id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.5 Rolnummer: P.19.0104.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 1026 - laatst gezien 2026-06-29 11:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 5 Geen enkele wets- of verdragsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat informatie louter in aanmerking wordt genomen als inlichting die toelaat het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen, voor zover niet aannemelijk wordt gemaakt dat zulks op onregelmatige wijze is geschied; wanneer een partij aanvoert dat dergelijke inlichtingen op onregelmatige wijze zijn verkregen, dient zij dit aannemelijk te maken op een wijze die het niveau van een loutere bewering overstijgt en de rechter oordeelt onaantastbaar of die partij haar aanvoering geloofwaardig maakt
(1).
(1)Cass. 1 december 2015, AR P.15.0905.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.4, AC 2015, nr.716; Cass. 2 december 2014, AR P.13.0545.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.3, AC 2014, nr. 743; Cass. 25 november 2014, AR P.14.0948.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141125.4, AC 2014, nr. 724; Cass. 10 september 2013, AR P.13.0376.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.2, AC 2013, nr. 434; Cass. 30 maart 2010, AR P.09.1789.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.9, AC 2010, nr. 231; F. SCHUERMANS, "De zoektocht naar of de jacht op de herkomst van de politionele informatie als start van een strafrechtelijk vooronderzoek", T.Strafr. 2014/1,
(47)48-50. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Bewijsvoering - Informatie afkomstig van de Duitse fiscus - Aanvoering van onrechtmatige informatieverkrijging - Aanvoeringsverplichting - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op privacy - Bewijsvoering - Informatie afkomstig van de Duitse fiscus - Aanvoering van onrechtmatige informatieverkrijging - Aanvoeringsverplichting - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Informatie afkomstig van de Duitse fiscus - Aanvoering van onrechtmatige informatieverkrijging - Aanvoeringsverplichting - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Wet 9 december 2004 - Bewijsvoering - Informatie afkomstig van de Duitse fiscus - Aanvoering van onrechtmatige informatieverkrijging - Aanvoeringsverplichting - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Bewijsvoering - Informatie afkomstig van de Duitse fiscus - Aanvoering van onrechtmatige informatieverkrijging - Aanvoeringsverplichting - Draagwijdte - Gevolg Fiches 6 - 7 De vestiging en invordering van een belasting maakt het voorwerp uit van een administratieve procedure in het kader waarvan de belastingadministratie de betaling van wettelijk verschuldigde belastingen nastreeft; dit is geen strafprocedure en een belasting is evenmin een straf zodat het non bis in idem-beginsel daarop niet van toepassing is
(1).
(1)Zie J. ROZIE, " Bijzondere verbeurdverklaring in fiscale zaken", in M. MAUS en M. ROZIE (eds.), Actuele problemen van het fiscaal strafrecht, 2011, Intersentia, pp.638-645. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende Aanvullend Protocol - Artikel 4 - Non bis in idem-beginsel - Belastingheffing - Aard van de maatregel - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Strafzaken - Non bis in idem-beginsel - Belastingheffing - Aard van de maatregel - Draagwijdte - Gevolg Fiche 8 De verhoging van het globale vermogen van een persoon, die voortkomt uit het misdrijf waardoor hij zijn fiscale uitgaven bedrieglijk vermindert, is een vermogensvoordeel bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek en de rechter kan de verbeurdverklaring ervan uitspreken als straf voor het bewezen verklaarde misdrijf dat die vermogensvoordelen heeft voortgebracht, ongeacht het voordeel dat de beklaagde uit dat misdrijf heeft gehaald of de bestemming die hij later aan de vermogensvoordelen heeft gegeven; het gegeven dat een uitgavenbesparing ingevolge een misdrijf van belastingontduiking nadien het voorwerp uitmaakt van een belastingaanslag, ontneemt aan die besparing niet het karakter van een uit dat misdrijf verkregen vermogensvoordeel en belet de strafrechter derhalve niet het bedrag van die besparing verbeurd te verklaren op grond van de artikelen 42, 3° of 43bis, tweede lid, Strafwetboek
(1).
