← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.7 Rolnummer: P.19.0428.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 320 - laatst gezien 2026-06-28 06:22 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit de samenhang tussen de bepalingen van artikel 23/1, § 1, 1°, 23/1, §3, tweede lid en 23/1, §3, derde lid, Wetboek Belgische Nationaliteit, volgt dat de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit niet kan leiden tot het verlies van die nationaliteit met terugwerkende kracht, zodat ze de betrokkene niet terugplaatst in de administratieve toestand voorafgaand aan het verkrijgen van de Belgische nationaliteit; uit artikel 7, eerste lid, 1° en 3°, Vreemdelingenwet, gelezen in samenhang met artikel 23/1 Wetboek Belgische Nationaliteit, volgt dan ook dat de artikelen 21 en 22 Vreemdelingenwet niet toepasselijk zijn op de vrijheidsberovende maatregel die is genomen tegen een vreemdeling die vervallen is verklaard van de Belgische nationaliteit. Thesaurus CAS: NATIONALITEIT Vrije woorden: Vervallenverklaring - Veroordeling wegens een misdrijf bepaald in artikel 23/1, § 1, 1°, Wetboek Belgische Nationaliteit - Draagwijdte - Gevolg Fiche 2 Uit de samenhang tussen de bepalingen van artikel 23/1, §1, 1°, 23/1, §3, tweede lid en 23/1, §3, derde lid, Wetboek Belgische Nationaliteit, volgt dat de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit niet kan leiden tot het verlies van die nationaliteit met terugwerkende kracht, zodat ze de betrokkene niet terugplaatst in de administratieve toestand voorafgaand aan het verkrijgen van de Belgische nationaliteit; uit artikel 7, eerste lid, 1° en 3°, Vreemdelingenwet, gelezen in samenhang met artikel 23/1 Wetboek Belgische Nationaliteit, volgt dan ook dat de artikelen 21 en 22 Vreemdelingenwet niet toepasselijk zijn op de vrijheidsberovende maatregel die is genomen tegen een vreemdeling die vervallen is verklaard van de Belgische nationaliteit. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Vreemdelingenwet - Artikelen 7, 21 en 22 - Terugwijzingen en uitzettingen - Vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit - Veroordeling wegens een misdrijf bepaald in artikel 23/1, § 1, 1°, Wetboek Belgische Nationaliteit - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0428.N M E A, vreemdelinge, vastgehouden, eiseres, met als raadslieden mr. Nicolas Cohen en mr. Oriane Todts, advocaten bij de ba-lie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Kolenmarktstraat 83, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris voor Migra-tie- en Asielbeleid, waarvoor optreedt de dienst Vreemdelingenzaken, met kan-toor te 1000 Brussel, Antwerpsesteenweg 59b, ambtshalve tussengekomen partij, verweerder, met als raadsman mr. Thomas Schreurs, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 april

  1. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 7, 21, 22 en 74/13 Vreemdelingenwet en artikel 23 Wetboek Belgische Nationali-teit: het arrest verwerpt in strijd met artikel 7 Vreemdelingenwet en artikel 23 Wetboek Belgische Nationaliteit het verweer van de eiseres dat de vervallenver-klaring van haar Belgische nationaliteit niet belet dat zij zich kan beroepen op het onbeperkte verblijfsrecht waarover zij ingevolge haar Marokkaanse nationa-liteit steeds heeft beschikt, zodat zij zich niet illegaal op het Belgisch grondge-bied bevindt en dus niet het voorwerp kan uitmaken van een bevel dat grondge-bied te verlaten zolang haar verblijfsrecht niet is ingetrokken of beëindigd op grond van artikel 21 of 22 Vreemdelingenwet; het arrest oordeelt namelijk dat de eiseres vanaf het verkrijgen van de Belgische nationaliteit geen vreemdelinge met een duurzaam verblijfsrecht meer was aangezien de hoedanigheden van Belg en vreemdeling met verblijfsrecht niet samen kunnen bestaan, terwijl de verval-lenverklaring van de Belgische nationaliteit geen terugwerkende kracht heeft; er bestaat echter geen rechtsgrond op basis waarvan het verkrijgen of het verval van de Belgische nationaliteit gevolg heeft voor het recht op verblijf; het arrest ver-meldt ook geen dergelijke rechtsgrond en is bijgevolg niet naar recht gemoti-veerd.
