← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.11

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.11 Rolnummer: P.19.0113.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 737 - laatst gezien 2026-06-29 10:28 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 152, § 3, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen de in de paragrafen 1 en 2 van dit artikel bedoelde beslissingen geen rechtsmiddel openstaat zodat tegen dergelijke beslissingen dan ook geen afzonderlijk rechtsmiddel kan worden aangewend; die bepaling belet evenwel niet dat een appellant in het kader van een hoger beroep tegen een eindbeslissing de schending aanvoert van artikel 152 Wetboek van Strafvordering die deze eindbeslissing onwettig maakt. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Aanvoering van schending van artikel 152 Wetboek van Strafvordering in het kader van een hoger beroep tegen een eindbeslissing - Mogelijkheid Fiche 2 Uit artikel 152, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter conclusietermijnen bepaalt indien de partijen die wensen te concluderen en die nog geen conclusies hebben neergelegd, daarom op de inleidingszitting verzoeken; de partijen zijn nochtans niet verplicht conclusietermijnen te vragen overeenkomstig deze bepaling en dit geldt ook voor het Openbaar Ministerie. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Vraag om conclusietermijnen - Voorwaarde Fiche 3 De sanctie van het weren van conclusies bij toepassing van artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering is enkel mogelijk voor zover de rechter op grond van die bepaling conclusietermijnen heeft bepaald. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Sanctie wering van conclusies - Voorwaarde Fiche 4 Krachtens artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek kan de bijzondere verbeurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, van dat wetboek door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd; die bepaling strekt ertoe voor de vonnisrechter een debat over deze facultatieve bijzondere verbeurdverklaring te organiseren opdat de beklaagde zijn recht van verdediging kan uitoefenen. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen - Schriftelijke vordering door het openbaar ministerie - Voorwaarde - Uitwerking Fiches 5 - 6 De schriftelijke vordering overeenkomstig artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek kan in elke stand van de rechtspleging worden genomen waarbij enkel is vereist dat zij voorafgaand aan het vonnis of arrest aan de rechtspleging wordt toegevoegd, zodanig dat de beklaagde er kennis kan van nemen en zich ertegen kan verdedigen; een mondelinge vordering waarvan de inhoud regelmatig wordt vastgesteld in het proces-verbaal van de rechtszitting of in het vonnis of arrest, kan voldoende zijn opdat de beklaagde zijn recht van verdediging kan uitoefenen, wat het geval is indien daaruit blijkt dat het openbaar ministerie de bijzondere verbeurdverklaring heeft gevorderd van vermogensvoordelen en niet blijkt dat de beklaagde uitstel heeft gevraagd om daarop te antwoorden waarbij geen enkele bepaling zich ertegen verzet dat het Openbaar Ministerie voor de appelrechters de voor de eerste rechter genomen schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring herneemt, ook al werd die vordering door de eerste rechter bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering uit het debat geweerd

(1).
(1)Zie Cass. 29 januari 2019, AR P.18.0422.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190129.1, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Vermogensvoordelen - Schriftelijke vordering door het openbaar ministerie - Wijze Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Schriftelijke vordering van het openbaar ministerie - Wijze Fiche 7 Uit de enkele omstandigheid dat een eerste rechter heeft geoordeeld dat een schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering moet worden geweerd, volgt niet dat de appelrechter geen saisine heeft om kennis te nemen van een dergelijke in hoger beroep hernomen vordering. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Artikel 152 Wetboek van Strafvordering - Wering schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen in eerste aanleg - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.19.0113.N N. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 9 januari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Het arrest verklaart het hoger beroep van het openbaar ministerie onontvan-kelijk wat betreft het onderdeel van het weren uit het debat van de op de rechtszitting van 8 mei 2017 door het openbaar ministerie neergelegde schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring. In zoverre het cassatieberoep ook tegen die beslissing is gericht, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 43bis Straf-wetboek, artikel 152 Wetboek van Strafvordering en artikel 744 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van de wapengelijkheid: het arrest oordeelt ten on-rechte dat er geen wettelijk beletsel is om de schriftelijke vordering tot verbeurd-verklaring van vermogensvoordelen in hoger beroep te hernemen, indien die in eerste aanleg uit het debat werd geweerd of onontvankelijk werd verklaard; een schriftelijke vordering van het openbaar ministerie is een conclusie en het openbaar ministerie heeft deze schriftelijke vordering niet binnen de termijn, zoals door de rechter opgelegd bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering, overgemaakt aan de eiser en neergelegd ter griffie; tegen de beslissing tot bepaling van conclusietermijnen krachtens artikel 152 Wetboek van Strafvordering staat geen hoger beroep open.
