id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.1 Rolnummer: P.18.0407.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht - Strafrecht - Handelsrecht Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 893 - laatst gezien 2026-06-29 10:09 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte als 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM
(1).
(1)Cass. 17 februari 2015, AR P.14.0201.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.1, AC 2015, nr. 119. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: "Non bis in idem" - Draagwijdte Fiches 2 - 3 Uit de bepalingen van artikel 14.7 IVBPR en artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM alsmede uit het algemene rechtsbeginsel non bis in idem volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van veroordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op dezelfde persoon, waarbij onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn
(1); niet de inbreuken of de kwalificatie van de feiten, maar de feiten zelf moeten identiek of substantieel dezelfde zijn.
(1)Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1509.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.5, AC 2015, nr. 122. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14 - Artikel 14.7 - "Non bis in idem" - Verbod tweede vervolging wegens identieke of substantieel dezelfde feiten na eerste vervolging - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende aanvullende protocol EVRM - Artikel 4.1 - "Non bis in idem" - Verbod tweede vervolging wegens identieke of substantieel dezelfde feiten na eerste vervolging - Draagwijdte Fiches 4 - 8 De rechter beoordeelt in het licht van de gegevens van de zaak welke feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt en of die feiten identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëindigd met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling en waarbij de rechter acht moet slaan op de feitelijke gedragingen en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft; dat dubbel onderzoek van de hem voorgelegde en de eerder berechte feiten maakt deel uit van de onaantastbare beoordeling door de feitenrechter
(1).
(1)Cass. 9 april 2014, AR P.13.1916.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140409.2, AC 2014, nr. 280. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Strafzaken - "Non bis in idem" - Verbod tweede vervolging wegens identieke of substantieel dezelfde feiten na eerste vervolging - Draagwijdte Strafzaken - 'Non bis in idem' - Zelfde feiten - Beoordeling door de rechter - Aard - Criteria Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Verdrag of internationale overeenkomst - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 14 - Artikel 14.7 - 'Non bis in idem' - Zelfde feiten - Beoordeling door de rechter - Aard - Criteria Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Verdrag of internationale overeenkomst - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Allerlei Vrije woorden: Zevende aanvullende protocol EVRM - Artikel 4.1 - 'Non bis in idem' - Zelfde feiten - Beoordeling door de rechter - Aard - Criteria Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Verdrag of internationale overeenkomst - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - 'Non bis in idem' - Zelfde feiten Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel Verdrag of internationale overeenkomst - 19-12-1966 - Art. 14.7 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Verdrag of internationale overeenkomst - 22-11-1984 - Art. 4.1 - 33 Link Justel databank 19841122-33 Fiche 9 Er bestaat geen eenheid van opzet tussen een feit waarvoor een beklaagde is vrijgesproken bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak en een feit waarvoor hij later wordt vervolgd, zodat deze feiten geen voortgezet misdrijf vormen
(1).
(1)Cass. 1 maart 1988, AR 1587, AC 1987-1988, nr. 398. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Vrije woorden: Voortgezet misdrijf - Feit waarvoor de beklaagde is vrijgesproken - Latere vervolging voor een ander feit - Gevolg - Eenheid van opzet Fiche 10 Het uitzonderingsstelsel, waarbij bestuurders van de door artikel 6, sub f) KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006 bedoelde voertuigen zijn vrijgesteld van de verplichting de rij- en rusttijden in acht te nemen en van het gebruik van het controleapparaat, is strikt uit te leggen in het licht van de overweging
(23)van de preambule bij de Verordening (EG) nr. 561/2006 dat de nationale uitzonderingen moeten beperkt blijven tot die elementen welke niet aan concurrentiedruk onderhevig zijn en de in artikel 1 Verordening (EG) nr. 561/2006 vermelde doelstelling de concurrentievoorwaarden te harmoniseren
(1).
(1)Zie: Cass. 25 april 2017, AR P.16.0449.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.2, AC 2017, nr. 282. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Artikel 6, sub f), KB Uitvoering Verordening (EG) 561/2006 - Vrijstelling in acht name rij- en rusttijden en gebruik controleapparaat - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: EEG-verordening - 15-03-2006 - Art. 13.1.