(1)Cass. 12 november 2013, AR P.12.1744.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.4, AC 2013, nr. 597; Cass. 8 november 2005, AR P.05.0996.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.19, AC 2005, nr. 575; Cass. 22 oktober 2003, AR P.03.0084.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031022.7 met concl. van advocaat-generaal J.SPREUTELS op datum in Pas. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogensvoordelen - Vermogensvoordeel voortspruitende uit een belastingontduiking - Cumul van de verbeurdverklaring en de belastingheffing - Draagwijdte - Gevolg Fiche 9 Het misdrijf valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 450 WIB92 bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met het in die bepaling vereiste opzet, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan; een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten; een geschrift van een bankinstelling waarin is vermeld dat een belastingplichtige geen rekening bij die instelling heeft en dat wordt voorgelegd aan de belastingadministratie, voor wie het in de regel onmogelijk is om dat geschrift onmiddellijk op zijn echtheid te controleren, strekt in zekere mate tot bewijs van wat erin wordt vermeld of vastgesteld en de omstandigheid dat het openbaar ministerie of de belastingadministratie nadien bij controle heeft kunnen vaststellen dat het voorgelegde document vals is, belet de rechter niet te oordelen dat het een strafrechtelijk beschermd geschrift is
(1).
(1)Cass. 25 november 2014, AR P.12.2039.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141125.2, AC 2014, nr. 722 (ivm. Buitenlands rijbewijs). Thesaurus CAS: VALSHEID EN GEBRUIK VAN VALSE STUKKEN Vrije woorden: Fiscale valsheid - Artikel 450, WIB92 - Door de wet beschermd geschrift - Begrip - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0104.N
- B D G W, beklaagde,
- J P G P V, beklaagde, eisers, met als raadslieden mr. Vincent De Donder, advocaat bij de balie Dendermonde, en mr. Hans Van Dooren, advocaat bij de balies Dendermonde en Limburg, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de direc-teur van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, administra-tief centrum "Ter Plaeten", Sint-Lievenslaan 27, burgerlijke partij, verweerder, met als raadsman mr. Philip Pels, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Twaalfkameren 17, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 16 januari
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser 2
- Het arrest spreekt de eiser 2 gedeeltelijk vrij van de telastlegging B. In zoverre ook tegen deze beslissing gericht, is het cassatieberoep van die eiser bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 149 Grondwet, artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 13 van de wet van 9 december 2004 betreffende de internationale politiële ver-strekking van gegevens van persoonlijke aard en informatie met gerechtelijke fi-naliteit, de wederzijdse internationale rechtshulp in strafzaken en tot wijziging van artikel 90ter van het Wetboek van Strafvordering (hierna Wet Rechtshulp), alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdedi-ging. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest niet antwoordt op het verweer van de eisers dat het in artikel 13 Wet Rechtshulp vervatte verbod om in het kader van een in België gevoerde strafrechtspleging gebruik te maken van een in het bui-tenland onregelmatig verzameld bewijs, vereist dat de rechter het bewijs van buitenlandse origine en de overmaking ervan op zijn regelmatigheid controleert, wat veronderstelt dat dit bewijs hier wordt getoetst aan het Duitse strafproces-recht.
- Het arrest oordeelt, eensdeels, dat de Duitse fiscus aan de BBI enkel rudi-mentaire bancaire en financiële gegevens heeft overgemaakt, die in wezen louter inlichtingen betreffen en als dusdanig geen bewijs zijn van enig welk misdrijf. Het oordeelt, anderdeels, dat de eisers niet aannemelijk maken dat die inlichtin-gen initieel onrechtmatig werden verkregen of nadien onregelmatig werden overgemaakt. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers, zonder dat het voor het overige dient te antwoorden op hun doelloze verweer dat ervan uit-gaat dat de overgemaakte gegevens bewijs uitmaken. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte het verweer van de ei-sers verwerpt dat de door de BBI van de Duitse fiscus ontvangen informatie moet worden geweerd omdat op grond van de beschikbare gegevens niet is uit te ma-ken of die informatie regelmatig is vergaard; de rechter moet nagaan of het recht op een eerlijk proces in zijn geheel wordt geschaad door onregelmatig verkregen inlichtingen; de betrokken inlichtingen, waarover de eisers nooit enig verweer hebben kunnen voeren, zijn als grondslag gebruikt voor het verkrijgen van de vi-sitatiemachtiging en vervolgens om het rechtshulpverzoek erop te steunen, zodat het recht op een eerlijk proces van de eisers is miskend; bovendien kan krachtens de artikelen 6 en 8 EVRM in de strafprocedure geen gebruik worden gemaakt van informatie die is verkregen met miskenning van de privacy; evenmin kan de administratie gebruik maken van inlichtingen die zijn verkregen door middelen die de wet niet toelaat.