  5. Artikel 152, § 3, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen de in de pa-ragrafen 1 en 2 van dit artikel bedoelde beslissingen geen rechtsmiddel openstaat. Tegen dergelijke beslissingen kan dan ook geen afzonderlijk rechtsmiddel worden aangewend. Die bepaling belet evenwel niet dat een appellant in het kader van een hoger beroep tegen een eindbeslissing de schending aanvoert van artikel 152 Wetboek van Strafvordering die deze eindbeslissing onwettig maakt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Uit artikel 152, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter conclusietermijnen bepaalt indien de partijen die wensen te conclu-deren en die nog geen conclusies hebben neergelegd, daarom op de inleidingszit-ting verzoeken. De partijen zijn nochtans niet verplicht conclusietermijnen te vra-gen overeenkomstig deze bepaling en dit geldt ook voor het Openbaar Ministerie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. De sanctie van het weren van conclusies bij toepassing van artikel 152, § 1, derde lid, Wetboek van Strafvordering is enkel mogelijk voor zover de rechter op grond van die bepaling conclusietermijnen heeft bepaald. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat partijen voor de appelrechters om conclusietermijnen hebben verzocht en dat de appel-rechter conclusietermijnen heeft bepaald overeenkomstig artikel 152 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het middel aanvoert dat de herneming door het Openbaar Ministerie op de rechtszitting van 12 december 2018 van de voor de eerste rechter ingediende schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring van vermogensvoordelen te be-schouwen is als een conclusie die bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering uit het debat had moeten worden geweerd, kan het dan ook niet worden aangenomen.
  9. Krachtens artikel 43bis, eerste lid, Strafwetboek kan de bijzondere ver-beurdverklaring toepasselijk op de zaken bedoeld in artikel 42, 3°, van dat wet-boek door de rechter in elk geval worden uitgesproken, maar slechts voor zover zij door de procureur des Konings schriftelijk wordt gevorderd. Die bepaling strekt ertoe voor de vonnisrechter een debat over deze facultatieve bijzondere ver-beurdverklaring te organiseren opdat de beklaagde zijn recht van verdediging kan uitoefenen.
  10. Deze schriftelijke vordering kan in elke stand van de rechtspleging worden genomen. Enkel is vereist dat zij voorafgaand aan het vonnis of arrest aan de rechtspleging wordt toegevoegd, zodanig dat de beklaagde er kennis kan van ne-men en zich ertegen kan verdedigen. Een mondelinge vordering waarvan de in-houd regelmatig wordt vastgesteld in het proces-verbaal van de rechtszitting of in het vonnis of arrest, kan voldoende zijn opdat de beklaagde zijn recht van verde-diging kan uitoefenen, wat het geval is indien daaruit blijkt dat het openbaar mi-nisterie de bijzondere verbeurdverklaring heeft gevorderd van vermogensvoorde-len en niet blijkt dat de beklaagde uitstel heeft gevraagd om daarop te antwoorden. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat het Openbaar Ministerie voor de appelrechters de voor de eerste rechter genomen schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring herneemt, ook al werd die vordering door de eerste rechter bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering uit het debat geweerd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Uit de enkele omstandigheid dat een eerste rechter heeft geoordeeld dat een schriftelijke vordering tot bijzondere verbeurdverklaring van vermogensvoordelen bij toepassing van artikel 152 Wetboek van Strafvordering moet worden geweerd, volgt niet dat de appelrechter geen saisine heeft om kennis te nemen van een der-gelijke in hoger beroep hernomen vordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oor-deelt ten onrechte dat de redelijke termijn niet werd overschreden, doordat omwille van de grove onzorgvuldigheid van het openbaar ministerie de behandeling in hoger beroep meer dan anderhalf jaar vertraging opliep; de appelrechters toetsen hun beslissing dat de redelijke termijn niet is overschreden niet aan de door de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bepaalde criteria en miskennen daardoor reeds hun motiveringsverplichting; de eiser zelf heeft steeds een actieve houding aangenomen, waardoor de zaak alsnog op de rechtszitting werd gebracht.
  13. Of de redelijke termijn waarbinnen moet zijn beslist over een tegen een be-klaagde ingestelde strafvervolging is overschreden, wordt onaantastbaar beoor-deeld door de rechter rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en de procedure in haar geheel. De rechter toetst de redelijke termijn daarbij aan de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde over-heden en het belang dat de zaak heeft voor de partijen. De rechter moet niet steeds alle criteria in aanmerking nemen, als één criterium reeds van doorslaggevend belang is. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.
  14. Uit een tijdsverloop van anderhalf jaar tussen het instellen van het hoger be-roep door het openbaar ministerie en de rechtszitting, waarop de zaak wordt be-handeld, volgt niet noodzakelijk dat de redelijke termijn is overschreden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht.
  15. Uit de redenen die het arrest bevat, blijkt dat de appelrechters de redelijke termijn-vereiste beoordelen op basis van meerdere van de voormelde criteria en dit aan de hand van de concrete omstandigheden van de zaak. Zij kunnen op basis van hun vaststellingen dan ook oordelen dat de redelijke termijn niet is overschre-den en verantwoorden aldus hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  16. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 28 mei 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche S. Berneman E. Francis P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CALIE:2023:ARR.20230607.1 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.016 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190129.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230328.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.