← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 mei 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.15 Rolnummer: P.19.0531.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 263 - laatst gezien 2026-06-28 06:24 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De omstandigheid dat een vreemdeling ter beschikking staat van de uitvoerende macht en zich in uitleveringsdetentie bevindt, belet niet dat lastens hem een vrijheidsstraf kan worden ten uitvoer gelegd; de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf tegen een dergelijke vreemdeling heeft tot gevolg dat hij zich in strafuitvoeringsdetentie bevindt en dat gedurende de periode van effectieve vrijheidsberoving als gevolg van die strafuitvoering de uitleveringsdetentie wordt geschorst. Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Vreemdeling in uitleveringsdetentie - Strafuitvoeringsdetentie - Bestaanbaarheid Fiches 2 - 3 De artikelen 5.1.f en 5.4 EVRM vereisen niet dat de vreemdeling die zich niet langer in uitleveringsdetentie bevindt, ook al blijft hij ter beschikking van de uitvoerende macht, de rechter moet kunnen vragen om op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding ter fine van uitlevering. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.f - Uitlevering - Vreemdeling die zich niet langer in uitleveringsdetentie bevindt maar die ter beschikking blijft van de uitvoerende macht - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Uitlevering - Vreemdeling die zich niet langer in uitleveringsdetentie bevindt maar die ter beschikking blijft van de uitvoerende macht - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.19.0531.N O. S., persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, gedetineerd, eiser, met als raadslieden mr. Christophe Marchand en mr. Crépine Uwashema, beiden advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Kolenmarkt 83, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. FEITEN Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijken de volgende relevante feiten. Op 4 mei 2017 werd door de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Nador (Marokko) lastens de eiser een aanhoudingsbevel met het oog op strafvervolging uitgevaardigd wegens invoer, bezit en handel in psychotrope stof-fen, met de omstandigheid dat deze misdrijven daden van deelneming zijn aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, feiten gepleegd zijnde te Nador (Marokko), tussen 31 maart 2017 en 1 juni 2017, meermaals op niet nader bepaalde tijdstippen. Marokko verzocht op basis van dit bevel op 19 juli 2017 om de uitlevering van de eiser. De raadkamer te Turnhout verklaarde bij beschikking van 22 september 2017 het bevel tot aanhouding van 4 mei 2017 uitvoerbaar. Het hoger beroep tegen die be-schikking werd verworpen. Het cassatieberoep van de eiser tegen dit arrest werd bij arrest van 19 december 2017 door het Hof verworpen. De kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen verleende op 31 mei 2018 advies over het uitleveringsverzoek. Er werd over de gevraagde uitlevering nog niet beslist. De eiser werd bij vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Me-chelen, van 13 september 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar wegens inbreuken op de wapenwet en slagen en verwondingen. Zijn straf werd ten uitvoer gelegd op 30 oktober
  2. Zij is nog steeds in uitvoering. De eiser verzocht de raadkamer te Turnhout op 19 april 2019 om zijn invrijheid-stelling. De raadkamer verklaarde bij beschikking van 24 april 2019 dit verzoek ongegrond. De kamer van inbeschuldigingstelling te Antwerpen wijzigde bij arrest van 10 mei 2019 deze beschikking in die zin dat het verzoek ab initio zonder voorwerp werd verklaard. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen in hun geheel
  3. Het eerste middel voert schending aan van artikel 3, tweede lid, Uitleve-ringswet 1874: het arrest oordeelt dat eisers verzoek tot invrijheidstelling zonder voorwerp is omdat de uitleveringsdetentie als gevolg van de uitvoerbaarverklaring van een Marokkaans aanhoudingsbevel door de raadkamer te Turnhout, van 22 september 2017 is vervangen door een detentie ingaand op 30 oktober 2018, ter uitvoering van een veroordeling door de correctionele rechtbank Antwerpen, afde-ling Mechelen, van 13 september 2018; het arrest oordeelt ten onrechte dat de ene hechtenistitel de andere vervangt, terwijl beide detentietitels samenlopen. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 5.4 en 13 EVRM en arti-kel 5 Uitleveringswet 1874, alsook miskenning van het motiveringsbeginsel: het arrest dat oordeelt dat eisers verzoek tot invrijheidstelling ab initio zonder voor-werp is omdat de uitleveringsdetentie werd vervangen door strafuitvoering heeft tot gevolg dat de wettigheid van eisers vrijheidsberoving niet wordt onderzocht, noch in het kader van de uitlevering, noch in het kader van de strafuitvoering.