- Geen enkele wets- of verdragsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat informatie louter in aanmerking wordt genomen als in-lichting die toelaat het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en ver-volgens op autonome wijze bewijzen te verzamelen, voor zover niet aannemelijk wordt gemaakt dat zulks op onregelmatige wijze is geschied.
- Wanneer een partij aanvoert dat dergelijke inlichtingen op onregelmatige wijze zijn verkregen, dient zij dit aannemelijk te maken op een wijze die het ni-veau van een loutere bewering overstijgt. De rechter oordeelt onaantastbaar of die partij haar aanvoering geloofwaardig maakt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat het verweer van de eisers over de onregelmatigheid van de verkregen inlichtingen speculatief is en meer bepaald dat "[de eisers] in casu geenszins aannemelijk maken, op een wijze die het niveau van een loutere bewering overstijgt, dat de kwestieuze inlichtingen initieel onrechtmatig werden verkregen en/of nadien onregelmatig werden overgemaakt. Het is weliswaar cor-rect dat er slechts schaarse achtergrondinformatie beschikbaar is maar uit de briefwisseling met de BBI blijkt in ieder geval dat de informatie-uitwisseling ge-beurde via de officiële instantie van de Duitse belastingadministratie (met expli-ciete verwijzing naar de richtlijn 77/799/E.E.G. van 19 december 1977 en artikel 26 van het Belgisch-Duits dubbelbelastingverdrag van 11 april 1967). De onre-gelmatige overmaking door de Duitse fiscale overheid aan de Belgische fiscale overheid - of nog via het geëigende kanaal - is alsdan geenszins plausibel ge-maakt en er is ook niet de minste indicatie dat de Duitse overheid die inlichtin-gen voorafgaandelijk zelf onrechtmatig heeft verworven." Het arrest dat aldus op grond van gegevens van het strafdossier het verweer van de eisers over de onre-gelmatigheid van de inlichtingen verwerpt, verantwoordt de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de onjuiste aanvoering dat de inlichtingen onregelmatig zijn en is het niet ontvankelijk). Derde onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters, die vaststellen dat de vervol-gende partij geen elementen voorbrengt die het hen mogelijk maken na te gaan of de informatie op wettige wijze werd verkregen, aan de eisers de verplichting opleggen het tegendeel te bewijzen en hen bijgevolg de bewijslast opleggen.
- Het arrest bevat de bedoelde vaststelling niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de beklaagde die aan-voert dat inlichtingen op een onregelmatige wijze zijn verkregen, dit aanneme-lijk moet maken. De appelrechters die oordelen zoals vermeld in dat onderdeel, dragen aan de eiser geen bewijslast op met betrekking tot de onregelmatigheid van de inlichtingen, maar verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 4 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.7 IVBPR en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het non bis in idem-beginsel: het arrest oordeelt dat een cumul van belastinghef-fing en verbeurdverklaring het non bis in idem-beginsel niet miskent; wanneer het misdrijf erin bestaat dat bepaalde inkomsten uit een legale activiteit niet worden aangegeven, kan de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen niet worden toegepast vermits het vermogensvoordeel dat overeenstemt met het be-drag van de ontdoken heffing voortvloeit uit het misdrijf van niet-aangifte en dit wordt rechtgezet zodra de fiscus na ontdekking van de feiten overgaat tot vesti-ging en invordering van de belasting; de redenen van het arrest vormen geen antwoord op dit verweer.
- De verhoging van het globale vermogen van een persoon, die voortkomt uit het misdrijf waardoor hij zijn fiscale uitgaven bedrieglijk vermindert, is een vermogensvoordeel bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek.
- De vestiging en invordering van een belasting maakt het voorwerp uit van een administratieve procedure in het kader waarvan de belastingadministratie de betaling van wettelijk verschuldigde belastingen nastreeft. Dit is geen strafpro-cedure. Een belasting is evenmin een straf. Bijgevolg is het non bis in idem-beginsel daarop niet van toepassing.