- h)- 35 Link Justel databank 20060315-35 Koninklijk Besluit - 09-04-2007 - Art. 6, sub
- f)- 30 ELI link Pub nr 2007014122 Fiche 11 De vrijstelling bedoeld in artikel 6, sub
- f)KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006 geldt enkel voor voertuigen die gebruikt worden voor algemene diensten die van openbaar belang zijn en die worden verricht door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen, zodat voertuigen om rioleringswerken uit te voeren en de afvalstoffen afkomstig van deze werkzaamheden vervolgens te vervoeren, gebruikt door een particuliere dienstenverstrekker met een commercieel doel in een sector waar mededinging plaatsvindt, niet van deze vrijstelling genieten. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Artikel 6, sub f), KB Uitvoering Verordening (EG) 561/2006 - Vrijstelling in acht name rij- en rusttijden en gebruik controleapparaat - Grens - Toepassing Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 09-04-2007 - Art. 6, sub
- f)- 30 ELI link Pub nr 2007014122 Fiche 12 Het legaliteitsbeginsel in strafzaken vereist dat de bevoegde regelgever een strafbaarstelling zo opstelt dat die bepaling als dusdanig gelezen of in samenhang met andere bepalingen op voldoende precieze wijze de als strafbare gestelde gedraging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is; aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbaarstelling van toepassing is, mogelijk is om op grond van die bepaling, zo nodig met behulp van de uitlegging die de rechterlijke instanties daarvan hebben gegeven, de handelingen en verzuimen te kennen die strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen
(1).
(1)Zie: Cass. 22 mei 2018, AR P.17.1025.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180522.4, AC 2018, nr. 319. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Strafzaken - Draagwijdte Fiche 13 Gelet op de wijze waarop de uitzonderingen op de tachograafverplichting zijn omschreven in artikel 13.1.
- h)Verordening (EG) nr. 561/2006 en artikel 6, sub
- f)KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006 en de in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie hieraan gegeven uitlegging, is het redelijk voorzienbaar dat wordt geoordeeld dat voertuigen, gebruikt in het kader van particuliere commerciële rioleringswerken niet onder deze uitzonderingsregeling vallen. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Landvervoer. Wegvervoer Vrije woorden: Artikel 6, sub f), KB Uitvoering Verordening (EG) 561/2006 - Vrijstelling in acht name rij- en rusttijden en gebruik controleapparaat - Voertuigen gebruikt in het kader van particuliere commerciële rioleringswerken - Geen vrijstelling - Voorzienbaarheid Tekst van de beslissing Nr. P.18.0407.N I R. J. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Elisabeth Duffeleer, advocaat bij de balie Dendermonde, II 1. B. M., beklaagde, 2. BART MOENS bvba, met zetel te 9255 Buggenhout, Mandekensstraat 67, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, met als raadsman mr. Jan De Winter, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 16 maart 2018. De eiser I voert in een memorie grieven aan. De eiser II.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van de eiser I 1. De memorie is op de griffie van het Hof ontvangen op 30 mei 2018, dit is meer dan twee maanden na de verklaring van het cassatieberoep. De memorie die is ingediend buiten de termijn bepaald in artikel 429, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, is niet ontvankelijk. Beoordeling Middelen Eerste middel van de eiser II.1 2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsook miskenning van het non bis in idem-beginsel, het rechterlijk gewijsde en het rechtszekerheids-beginsel: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het ontstoppingsvoertuig van de eiseres II.2 onder het toepassingsgebied valt van de Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmoni-satie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijzi-ging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (hierna: Verorde-ning (EG) nr. 561/2006); bij vonnis van 30 juni 2016, dat in kracht van gewijsde is getreden, heeft de correctionele rechtbank te Brussel geoordeeld dat voormeld voertuig niet aan deze reglementering is onderworpen; deze beslissing verhindert dat de eiser wordt veroordeeld voor eenzelfde feitelijke gedraging, met name het niet-respecteren van de tachograafverplichting in ditzelfde voertuig, dat een voortgezet misdrijf in de zin van artikel 65 Strafwetboek vormt; de onderwerping aan de Europese reglementering is gekoppeld aan een welbepaald voertuig en mag niet per individuele rit worden beoordeeld; het bestreden vonnis dat anders oor-deelt, voegt dan ook een extra voorwaarde toe aan de Verordening (EG) nr. 561/2006; gelet op dit in kracht van gewijsde getreden vonnis mocht de eiser II.1 er bovendien gerechtvaardigd van uitgaan dat de ontstoppingsvoertuigen van de eiseres II.2 niet tachograafplichtig zijn. 3. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld en waarvan hij is vrijgesproken. Krachtens artikel 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM wordt niemand op-nieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat. Het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem heeft dezelfde draagwijdte. 4. Uit deze bepalingen en dit algemene rechtsbeginsel volgt dat een tweede vervolging verboden is wegens identieke feiten of substantieel dezelfde feiten die na een eerste vervolging hebben geleid tot een onherroepelijke beslissing van ver-oordeling of vrijspraak en voor zover die vervolgingen betrekking hebben op de-zelfde persoon. 5. Onder identieke of substantieel dezelfde feiten moet worden verstaan een geheel van concrete feitelijke omstandigheden welke onlosmakelijk in tijd en ruimte met elkaar verbonden zijn. Niet de inbreuken of de kwalificatie van de fei-ten, maar de feiten zelf moeten identiek of substantieel dezelfde zijn. 6. De rechter beoordeelt in het licht van de gegevens van de zaak welke feiten bij hem aanhangig zijn gemaakt en of die feiten identiek of substantieel dezelfde zijn als deze die het voorwerp waren van een eerdere strafvervolging die is beëin-digd met een onherroepelijke beslissing van vrijspraak of veroordeling. Daarbij moet de rechter acht slaan op de feitelijke gedragingen en de werkelijk bedoelde omstandigheden waarop de eerste strafvordering betrekking heeft. Dat dubbel on-derzoek van de hem voorgelegde en de eerder berechte feiten maakt deel uit van de onaantastbare beoordeling door de feitenrechter. 7. De appelrechters oordelen dat de bij hen aanhangig gemaakte feiten niet identiek of substantieel dezelfde zijn als de feiten die voorwerp waren van de strafvervolging, beëindigd met het vonnis van de correctionele rechtbank te Brus-sel van 30 juni 2016 vermits deze op een andere datum en een andere plaats wer-den gepleegd. In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbaar oordeel is het niet ontvan-kelijk. 8. Er bestaat geen eenheid van opzet tussen een feit waarvoor een beklaagde is vrijgesproken bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak en een feit waarvoor hij later wordt vervolgd, zodat deze feiten geen voortgezet misdrijf vormen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 9. Het bestreden vonnis oordeelt dat de voertuigen van de eiseres II.2 onder het toepassingsgebied van de Verordening (EG) 561/2006 vallen en niet onder de uitzondering bepaald in artikel 13.1.
- h)van deze verordening omdat de eiser I op het ogenblik van de feiten enkel als private ruimdienst actief was. Met deze redenen voegen de appelrechters geen voorwaarde toe die de Verordening (EG) 561/2006 niet bevat. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 10. Het enkele feit dat de strafrechter van oordeel is dat een bepaald voertuig niet tachograafplichtig is, dan wel onder de uitzonderingsregeling van de Veror-dening (EG) nr. 561/2006 valt, bindt een andere rechter die met eenzelfde rechts-vraag wordt geconfronteerd niet, zelfs niet indien de feiten worden gepleegd met eenzelfde voertuig. Het gegeven dat de rechter een beklaagde heeft vrijgesproken met die redenen, laat deze laatste dan ook niet toe ervan uit te gaan dat andere rechters deze uitspraak zullen volgen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel van de eiser II.1 en eerste middel van de eiseres II.2 11. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis maakt in het dictum geen mel-ding van artikel 2 van het Koninklijk besluit van 9 april 2007 houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 561/2006 (hierna KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006) noch van de artikelen 2 en 2bis van de wet van 18 februari 1969 be-treffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, dat de straf-fen vastlegt voor de inbreuken op deze verordening en is aldus niet regelmatig met redenen omkleed. 12. De verplichting van de artikelen 163, eerste lid, 195, eerste lid en 211 Wet-boek van Strafvordering, om in een veroordelende beslissing de toegepaste wets-bepalingen te vermelden, houdt niet in dat de wetsbepalingen in het dictum van deze beslissing moeten worden vermeld. Het volstaat dat de rechter in zijn beslis-sing melding maakt van die toegepaste wetsbepalingen, ongeacht de plaats in die beslissing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Het bestreden vonnis vermeldt de wettelijke bepalingen die de straf bepalen voor de te laste gelegde inbreuken bij de beoordeling over de schuld onder de titel "Toepassing van de strafwet in de tijd". In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser II.1 Eerste onderdeel 14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 4.