  4. Artikel 5.1.f EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in de na-volgende gevallen en langs wettelijke weg (...) in het geval van rechtmatige arres-tatie of gevangenhouding van personen (...) indien tegen hen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is." Artikel 5.4 EVRM bepaalt: "Eenieder die door arrestatie of gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd heeft het recht voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhouding onrechtmatig is." Artikel 5 Uitleveringswet 1874 regelt de aanhouding met het oog op de uitleve-ring. Artikel 5, vierde lid, van deze wet bepaalt: "De vreemdeling mag zijn voor-lopige invrijheidstelling verzoeken in de gevallen waar een Belg hetzelfde voorrecht geniet en dit onder dezelfde voorwaarden. Zijn verzoek wordt aan de raadkamer voorgelegd." Artikel 3, tweede lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt: "[De uitlevering] zal even-eens worden toegestaan op overlegging van het bevel tot aanhouding of van iedere andere akte die dezelfde kracht heeft, door de bevoegde vreemde overheid ver-leend, op voorwaarde dat deze akten duidelijk de feiten omschrijven, voor dewelke ze werden verleend, en dat ze uitvoerbaar worden verklaard door de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de vreemdeling in België verblijft of kan worden gevonden." Artikel 3, vierde lid, Uitleveringswet 1874 bepaalt: "Zodra de vreemdeling ter uitvoering van een der akten hierboven vermeld en na behoorlijke betekening er-van, zal zijn opgesloten, zal de regering het advies inwinnen van de kamer van in-beschuldigingstelling van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de vreemdeling werd aangehouden."
  5. Uit die bepalingen volgt dat: - het lastens de vreemdeling door de verzoekende staat uitgevaardigde aanhou-dingsbevel en de exequaturbeslissing, eens alle rechtsmiddelen daartegen zijn uitgeput, een nieuwe titel van vrijheidsberoving vormen; - vanaf de betekening van deze stukken de vreemdeling ter beschikking staat van de uitvoerende macht; - het in beginsel enkel de uitvoerende macht toekomt te oordelen over de verdere vrijheidsberoving van de vreemdeling; - de opgesloten vreemdeling die ter beschikking staat van de uitvoerende macht, niettemin het recht heeft de rechter te vragen op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding en onder meer aan de rechter kan vra-gen te beoordelen of de termijn van de uitleveringsdetentie nog wel redelijk is.
  6. De omstandigheid dat een vreemdeling ter beschikking staat van de uitvoe-rende macht en zich in uitleveringsdetentie bevindt, belet niet dat lastens hem een vrijheidsstraf kan worden ten uitvoer gelegd. De tenuitvoerlegging van een vrij-heidsstraf tegen een dergelijke vreemdeling heeft tot gevolg dat hij zich in straf-uitvoeringsdetentie bevindt en dat gedurende de periode van effectieve vrijheids-beroving als gevolg van die strafuitvoering de uitleveringsdetentie wordt ge-schorst.
  7. Daaruit volgt dat de voormelde verdragsbepalingen niet vereisen dat de vreemdeling die zich niet langer in uitleveringsdetentie bevindt, ook al blijft hij ter beschikking van de uitvoerende macht, de rechter moet kunnen vragen om op korte termijn te beslissen over de wettigheid van zijn gevangenhouding ter fine van uitlevering. In zoverre de beide middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  8. Het arrest stelt door overname van de redenen van de vordering van de pro-cureur-generaal vast dat eisers verzoek om invrijheidstelling werd ingediend ter-wijl hij zich in uitvoeringsdetentie bevindt, dat de eiser ten vroegste op 27 februari 2019 in vrijheid kan worden gesteld en dat het strafeinde is bepaald voor 29 okto-ber 2020, zodat hij zich niet langer bevindt in uitleveringsdetentie. Het arrest dat met overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal oor-deelt dat eisers verzoek om invrijheidstelling bijgevolg zonder voorwerp is omdat hij zich thans niet in uitleveringsdetentie bevindt, is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen beide middelen niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  9. De substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 87,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 28 mei 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. K. Vanden Bossche S. Berneman E. Francis P. Hoet A. Bloch F. Van Volsem PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190528.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.