij-stand te verlenen en erop toe te zien dat het recht van verdediging niet wordt miskend.
- Dit recht van toegang tot de advocaat kan een verdachte enkel worden ont-zegd indien daartoe dwingende redenen zijn. Dat zal slechts uitzonderlijk het ge-val zijn. Die redenen hebben noodzakelijk een tijdelijk karakter en ze kunnen slechts worden aangenomen op grond van een specifieke beoordeling van de om-standigheden van de zaak, zoals de dringende noodzaak om een ernstige aantas-ting van het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit te voorkomen. Een beper-king van het recht van toegang op een wettelijke en dus algemene, verplichte en systematische basis vormt als dusdanig geen dwingende reden.
- Een beperking van het recht van toegang tot de advocaat op basis van een wettelijke grondslag leidt evenwel bij afwezigheid van dwingende redenen niet automatisch tot een schending van artikel 6 EVRM. Het staat aan de rechter te onderzoeken of in het licht van de omstandigheden van de zaak de beperking van het recht van toegang tot de raadsman de eerlijkheid van het proces in zijn ge-heel beschouwd al dan niet onherstelbaar heeft aangetast. Bij die beoordeling kan onder meer rekening worden gehouden met de volgende elementen, voor zo-ver die van toepassing zijn op de te beoordelen zaak: de bijzondere kwetsbaar-heid van de verdachte in het licht van bijvoorbeeld zijn leeftijd of geestelijke mogelijkheden, de wettelijke regeling van het vooronderzoek en de toelaatbaar-heid van de bewijzen, de mogelijkheid voor de betrokkene om de authenticiteit van het verzamelde bewijs te betwisten en zich te verzetten tegen het gebruik er-van, de kwaliteit van het bewijs en het al dan niet bestaan van twijfel over hun betrouwbaarheid en de juistheid in het licht van de omstandigheden waarin ze werden verkregen, de aard van de onwettigheid waarmee het bewijs desgevallend werd verkregen en de aard van een eventuele verdragsrechtelijke schending, de aard van verklaringen en het gegeven of ze dadelijk werden ingetrokken of ver-beterd, het gebruik van de bewijzen en in het bijzonder of die een overwegend of belangrijk deel van de bewijslast uitmaken waarop de veroordeling is gesteund, alsook het belang van de andere dossierelementen, het belang dat het onderzoek van het misdrijf en de bestraffing van de dader heeft voor de publieke opinie en het bestaan in het interne recht van andere procedurele garanties.
- Het arrest stelt vast dat de eiser op 3 september 2015 werd verhoord tijdens zijn verblijf in de gevangenis waar hij was opgesloten om andere redenen, hij kennis kreeg van zijn recht op voorafgaand overleg met een advocaat, maar niet van het recht op bijstand door een advocaat en hij bij dit verhoor ook niet werd bijgestaan door een advocaat. Het arrest oordeelt dat: - het verhoor van 3 september 2015 beantwoordde aan de voorwaarden van het op dat ogenblik toepasselijke wettelijke kader, maar niet aan de ingevolge de op 27 november 2016 in werking getreden wet van 21 november 2016 op-gelegde verplichting de verdachte mee te delen dat hij zich kan laten bijstaan door een advocaat tijdens het verhoor in zoverre de ten laste gelegde feiten een misdrijf betreffen waarvoor een vrijheidsstraf kan worden opgelegd; - anders dan door de eiser in conclusie wordt voorgehouden de positie van de eiser door zijn verblijf in de gevangenis op het ogenblik van de ondervraging niet bijzonder kwetsbaar was aangezien de vrijheidsberoving en de detentie volledig los stonden van het onderzoek, zodat er in dat opzicht geen druk op hem kon ontstaan om bekentenissen af te leggen; - de eiser onmiddellijk na afloop van zijn verklaring een afschrift van zijn ver-hoor heeft ontvangen en de gelegenheid had om zijn verklaring naderhand bij te sturen, wat hij niet deed; - uit niets blijkt en evenmin wordt aangevoerd dat de eiser ten gevolge van zijn detentie psychisch aangeslagen zou zijn geweest toen hij werd ondervraagd; - de cautieplicht volledig werd nageleefd en de eiser werd geïnformeerd dat hij het recht had niet te antwoorden op de hem gestelde vragen en dat zijn ver-klaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt; - de eiser de mogelijkheid had om zelf of bij monde van de door hem in de loop van de procedure geraadpleegde advocaten de nodige bemerkingen en preci-seringen te laten kennen met betrekking tot zijn verhoor; - met verwijzing naar de redengeving van de eerste rechter de schuld van de eiser zal worden beoordeeld aan de hand van het geheel van de vaststaande en objectieve elementen die het onderzoek opleverde zonder dat dit bewijs uitsluitend uit zijn verklaring wordt afgeleid. Uit die redengeving blijkt dat de appelrechters wel degelijk de impact hebben onderzocht van het gebrek aan toegang tot een raadsman op de vereiste van het eerlijk proces in zijn geheel beschouwd en dat de beslissing naar recht is verant-woord. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet eisers verzoek, zoals dit blijkt uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 10 oktober 2018, om een maatschappelijke enquête te bevelen.
- Met van het beroepen vonnis overgenomen redenen en met eigen redenen motiveren de appelrechters (arrest, p. 19) waarom de door de eerste rechter op-gelegde gevangenisstraf en geldboete passend zijn, waarom tegenover de eiser enkel een effectieve straf gepast is, waarom het bedrag van de opgelegde geld-boete aangepast is aan de ernst van de feiten, het beoogde voordeel en de persoon van de eiser en dat een ontzetting zich opdringt ter beveiliging van het eerlijke handelsverkeer waarbij de duur van het verbod aangepast is aan de ernst van de feiten en afdoende rekening houdt met de persoon van de eiser. Met het geheel van die redenen geef het arrest te kennen dat het bevelen van een maatschappe-lijke enquête niet nodig is voor de beslissing over de straftoemeting. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: de rechter motiveert niet de afwijzing van eisers verzoek om een werkstraf, zoals dit blijkt uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 26 sep-tember
- Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door de beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken die beslis-sing met redenen moet omkleden. Krachtens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvorde-ring vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe de vrije beoordeling geeft, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf. Die bepaling is overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing in hoger beroep. Uit deze bepalingen volgt niet dat de strafrechter de weigering om een werkstraf uit te spreken met afzonderlijke redenen moet motiveren. Die weigering kan in overeenstemming met artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek regel-matig met redenen worden omkleed door de opgave van de redenen om een an-dere straf of andere straffen op te leggen overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Een dergelijke niet-autonome motivering impli-ceert niet dat de rechter de mogelijkheid van een werkstraf niet heeft overwogen of ontneemt niet aan artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek elke zin. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met van het beroepen vonnis overgenomen redenen en met eigen redenen motiveren de appelrechters (arrest, p. 19) waarom de door de eerste rechter op-gelegde gevangenisstraf en geldboete passend zijn, waarom tegenover de eiser enkel een effectieve straf gepast is, alsook waarom het bedrag van de opgelegde geldboete aangepast is aan de ernst van de feiten, het beoogde voordeel en de persoon van de eiser. Aldus omkleden de appelrechters regelmatig met redenen de weigering aan de eiser een werkstraf op te leggen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 178,81 euro, waarvan de eiser I 91,05 euro verschuldigd is en de eiser II 87,76 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 mei 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220201.2N.8 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220316.2F.16 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220419.2N.11 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250114.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030212.26 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050608.4 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080924.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150623.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201209.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220201.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div