id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.3 Rolnummer: P.19.0042.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 247 - laatst gezien 2026-06-28 06:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche De appelrechters die ertoe gehouden zijn aan het bij hen regelmatig aanhangig gemaakte feit de juiste omschrijving te geven met inbegrip van de datum of de tijdsperiode, kunnen voor dat feit een langere incriminatieperiode dan de eerste rechter aannemen zonder dat deze beslissing met eenparige stemmen moet worden genomen indien de strafbare feiten hierdoor niet worden vermeerderd
(1).
(1)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, nr.
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Rechtspleging in hoger beroep Vrije woorden: Eenstemmigheid - Grens Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 211bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.19.0042.N K. U., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Steven Vandebroek, advocaat bij de balie Limburg, tegen Bert VANDENREYT, met kantoor te 3583 Beringen (Paal), Paalsesteenweg 133 en Michael WARSON, met kantoor te 3500 Hasselt, Kunstlaan 18, bus 6, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement van RENODAK bvba, burgerlijke partijen, verweerders, met als raadsman mr. Tom Van Overbeke, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 19 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van objectieve onpartijdigheid: het arrest spreekt ten onrechte de nietigheid van de strafvordering dan wel de rechtspleging niet uit; raadsheer Fontaine nam op de rechtszitting van 3 oktober 2018 kennis van de zaak waarin zij ook in eerste aanleg had gezeteld; op deze rechtszitting is de eiser im-mers ondervraagd, heeft de burgerlijke partij gepleit en het openbaar ministerie gevorderd; het gegeven dat deze zaak op een latere rechtszitting in zijn geheel werd hernomen, verhindert niet dat eisers recht op een eerlijk proces en een onaf-hankelijke en onpartijdige rechter werd miskend.
- Het loutere feit dat een rechter in hoger beroep kennis neemt van een zaak waarin hij ook in eerste aanleg heeft gezeteld, maar in deze zaak geen vonnis velt, leidt niet tot de onontvankelijkheid van de strafvordering. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het loutere feit dat een rechter in hoger beroep kennis neemt van een zaak waarin hij ook in eerste aanleg heeft gezeteld, al zou het een schending van artikel 6 EVRM uitmaken, kan de eiser niet schaden indien het vonnis waartoe de rechts-pleging leidt niet door hem werd gewezen. De aangevoerde onwettigheid kan niet tot cassatie leiden. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 292 Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van het verbod op cumulatie van rechterlijke ambten en het verbod om als rechter ten gronde tweemaal kennis te nemen van dezelfde zaak in verschillende hoedanigheden: het arrest spreekt ten onrechte de nietigheid van de strafvordering dan wel de rechtspleging niet uit; raadsheer Fontaine nam op de rechtszitting van 3 oktober 2018 kennis van de zaak waarin zij ook in eerste aanleg had gezeteld; op deze rechtszitting is de eiser immers ondervraagd, heeft de burgerlijke partij gepleit en het openbaar ministerie gevorderd; het gegeven dat deze zaak op een latere rechtszitting in zijn geheel werd hernomen, verhindert niet dat een inbreuk werd gepleegd op het verbod van cumulatie van gerechtelijke ambten.
- Artikel 292, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Nietig is het vonnis, gewezen door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis heeft genomen van de zaak". Dit cumulatieverbod viseert de rechter die uitspraak doet in een geschil waarvan hij, bij de uitoefening van een ander rechterlijk ambt, reeds kennis heeft genomen. Het heeft geen betrekking op de rechter die op een rechtszitting in hoger beroep kennis neemt van een zaak waarvan hij in eerste aanleg reeds kennis had genomen, maar die geen deel uitmaakt van de zetel die na herneming van deze zaak het vonnis velt. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest werd gewezen door de raadsheren De Moor, Verschueren en Van Raemdonck, die op de rechtszitting van 16 november 2018 de zaak hebben her-nomen, waarna het openbaar ministerie heeft gevorderd, de partijen werden ge-hoord en de zaak in beraad werd genomen. Aldus heeft raadsheer Fontaine geen uitspraak gedaan in deze zaak. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest neemt voor de telastleggingen A.I en A.II een langere misdrijfperi-ode in aanmerking dan de eerste rechter; aldus hervormen de appelrechters een vrijspraak, zonder deze beslissing met eenparigheid van stemmen uit te spreken.
- De appelrechters die ertoe gehouden zijn aan het bij hen regelmatig aanhan-gig gemaakte feit de juiste omschrijving te geven met inbegrip van de datum of de tijdsperiode, kunnen voor dat feit een langere incriminatieperiode dan de eerste rechter aannemen zonder dat deze beslissing met eenparige stemmen moet worden genomen indien de strafbare feiten hierdoor niet worden vermeerderd. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters oordelen dat de incriminatieperiode van het feit A.I en A.II wat het gebruik van valse stukken betreft, dient te worden aangevuld als volgt: "het gebruik minstens voortdurend tot 03.07.2013", maar dat deze aanpassing de aanhangige feiten niet wijzigt. Die beslissing vereist geen eenparigheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. V. Vanden Hende I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div