id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.14 Rolnummer: P.19.0240.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 348 - laatst gezien 2026-06-28 18:14 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 185, § 1, Strafwetboek waarborgen het recht van de beklaagde om ter rechtszitting in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat te verschijnen; die bepalingen noch het recht van verdediging hebben echter tot gevolg dat de rechter wat de straftoemeting betreft geen enkel gevolg zou kunnen verbinden aan het feit dat de beklaagde niet in persoon ter rechtszitting verschijnt
(1)Artikel 185, § 1, Strafwetboek dient te worden gelezen als artikel 185, § 1, Wetboek van Strafvordering. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Niet-verschijning in persoon van beklaagde ter rechtszitting - Straftoemeting - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.c - Niet-verschijning in persoon van beklaagde ter rechtszitting - Straftoemeting - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: Straftoemeting - Niet-verschijning in persoon van beklaagde ter rechtszitting - Gevolg Fiche 4 De rechter kan oordelen dat hij, ingevolge de persoonlijke afwezigheid van de beklaagde ter rechtszitting, de strafmaat dient te beoordelen zonder te beschikken over bijzonderheden in verband met diens persoonlijke houding of situatie, aangezien die informatie enkel onrechtstreeks wordt ontvangen van de advocaat die de beklaagde ter rechtszitting vertegenwoordigt; daarmee bestraft de rechter niet de processtrategie van de beklaagde, noch schendt of miskent hij enige verdragsbepaling of enig algemeen rechtsbeginsel. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Persoonlijke afwezigheid van de beklaagde ter rechtszitting - Beoordeling strafmaat - Wijze - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.19.0240.N R. C. F., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luk Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- I. D.V., burgerlijke partij,
- D. B., burgerlijke partij,
- WILD WEST TREASURES bvba, met zetel te 2811 Hombeek, Zemstse-weg 23 bis, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 12 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Voor wat de omvang van de gestolen zaken betreft, beperkt het arrest de veroordeling van de eiser op de strafvordering en op de burgerlijke rechtsvorde-ring van de verweerders 1 en 3 tot 132.801 US Dollar, 4.000 euro en een PC-tower N-Joy van onbekende waarde. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging: de appel-rechters oordelen dat de eiser niet in persoon ter rechtszitting is verschenen, zodat zij zich geen volkomen juist beeld hebben kunnen vormen van zijn exacte attitude en enkel onrechtstreekse inlichtingen hebben verkregen van zijn huidige levenssi-tuatie en dit bij monde van zijn raadsman; de eiser heeft het recht vrij zijn verde-digingsstrategie te kiezen en mag zich ter rechtszitting laten vertegenwoordigen door zijn raadsman in plaats van zelf te verschijnen; door met eisers persoonlijke afwezigheid rekening te houden bij de straftoemeting, bestraffen de appelrechters de wijze waarop de eiser zich heeft verdedigd tegen de telastlegging.
- Artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en artikel 185, § 1, Strafwetboek waarborgen het recht van de beklaagde om ter rechtszitting in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat te verschijnen. Die bepalingen noch het recht van verdediging heb-ben echter tot gevolg dat de rechter wat de straftoemeting betreft geen enkel ge-volg zou kunnen verbinden aan het feit dat de beklaagde niet in persoon ter rechtszitting verschijnt.
- De rechter kan oordelen dat hij, ingevolge de persoonlijke afwezigheid van de beklaagde ter rechtszitting, de strafmaat dient te beoordelen zonder te beschik-ken over bijzonderheden in verband met diens persoonlijke houding of situatie, aangezien die informatie enkel onrechtstreeks wordt ontvangen van de advocaat die de beklaagde ter rechtszitting vertegenwoordigt. Daarmee bestraft de rechter niet de processtrategie van de beklaagde, noch schendt of miskent hij enige ver-dragsbepaling of enig algemeen rechtsbeginsel. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
- Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest de omvang van de materiële schade van de verweerder 1 louter afleidt uit een stuk waaruit enkel blijkt dat de zoge-naamd gestolen gelden bijna een jaar vóór de feiten werden afgehaald; aldus be-antwoordt het arrest niet eisers verweer over het causaal verband tussen de fout en de schade, namelijk dat de aanwezigheid van die gelden op het moment van de feiten niet aannemelijk is gelet op het tijdsverloop tussen de afhaling van de gel-den door de verweerder 1 en de feiten.
- In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, is het niet ontvankelijk.
- Het onderdeel betrekt niet alle redenen van het arrest in de kritiek. Met het geheel van de redenen die het bevat, oordeelt het arrest (p. 18): "Tenslotte is het op basis van de elementen van het voorliggende strafdossier naar voldoening van recht bewezen dat [de verweerder 1] een nadeel heeft geleden van 54.600 $ (stuk 512 strafdossier)", alsook (p. 22) "Uit de stukken van het strafdossier en meer specifiek uit het bankonderzoek is gebleken dat [de verweerder 1] cash afhalingen ten bedrage van 54.600 $ heeft gedaan van zijn privé rekening en dit in de periode voorafgaand aan de kwestieuze gewapende overval. Er werd dan ook aanvaard dat dit bedrag zich op 4 november 2014 in de woning van [de verweerder 1] be-vond en dat dit een deel van de ontvreemde buit was". Aldus verwerpt en beant-woordt het arrest eisers bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest tegenstrijdig is gemotiveerd doordat het de bewijzen van cashafhalingen in een periode van een jaar vóór de feiten niet als afdoende aanvaardt voor de verweerster 3, maar wel voor de verweerder
- Het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van het cassatieberoep, heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over eisers onmiddellijke aanhouding, het cassatieberoep geen bestaansreden meer heeft. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 28 mei 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche S. Berneman E. Francis P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.14 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div