- De rechter kan de verbeurdverklaring van vermogensvoordelen uitspreken als straf voor het bewezen verklaarde misdrijf dat die vermogensvoordelen heeft voortgebracht, ongeacht het voordeel dat de beklaagde uit dat misdrijf heeft ge-haald of de bestemming die hij later aan de vermogensvoordelen heeft gegeven.
- Het gegeven dat een uitgavenbesparing ingevolge een misdrijf van belas-tingontduiking nadien het voorwerp uitmaakt van een belastingaanslag, ontneemt aan die besparing niet het karakter van een uit dat misdrijf verkregen vermo-gensvoordeel en belet de strafrechter derhalve niet het bedrag van die besparing verbeurd te verklaren op grond van de artikelen 42, 3° of 43bis, tweede lid, Strafwetboek.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat: - de huidige strafprocedure de fiscale invorderingsprocedure voorafging; - de eisers de fiscale schuld vervat in de akkoordverklaringen op heden nog niet hebben vereffend; - er in de taxaties geen gewag wordt gemaakt van belastingverhogingen of geldboetes omdat rekening is gehouden met de impact van de strafzaak, zodat dubbele bestraffing geenszins aan de orde is; - zelfs in geval van belastingverhoging, die hier niet is toegepast, de fiscaal-administratieve procedure een andere finaliteit heeft dan de strafprocedure en de beide procedures naast elkaar kunnen bestaan zonder dat het non bis in idem-beginsel per definitie wordt miskend; - het hof van beroep het noodzakelijk acht de verbeurdverklaring, ook al is zij facultatief, op te leggen omdat het maatschappelijk totaal onaanvaardbaar zou zijn de eisers in het bezit te laten van de wederrechtelijk gerealiseerde ver-mogensvoordelen. Aldus beantwoordt het arrest het verweer van de eisers en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 450, eerste lid, WIB92: het arrest veroordeelt de eiser 2 wegens het misdrijf fiscale valsheid in geschrifte, voorwerp van de telastlegging A, omdat hij een attest op naam van HSBC-bank heeft opgesteld en aan de fiscus heeft meegedeeld, waarin de bank beweert dat de eiser 2 geen titularis is van twee re-keningen; dit betreft echter geen geschrift dat zich opdringt aan het openbaar vertrouwen, maar wel een gegeven dat kon en moest worden gecontroleerd door de verweerder en het openbaar ministerie; dat laatste had alle mogelijkheden om via het verstuurde rechtshulpverzoek dit geschrift op zijn waarachtigheid te con-troleren.
- Het misdrijf valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 450 WIB92 be-staat erin in een door de wet beschermd geschrift, met het in die bepaling vereis-te opzet, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.
- Een door de wet beschermd geschrift is een geschrift dat in zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorge-legd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan ge-loof te hechten.
- Een geschrift van een bankinstelling waarin is vermeld dat een belasting-plichtige geen rekening bij die instelling heeft en dat wordt voorgelegd aan de belastingadministratie, voor wie het in de regel onmogelijk is om dat geschrift onmiddellijk op zijn echtheid te controleren, strekt in zekere mate tot bewijs van wat erin wordt vermeld of vastgesteld. De omstandigheid dat het openbaar ministerie of de belastingadministratie na-dien bij controle heeft kunnen vaststellen dat het voorgelegde document vals is, belet de rechter niet te oordelen dat het een strafrechtelijk beschermd geschrift is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Het arrest oordeelt: "Deze door [de eiser 2] vervalste brief werd daarenbo-ven gebruikt door hem formeel aan de fiscus over te maken met de betrachting in fiscale zaken gevolgen te ressorteren, zich zodoende opdringend aan het open-baar vertrouwen. Het controlecriterium waarop hij zich beroept, kan in casu geen toepassing vinden. Het betreft immers een stuk uitgaande van een derde, meer bepaald een financiële instelling met zetel in Luxemburg, waarvan de con-trole door de fiscus in het kader van het gangbare rechtsverkeer - indien al haalbaar - feitelijk niet kon verwacht worden. De systematische controle zonder uitzondering van ieder extern particulier stuk (hier onder de vorm van formele attestering door een bankinstelling) dat door een belastingplichtige wordt voor-gelegd, is immers onmogelijk zodat de fiscus genoodzaakt was het geschrift te vertrouwen". Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 222,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 mei 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201216.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210915.2F.11 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211019.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220225.1F.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031022.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20051108.19 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100330.9 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130910.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131112.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141125.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141125.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141202.3 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151201.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div