  3. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over het beroep tegen een beslissing van administratieve vrij-heidsberoving van een vreemdeling. In zoverre het middel schending van die grondwetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres van de Belgische nationaliteit werd vervallen verklaard op grond van artikel 23/1, § 1, 1°, Wetboek Belgische Nationaliteit, zoals van toepassing, met name omdat ze wegens één van de misdrijven vermeld in die bepaling tot de erin ver-melde straf werd veroordeeld.
  5. Artikel 23/1, § 3, tweede lid, van dezelfde wet, zoals van toepassing, be-paalt dat van het vonnis of arrest van vervallenverklaring melding wordt ge-maakt op de kant van de akte van overschrijving van de inwilliging van de natio-naliteitskeuze of van de verklaring waarbij de belanghebbende de Belgische na-tionaliteit heeft verkregen of van de naturalisatie van de verweerder of van de in België opgemaakte of overgeschreven akte van geboorte indien op deze akte een kantmelding van verwerving van de Belgische nationaliteit is aangebracht. Artikel 23/1, § 3, derde lid, van die wet, zoals van toepassing, bepaalt dat de ver-vallenverklaring gevolg heeft vanaf de overschrijving. Uit de samenhang tussen die bepalingen volgt dat de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit niet kan leiden tot het verlies van die nationaliteit met te-rugwerkende kracht, zodat ze de betrokkene niet terugplaatst in de administra-tieve toestand voorafgaand aan het verkrijgen van de Belgische nationaliteit.
  6. Uit artikel 7, eerste lid, 1° en 3°, Vreemdelingenwet, gelezen in samenhang met artikel 23/1 Wetboek Belgische Nationaliteit, volgt dan ook dat de artikelen 21 en 22 Vreemdelingenwet niet toepasselijk zijn op de vrijheidsberovende maatregel die is genomen tegen een vreemdeling die vervallen is verklaard van de Belgische nationaliteit. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
  7. Het arrest oordeelt: - door het verkrijgen van de Belgische nationaliteit verbleef de eiseres in het Rijk niet meer onder het statuut van een vreemdeling aan wie een onbeperkt verblijfsrecht werd verleend, maar als Belg die in het land mag verblijven zonder onderworpen te zijn aan een bepaalde machtiging; - eens de eiseres de Belgische nationaliteit had verkregen was de machtiging tot onbeperkt verblijfsrecht vervallen omdat zij vanaf dat ogenblik geen vreemdelinge meer was in de zin van artikel 1, 1°, Vreemdelingenwet en de Vreemdelingenwet bijgevolg niet meer op haar van toepassing was; - er is geen co-existentie mogelijk tussen het statuut van duurzaam verblijfs-recht toegekend aan een vreemdeling en het statuut van de Belgische nationa-liteit; - er diende na de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit geen be-slissing tot beëindiging van het verblijfsrecht genomen te worden, nu dat on-beperkt verblijfsrecht vervallen was door het verkrijgen van de Belgische na-tionaliteit; - door het verlies van de Belgische nationaliteit is de eiseres geen Belg meer. Zij voldoet aan de definitie van een vreemdeling in de zin van artikel 1, 1°, Vreemdelingenwet die een vreemdeling omschrijft als "al wie het bewijs niet levert dat hij de Belgische nationaliteit bezit", zodat de Vreemdelingenwet op haar van toepassing is; - vermits haar onbeperkt verblijfsrecht vervallen is bij het verkrijgen van de Belgische nationaliteit zijn de artikelen 21 en 22 Vreemdelingenwet die be-trekking hebben op de intrekking of beëindiging van een verblijfsrecht, niet van toepassing op de huidige procedure; - de vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit heeft geen terugwerken-de kracht zodat de eiseres niet moet geplaatst worden in de situatie vooraf-gaand aan het verkrijgen van de Belgische nationaliteit; - de eiseres bevindt zich bijgevolg onwettig op het grondgebied. Zij is noch gemachtigd, noch toegelaten tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, zoals bepaald in artikel 7 Vreemdelingenwet. Aldus vermeldt het arrest de rechtsgrond van de beslissing en is deze laatste re-gelmatig gemotiveerd en naar recht verantwoord, zonder dat het arrest uitdruk-kelijk de toepasselijke wetsbepaling dient te vermelden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van de artikelen 3, 5 en 13 EVRM en de artikelen 1317, 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest onder-zoekt niet op nauwgezette wijze het risico op schending van artikel 3 EVRM in geval van de uitwijzing van de eiseres naar Marokko, zoals dat blijkt uit de door de eiseres aangehaalde rechtspraak en rapporten; anders dan het arrest oordeelt, moet de kamer van inbeschuldigingstelling ook rekening houden met elementen die dateren van na de bestreden beslissing tot vrijheidsbeneming; het arrest oor-deelt ten onrechte dat de communicatie van het Comité voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 12 maart 2019 geen aanwijzing inhoudt van schending van artikel 3 EVRM en miskent daardoor de draagwijdte van die communicatie.
