← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.5 Rolnummer: F.17.0158.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht - Belastingrecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 935 - laatst gezien 2026-06-29 08:13 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190524.5 Fiches 1 - 3 De beoordeling van de vergelijkbaarheid tussen categorieën van personen veronderstelt de beoordeling van de wet of het reglement waarin de onderscheiden behandeling wordt geconcretiseerd en inzonderheid het door de wet- of regelgever nagestreefde doel aan de hand waarvan de rechter de pertinentie van het vergelijkingspunt moet nagegaan; indien de verschillende categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, kan het verschil in behandeling niet verder worden getoetst aan het gelijkheidsbeginsel

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Gemeentebelastingen - Vergelijkbaarheid van categorieën van personen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Gemeentebelastingen - Vergelijkbaarheid van categorieën van personen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GEMEENTE-, PROVINCIE- EN PLAATSELIJKE BELASTINGEN - GEMEENTEBELASTINGEN Vrije woorden: Gelijkheidsbeginsel - Vergelijkbaarheid van categorieën van personen - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10 en 11 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. F.17.0158.N RESIDENTIE APARTHOTEL WELLINGTON cvba met zetel te 1000 Brus-sel, Vleurgatsesteenweg 154, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest, tegen STAD BRUSSEL, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met kantoor te 1000 Brussel, Grote Markt 1, verweerster, met als raadsman mr. Martin Jaspar, advocaat bij de balie te Brussel, met kan-toor te 1180 Brussel, Molièrelaan 256, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 28 juni 2017. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 23 april 2019 een schriftelij-ke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. De door artikel 170, § 4, Grondwet gewaarborgde fiscale autonomie van de gemeenten houdt in dat de gemeenten, behalve voor de wettelijk vastgestelde uitzonderingen, en binnen de perken van de wet, vrij bepalen welke materie zij aan belastingen onderwerpen. 2. De grondwettelijke regels inzake de gelijkheid van de Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen staan niet eraan in de weg dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording be-staat. De al dan niet aanwezigheid van zodanige verantwoording moet worden getoetst aan het doel en de gevolgen van de ingestelde belasting en aan de rede-lijkheid van de verhouding tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. 3. Om de bestaanbaarheid van een norm met de artikelen 10 en 11 Grondwet te beoordelen, moet eerst worden onderzocht of de categorieën van personen ten aanzien van wie een ongelijkheid wordt aangevoerd, in voldoende mate verge-lijkbaar zijn. De beoordeling van de vergelijkbaarheid tussen categorieën van personen veron-derstelt de beoordeling van de wet of het reglement waarin de onderscheiden be-handeling wordt geconcretiseerd en inzonderheid het door de wet- of regelgever nagestreefde doel aan de hand waarvan de rechter de pertinentie van het verge-lijkingspunt moet nagegaan. Indien de verschillende categorieën van personen niet voldoende vergelijkbaar zijn, kan het verschil in behandeling niet verder worden getoetst aan het gelijk-heidsbeginsel. 4. De appelrechters stellen vast dat: - de betwiste gemeentebelasting de terbeschikkingstelling en verhuur van ka-mers of appartementen in de appart-hotels treft; - onder appart-hotel krachtens artikel 2 van het belastingreglement tot vesti-ging van een belasting op de appart-hotels van 22 oktober 2007 wordt ver-staan: elk logies verstrekkend bedrijf, welke ook de benaming weze (appart-hotel, flat-hotel, residentie enz.) dat betalend onderdak verleent voor een pe-riode die niet minder mag bedragen dan één nacht met de mogelijkheid voor de klant om bijkomende hoteldiensten zoals het ter beschikking stellen van lakens, linnen te verkrijgen en/of die toelaten maaltijden of dranken te ge-bruiken in de genoemde instelling; - de belasting wordt bepaald op 1.250,00 euro per huureenheid en per jaar (arti-kel 3) en verschuldigd is door de natuurlijke of rechtspersoon die het verblijf verhuurt; - niet onder de toepassing van het belastingreglement vallen:
  1. a)de inrichtingen die onder de toepassing vallen van het reglement dat de belasting op de ren-dez-voushuizen vestigt,
  2. b)de inrichtingen die onder de toepassing vallen van het reglement dat de belasting op de hotelkamers vestigt,
  3. c)de ziekenhuizen, klinieken, dispensaria evenals de instellingen, ongeacht hun benaming, waar zieken of gekwetsten worden verzorgd,
  4. d)de woningen bestemd voor activi-teiten van maatschappelijke hulp of gezondheid zonder winstoogmerk,
  5. e)de woningen dienend voor onderwijsinstellingen ingericht of gesubsidieerd door de openbare overheden,
