id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.4 Rolnummer: P.19.0046.N Zaak: S. contra W. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 624 - laatst gezien 2026-06-28 21:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 489bis, 4°, Strafwetboek, bestraft kooplieden die met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen verzuimd hebben binnen de maand aangifte te doen van het faillissement en diezelfde bepaling bestraft vanaf 1 mei 2018 ondernemingen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, 1°, Wetboek economisch recht die met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen verzuimd hebben binnen de maand aangifte te doen van het faillissement; het door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijf van laattijdige aangifte van het faillissement kan niet enkel worden gepleegd door zij die de hoedanigheid hebben van koopman en vanaf 1 mei 2018 ondernemer in de zin van de vermelde bepaling, maar ook door zij die deze hoedanigheid niet hebben maar aan dit misdrijf deelnemen op een bij de artikelen 66 en 67 Strafwetboek bepaalde wijze en met het vereiste deelnemingsopzet
(1).
(1)Cass. 9 januari 2018, AR P.17.0856.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.5, AC 2018, nr. 17, RW 2018-2019, 259-260 en noot (m.b.t. feitelijke bestuurders van een vennootschap). Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Vrije woorden: Artikel 489bis Strafwetboek - Laattijdige aangifte van de toestand van faillissement - Daders van het misdrijf - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - DEELNEMING Vrije woorden: Faillissement - Artikel 489bis Strafwetboek - Laattijdige aangifte van de toestand van faillissement - Daders van het misdrijf - Draagwijdte - Gevolg Annotaties Publicaties: Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2019, nr. 13, p. 1131-
- - VEREECKE, Vincent; Noot'Deelneming aan ontijdige aangifte van het faillissement' Tekst van de beslissing Nr. P.19.0046.N D J C S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Douwen, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen R W, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 19 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiser vrij voor de feiten van de telastleggingen A.1 en B.
- In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.3 EVRM en artikel 182 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de vervolgde feiten voldoende omschreven en bepaalbaar zijn en dat de strafvordering bijgevolg ontvankelijk is; elke duidelijkheid over de omvang van de cashontvangsten en de datum van de beweerde feiten ontbreekt; de verwijzingsbeschikking en de dagvaarding zijn verre van duidelijk; ook het strafdossier laat niet toe de feiten op voldoende wijze in tijd en ruimte te situeren.
- In zoverre het middel betrekking heeft op de beslissing betreffende de telastleggingen A.1 en B.1, waartegen eisers cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft het geen antwoord.
- De omstandigheid dat de precieze omvang van een verduistering niet is gekend en evenmin op welke precieze tijdstippen welke exacte sommen zijn afgewend, heeft niet tot gevolg dat een telastlegging die wel degelijk een afgebakende tijdsperiode, een plaatsbepaling en een beschrijving van de aard van de verduisterde zaken en hun herkomst vermeldt, onvoldoende precies zou zijn om te bepalen welke feiten bij de rechter aanhangig zijn en dat de partijen worden belet hun recht van verdediging uit te oefenen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest verwerpt de door de eiser aangevoerde duisterheid van de omschrijving van de feiten en de daaruit afgeleide onontvankelijkheid van de strafvordering met de redenen dat de telastleggingen weliswaar geen specifieke data en bedragen van de geviseerde verduisteringen vermelden omdat die niet precies meer kunnen worden achterhaald, maar dat wel ondubbelzinnig wordt aangegeven over welke cafés en over welke periodes het gaat, dit blijkt uit de verklaringen van D L en R W en de feiten bovendien worden toegelicht in een nota van 7 juni 2018 van de procureur-generaal en de eiser zich daarop kan verdedigen. Daarmee is de beslissing over de ontvankelijkheid van de strafvordering naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 489bis, 4°, Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastleggingen C.1 en C.2 terwijl de eiser de voor dit misdrijf van laattijdige aangifte van de toestand van faillissement vereiste hoedanigheid van handelaar niet had op het ogenblik van de feiten; de beide handelszaken stonden niet op naam van de eiser, maar wel op naam van D L en R W, de faillissementen werden ook niet lastens hem uitgesproken, hij is op geen enkel ogenblik betrokken in de faillissementsprocedure, D L en R W zijn verschoonbaar verklaard en zij zijn door de eerste rechter ook vrijgesproken.