- b)Verordening (EG) nr. 561/2006: in zijn syntheseconclusie heeft de eiser II.1 aan-gevoerd dat een ontstoppingsvoertuig van de eiseres II.2 niet onder het toepas-singsgebied van de Verordening (EG) nr. 561/2006 valt vermits dit geen motorrij-tuig is zoals bedoeld in artikel 4.
- b)van deze verordening, maar een rijdende werkplaats die niet gewoonlijk wordt gebruikt voor het vervoer van goederen; het bestreden vonnis dat zich beperkt tot de vaststelling dat voormeld voertuig be-stemd is voor wegvervoer in de zin van artikel 4.
- a)Verordening (EG) nr. 561/2006, laat dit verweer onbeantwoord en is niet naar recht verantwoord. 15. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser II.1 in zijn syntheseconclusie niet heeft aangevoerd dat de ontstoppingsvoertuigen van de eiseres II.2 geen motorrijtuigen zijn zoals bedoeld in artikel 4.
- b)Verordening (EG) nr. 561/2006, maar wel dat dit geen voertuigen zijn "bestemd voor wegver-voer in de zin van artikel 4.
- a)van de Verordening (EG) nr. 561/2006". In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 16. Het bestreden vonnis oordeelt dat rijdende werkplaatsen, zoals de voertui-gen van de eiseres II.2 waarbij ook bijkomstig vervoer van goederen plaatsvindt onder het toepassingsgebied van de Verordening (EG) nr. 561/2006 vallen vermits ze bijkomstig afvalstoffen afkomstig van ruimingswerkzaamheden transporteren en dit transport als een vervoer van goederen is te beschouwen. Het oordeelt te-vens dat het "beperkte vervoer van deze voertuigen" niet toelaat anders te beslui-ten. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel ver-melde verweer. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. 17. Voor het overige is de aangevoerde onwettigheid afgeleid uit het vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 13.1.
- h)Verordening (EG) nr. 561/2006 en artikel 6 KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006, zoals toen toepasselijk, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken: het be-streden vonnis oordeelt ten onrechte dat de uitzondering voor voertuigen, gebruikt in verband met rioleringsdiensten, enkel geldt in het kader van een algemene dienst van openbaar belang die rechtstreeks door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen wordt verricht en dus niet voor particu-liere rioleringswerken; deze voorwaarde wordt door de vermelde wettelijke bepa-lingen niet opgelegd; het bestreden vonnis miskent hierdoor tevens het legaliteits-beginsel dat vereist dat de rechtszoekende weet wat wel en wat niet is toegelaten; bovendien blijkt uit het bestreden vonnis dat op het ogenblik van de vaststellingen het ontstoppingsvoertuig van de eiseres II.2 ruimwerkzaamheden had uitgevoerd bij onder meer een OCMW en bijgevolg de in de voormelde uitzondering bedoel-de werkzaamheden had uitgevoerd. 19. Artikel 13.1Verordening (EG) nr. 561/2006 bepaalt: "Mits geen afbreuk wordt gedaan aan doelstellingen van artikel 1, mag elke lidstaat voor zijn eigen grondgebied of, met instemming van de betrokken staat, voor het grondgebied van een andere lidstaat uitzonderingen toestaan op de artikelen 5 tot en met 9, en deze uitzonderingen laten afhangen van bijzondere voorwaarden, voor vervoer dat wordt verricht met:
- h)voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met betrekking tot de water-, gas- of elektriciteitsvoorziening, onderhoud van en toezicht op wegen, de ophaaldienst voor huishoudelijke afval en de verwijdering ervan, diensten van telegrafie en te-lefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en televisie". Artikel 6, sub
- f)KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006, zoals toen toe-passelijk, bepaalt: "Niet onderworpen aan de artikelen 5 tot 9 van de verordening is het vervoer door de volgende voertuigen: voertuigen die worden gebruikt in verband met de rioleringsdienst, diensten ter bescherming tegen overstromingen, diensten met be-trekking tot de water-, gas of elektriciteitsvoorziening, het onderhoud van en het toezicht op wegen, de huis-aan-huisophaling en verwijdering van huishoudelijk afval, diensten van telegrafie en telefonie, radio- en televisie-uitzendingen, evenals voor de opsporing van zend- of ontvangstapparatuur voor radio en televisie". 20. Uit deze bepalingen volgt dat bestuurders van de door artikel 6, sub
- f)KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006 bedoelde voertuigen zijn vrijgesteld van de verplichting de rij- en rusttijden in acht te nemen en van het gebruik van het controleapparaat. Dit uitzonderingsstelsel is in het licht van de overweging
(23)van de preambule bij de Verordening (EG) nr. 561/2006 dat de nationale uit-zonderingen moeten beperkt blijven tot die elementen welke niet aan concurren-tiedruk onderhevig zijn en de in artikel 1 Verordening (EG) nr. 561/2006 vermelde doelstelling de concurrentievoorwaarden te harmoniseren, strikt uit te leggen. 21. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de in artikel 13.1.