  6. f)de woningen die tot doel hebben de collectieve huisvesting te bewerkstelligen van wezen, senioren, gehandicapten. 5. De appelrechters oordelen dat: - de in het belastingreglement aangevoerde financiële toestand van de verweer-ster verantwoordt waarom alleen de appart-hotels worden getroffen door de litigieuze gemeentebelasting, nu de vergelijkbare rendez-voushuizen, hotel-kamers en van huisraad voorziene vertrekken het voorwerp uitmaken van an-dere belastingreglementen; - de verweerster terecht betoogt dat er geen onderscheid tussen vergelijkbare categorieën van belastingplichtigen wordt gemaakt, wier activiteit tot gevolg heeft dat hun klanten van een huisvesting op het grondgebied van de stad ge-nieten; - de eiseres vruchteloos meent dat de onderscheiden behandeling dient te wor-den beoordeeld in hoofde van andere economische actoren van de gemeente, die evenzeer als haar gebruik maken van de gemeentelijke dienstverlening, zoals onder andere horeca-ondernemingen en zoals cafés en restaurants, maar ook andere ondernemingen buiten de horeca, zoals bakkers, slagers, verzeke-ringskantoren. - bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de door de eiseres vastgestelde cate-gorieën van personen de vergelijkbaarheidstoets doorstaan, nu genoemde eco-nomische actoren aan hun klanten geen huisvesting op het grondgebied van de stad verschaffen; - de eiseres niet aantoont dat de genoemde economische actoren aan geen ge-meentebelasting worden onderworpen. De appelrechters geven aldus impliciet maar zeker te kennen dat het doel van de vermelde belastingen, waaronder de belasting op de terbeschikkingstelling en verhuur van kamers of appartementen in de appart-hotels, ertoe strekt een finan-ciële bijdrage te vragen aan belastingplichtigen die hun klanten een tijdelijke huisvesting op het grondgebied van de stad aanbieden en dat het niet gaat om een algemene belasting. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de appelrechters de aard en het doel van de litigieuze belasting niet vaststellen, steunt het op een foutieve lezing van de beslissing van de appelrechters en mist het feitelijke grondslag. 6. De appelrechters die na een analyse van het doel van het belastingregle-ment de miskenning van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel afwijzen op grond van de omstandigheid dat er te dezen geen sprake is van een onderscheid tussen vergelijkbare categorieën van personen, verantwoorden hun beslissing naar recht. 7. In het raam van de toetsing van het litigieuze belastingreglement aan het gelijkheidsbeginsel heeft de eiseres voor de appelrechters niet aangevoerd dat de verschillende categorieën van personen die huisvesting aanbieden op het grond-gebied van de verweerster op een discriminerende wijze behandeld worden om-dat de in de respectieve belastingreglementen gehanteerde tarieven verschillen. De appelrechters waren er bijgevolg niet toe gehouden de hoegrootheid van het tarief te vermelden dat wordt gehanteerd in de belastingreglementen die van toe-passing zijn op de aanbieders van een tijdelijke huisvesting op het grondgebied van de verweerster. In zoverre het onderdeel aan de appelrechters verwijt dat zij geen feitelijke vast-stellingen hebben gedaan met betrekking tot de hoegrootheid van de belasting voor de verschillende categorieën van belastingplichtigen, die tijdelijke huisves-ting aanbieden op het grondgebied van de verweerster, kan het niet worden aan-genomen. 8. De appelrechters oordelen dat: - de bepaling van het tarief van een belasting evenwel bij uitstek een opportu-niteitskwestie betreft, die verband houdt met de grondwettelijk gewaarborgde fiscale autonomie van de gemeenten; - de keuze van het tarief weliswaar niet willekeurig mag zijn, maar dat een ge-kozen tarief evenmin in die zin te rationaliseren is dat heel precies wordt meegedeeld waarom exact dat tarief in aanmerking wordt genomen en geen ander; - de belastingvoet bij een heffing van 1.250,00 euro 1,19 procent bedraagt in-geval van een terbeschikkingstelling van een kamer gedurende een jaar op grond van de prijslijst van 2011; - men redelijkerwijze mag aannemen dat in het litigieuze dienstjaar de prijs la-ger was dan 2011, zodat de belastingvoet van 1.250,00 euro meer bedroeg dan 1,19 procent; - de eiseres evenwel de bewijslast van de onredelijkheid en onevenredigheid draagt die zij aanvoert; - het gekozen tarief aldus binnen de grenzen van de redelijkheid blijft en voor de betrokkenen geen onevenredig groot nadeel veroorzaakt. 9. De appelrechters verwerpen met die redenen eveneens het verweer van de eiseres dat van haar een onevenredig hoog bedrag werd gevorderd en dat om die reden de gemeentebelasting ongrondwettig zou zijn. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 492,84 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Bart Wylleman en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 24 mei 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bij-stand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190524.5 Gerelateerde publicatie(
  7. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190524.5 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220404.3F.1 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240125.1N.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241104.3F.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241114.1F.5 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250523.1N.10 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260130.1F.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241122.1N.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.