- Artikel 489bis, 4°, Strafwetboek, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, bestraft kooplieden die met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen verzuimd hebben binnen de maand aangifte te doen van het faillissement. Diezelfde bepaling bestraft vanaf 1 mei 2018 ondernemingen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, 1°, Wetboek economisch recht die met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen verzuimd hebben binnen de maand aangifte te doen van het faillissement. Het door artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bedoelde misdrijf van laattijdige aangifte van het faillissement kan niet enkel worden gepleegd door zij die de hoedanigheid hebben van koopman en vanaf 1 mei 2018 ondernemer in de zin van de vermelde bepaling, maar ook door zij die deze hoedanigheid niet hebben maar aan dit misdrijf deelnemen op een bij de artikelen 66 en 67 Strafwetboek bepaalde wijze en met het vereiste deelnemingsopzet. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest stelt vast dat de toestand van faillissement laattijdig werd aangegeven. Het oordeelt dat uit het onderzoek is gebleken dat D L en R W bij de exploitatie van de handelszaken uitsluitend handelden op instructie van de eiser, die de feitelijk leidinggevende persoon was van de exploitatie, deze bij elk van de faillissementen de aangifte ervan uitstelde, terwijl hij de RSZ-vorderingen en fiscale schulden onbetaald liet en hij handelde met het opzet de faillietverklaringen uit te stellen, waardoor hij het passief verzwaarde en bijgevolg nadeel berokkende aan de schuldeisers. Met die redenen verantwoordt het arrest de schuldigverklaring van de eiser aan de telastleggingen C.1 en C.2 naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastleggingen A.2 en B.2 zonder zich te steunen op bijkomende objectieve omstandigheden en elementen uit het strafdossier; het oordeelt dat de dagontvangsten niet werden aangewend om de schulden van de eenmanszaak van W te betalen, terwijl de omvang van die ontvangsten niet is gekend, er geen enkel bewijs is dat de eiser de dagontvangsten zou hebben geïnd en verduistering of verberging in deze periode door de appelrechters niet wordt aangetoond.
- Uit het enkele feit dat de rechter met opgave van redenen een beklaagde schuldig verklaart aan de telastleggingen kan geen schending van artikel 6.2 EVRM of artikel 149 Grondwet worden afgeleid. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waartoe het Hof niet bevoegd is en komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het in de appelconclusie van de eiser ontwikkelde verweer over de bestemming die aan de dagontvangsten werd gegeven.
- In zoverre het middel betrekking heeft op de beslissing betreffende de telastleggingen A.1 en B.1, waartegen eisers cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft het geen antwoord.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een verweer is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk verweer vormt.
- Met eigen en met van het beroepen vonnis overgenomen redenen beantwoordt het arrest (p. 9-10, punten b) en c)) het door het middel bedoelde verweer zonder dat het dient te antwoorden op argumenten die slechts tot staving van dit verweer werden aangevoerd, maar geen afzonderlijk verweer vormden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters beperken zich tot een vage algemene omschrijving van de strafmaat, terwijl deze bepalingen een individuele motivering rekening houdend met de concrete elementen van de zaak vereisen.
- Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter geen verplichting de straf en de maat ervan individueel te motiveren rekening houdend met de concrete elementen van de zaak. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering dat ingevolge artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, verplicht de rechter de keuze voor een straf of maatregel en de maat ervan nauwkeurig maar beknopt te motiveren voor zover de wet die keuze aan zijn vrije beoordeling overlaat. Met eigen en met van het beroepen vonnis overgenomen redenen vermeldt het arrest (p. 10-11, punten b) tot en met d)) de keuze voor de uitgesproken straffen en maatregel en hun maat en omkleedt het de beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 mei 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180109.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div