  9. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waarom het arrest artikel 5 EVRM schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  10. Het staat aan de bevoegde overheid die een door de Vreemdelingenwet be-doelde maatregel van vrijheidsberoving neemt ter waarborging van de uitvoering van een bevel om het grondgebied te verlaten, te onderzoeken of er een risico be-staat dat de tenuitvoerlegging ervan aanleiding kan geven tot een schending van artikel 3 EVRM. Zij dient dit risico in de regel slechts te beoordelen indien de vreemdeling aanvoert dat hij na zijn verwijdering het voorwerp zal uitmaken van foltering of van een onmenselijke of vernederende behandeling en het staat in de regel aan de vreemdeling die het bestaan van dit risico inroept om zijn bewering op dit punt enigszins aannemelijk te maken met feitelijke gegevens.
  11. Het arrest oordeelt: - de eiseres brengt geen concreet en geloofwaardig element naar voren waaruit een mogelijke schending van artikel 3 EVRM zou kunnen worden afgeleid in geval van repatriëring naar Marokko; - er zijn geen zwaarwichtige en ernstige elementen die erop wijzen dat de Ma-rokkaanse autoriteiten de eiseres als een terroriste zullen beschouwen en haar zullen blootstellen aan foltering of onmenselijke of vernederende behande-ling; - in de bestreden beslissing werd de afwezigheid van een schending van artikel 3 EVRM uitgebreid onderzocht en gemotiveerd, rekening houdend met de al-gemene situatie in Marokko en de persoonlijke situatie van de eiseres; - de eiseres verwijst naar haar klachtenprocedure die zij op 26 februari 2019 aanvatte bij het Comité voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Na-ties en naar het verzoek van dat Comité gericht aan de Belgische autoriteiten om haar voorlopig niet te verwijderen en haar de mogelijkheid te geven bij-komende informatie te verschaffen over het onherstelbaar nadeel en de speci-fieke en persoonlijke risico's in geval van terugkeer naar Marokko; - de vraag van dat comité geen aanwijzing vormt dat de verwijdering van de ei-seres naar Marokko een schending van artikel 3 EVRM inhoudt, zoals zij be-weert, maar er haar integendeel precies wordt gevraagd meer informatie te verstrekken om haar beweringen in verband met het risico op foltering of on-menselijke behandeling voor haar persoonlijk te staven.
  12. Met die redenen geeft het arrest van de bedoelde communicatie van het Comité voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  13. Op grond van die redenen verantwoordt het arrest de beslissing dat een schending van artikel 3 EVRM niet afdoende is aangetoond, naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  14. In zoverre het middel de beslissing van het arrest bekritiseert dat de be-doelde communicatie dateert van na de bestreden beslissing tot vrijheidsbene-ming en derhalve de wettigheid ervan niet kan aantasten, komt het op tegen een overtollige reden die de beslissing niet schraagt en die de bovenvermelde zelf-standige redenen die de beslissing dragen, onverlet laat. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  15. Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het evenmin ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 21 mei 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190521.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.