- h)Verordening (EG) nr. 561/2006 vermelde uitzonderingen ge-baseerd zijn op de aard van de diensten waarvoor deze voertuigen worden ge-bruikt, die allen algemene diensten van openbaar belang zijn en die worden ver-richt door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemin-gen. Voertuigen, gebruikt door een particuliere dienstenverstrekker met een com-mercieel doel in een sector waar mededinging plaatsvindt, vallen aldus niet onder deze uitzonderingen. Artikel 6, sub
- f)KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006, zoals toen toepasselijk, heeft eenzelfde draagwijdte. Dit houdt in dat wanneer een voertuig rioleringswerken uitvoert en de afvalstof-fen, afkomstig van deze werkzaamheden vervolgens vervoert in het kader van een taak die geen openbare dienst is en in een activiteitensector waarin concurrentie plaatsvindt, dit vervoer niet onder de uitzonderingen, vermeld in deze bepalingen valt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 22. Met het oordeel dat de uitzondering voorzien in artikel 13.1.
- h)Verordening (EG) nr. 561/2006 "enkel geldt in het kader van een algemene dienst van openbaar belang die rechtstreeks door overheidsinstanties of onder hun toezicht door particuliere ondernemingen wordt verricht" en "particuliere commerciële riole-ringswerken niet vallen onder de noemer van een algemene dienst van openbaar belang", voegen de appelrechters geen voorwaarde toe aan artikel 13.1.
- h)Veror-dening (EG) nr. 561/2006 of artikel 6, sub
- f)KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006, zoals toen toepasselijk, maar verantwoorden zij integendeel hun beslis-sing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 23. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser I op het ogenblik van de vaststellingen enkel als private ruimdienst actief was. In zoverre het onderdeel opkomt tegen deze feitelijke beoordeling of het Hof ver-plicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 24. Het legaliteitsbeginsel in strafzaken vereist dat de bevoegde regelgever een strafbaarstelling zo opstelt dat die bepaling als dusdanig gelezen of in samenhang met andere bepalingen op voldoende precieze wijze de als strafbare gestelde ge-draging omschrijft, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is. Aan de vereiste van de redelijke voorzienbaarheid is voldaan als het voor de persoon op wie de strafbaarstelling van toepassing is, mogelijk is om op grond van die bepa-ling, zo nodig met behulp van de uitlegging die de rechterlijke instanties daarvan hebben gegeven, de handelingen en verzuimen te kennen die strafrechtelijke aan-sprakelijkheid meebrengen. 25. Het is, gelet op de wijze waarop de uitzonderingen op de tachograafver-plichting zijn omschreven in artikel 13.1.
- h)Verordening (EG) nr. 561/2006 en ar-tikel 6, sub
- f)KB Uitvoering Verordening (EG) nr. 561/2006, zoals toen toepasse-lijk, en de in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie hieraan gegeven uitlegging, redelijk voorzienbaar dat wordt geoordeeld dat voertuigen, gebruikt in het kader van particuliere commerciële rioleringswerken niet onder deze uitzonderingsregeling vallen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel van de eiseres II.2 26. Het middel dat dezelfde strekking heeft als het derde middel, tweede onderdeel, van de eiser II.1, dient om de redenen vermeld in het antwoord daarop te worden verworpen. Ambtshalve onderzoek 27. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 145,81 euro, waarvan de eiser I 72,90 euro ver-schuldigd is, en de eisers II 72,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. V. Vanden Hende I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.1 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210920.3F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140409.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170425.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180522.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200929.2N.4 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210920.3F.6 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221129.2N.1 ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260422.2F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div