← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.6 Rolnummer: P.19.0200.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 342 - laatst gezien 2026-06-28 06:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het toepassingsgebied van artikel VI.106, 2°, Wetboek van economisch recht, dat bepaalt dat onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen elke reclame van een onderneming verboden is die essentiële informatie over de gevolgen van het door de bestemmeling gegeven antwoord verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft, of die de eigenlijke commerciële bedoeling, wanneer die niet blijkt uit de context, verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft, is niet beperkt tot het ronselen van reclame voor frauduleuze internetgidsen. Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Verboden reclame - Artikel VI.106, 2°, Wetboek economisch recht - Toepassingsgebied - Grens Wettelijke bepalingen: Wet - 14-07-1991 - Art. 94/2, 13° - 30 ELI link Pub nr 1991011261 Wet - 06-04-2010 - Art. 97, 2° - 03 ELI link Pub nr 2010011166 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.106, 2° - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. P.19.0200.N PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE BRUSSEL, eiser, tegen KEYWARE SMART CARD DIVISION nv, met zetel te 1930 Zaventem, Ika-roslaan 24, beklaagde, verweerster, met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 5 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 66 Strafwetboek: het arrest vereist voor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verweerster voor de telastlegging A ten onrechte dat zij de natuurlijke persoon B heeft aange-zet tot het plegen van een misdrijf, wat een deelnemingsvorm is als bedoeld door artikel 66, vierde lid, Strafwetboek: het oordeelt immers dat het materiële feit van de vervalsing slechts aan de verweerster als mededader kan worden toegeschreven als blijkt dat zij B zou hebben aangezet tot het plegen van het misdrijf, terwijl niet is geweten of zij B heeft opgedragen het originele contract te vervalsen en er om dezelfde reden geen zekerheid is betreffende het bedrieglijk opzet; het arrest neemt dan ook aan dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verweerster afhangt van de door artikel 66, vierde lid, Strafwetboek bedoelde deelnemingsvorm en bijgevolg een actieve handeling vereist, zodat een nalaten niet volstaat; het opzet bij een rechtspersoon is bewezen indien blijkt dat de leidinggevende organen kennis hadden van het opzet om de schuldige handeling te stellen en ermee hebben ingestemd.
  3. Het arrest oordeelt niet alleen zoals het middel vermeldt. Het oordeelt ook dat er onvoldoende gegevens zijn om aan te nemen dat het laten plegen van de valsheid en het middels deze valsheid streven naar een onrechtmatig voordeel volgt uit een wetens en willens genomen beslissing binnen de gezagsstructuur van de verweerster, hetzij een gevolg is van een binnen haar beleidsorganen georgani-seerde nalatigheid. Aldus stelt het wettig het ontbreken vast van het schuldbe-standdeel bij de verweerster voor het plegen van de door de telastlegging A be-doelde valsheid en verantwoordt het die beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel in zijn geheel
  4. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: door niet te onderzoeken of in overweging te nemen dat het zich voordoen als verte-genwoordigers van een andere firma desgevallend als een listige kunstgreep of een element daarvan kan worden gekwalificeerd, komt het arrest tekort aan zijn motiveringsverplichting en is de beslissing dat de telastleggingen B en C niet be-wezen zijn, niet naar recht verantwoord; de voor oplichting vereiste bedrieglijke middelen kunnen hetzij het gebruik van een valse naam hetzij het gebruik van een valse hoedanigheid hetzij de aanwending van listige kunstgrepen zijn; het arrest kan niet volstaan met de reden dat het zich voordoen als vertegenwoordigers van een andere concurrerende onderneming niet te kwalificeren is als het gebruik van een valse naam of van een valse hoedanigheid en dus nalaten te onderzoeken of dat niet te kwalificeren valt als een listige kunstgreep of een element daarvan. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest vereist voor het bestaan van het gebruik van een valse hoedanigheid in de zin van artikel 496 Strafwetboek ten onrechte dat er sprake moet zijn van een expliciete leugen over die hoedanigheid; met het oordeel dat het verzwijgen van de werkelijke hoedanigheid, het in de waan laten over die hoedanigheid of het doen uitschijnen dat men een bepaalde hoedanigheid heeft, niet kan worden gelijkgesteld met de expliciete leugen die noodzakelijk is voor de valse hoedanigheid, voegt het arrest een voorwaarde toe die niet is bepaald in artikel 496 Strafwetboek; het gebruik van een valse hoedanigheid volstaat zonder dat moet worden aangetoond dat de dader zijn toevlucht heeft genomen tot bedrieglijke handelingen; het staat vast dat de vertegenwoordigers van de verweerster door zich voor te doen als vertegenwoordigers van een andere firma, de slachtoffers bewust hebben misleid en bij hen het vertrouwen hebben ingeboezemd dat aan die hoedanigheid is verbonden, waardoor zij werden overgehaald hun handtekening te plaatsen op het document dat hen werd voorgelegd en waarop de naam van de verweerster was afgedekt; het gebruikte bedrieglijke middel was bepalend voor de afgifte.
  5. Het arrest oordeelt niet enkel zoals wordt vermeld in de onderdelen, maar ook dat in ieder geval moet worden aangetoond dat de werknemers van de ver-weerster en bij de uitbreiding de verweerster zelf doelbewust het bedoelde be-drieglijk middel hebben aangewend, wat voor de verweerster niet het geval is (ar-rest, p. 34-35, nr. 17). Het middel dat in zijn beide onderdelen nalaat dit oordeel te bekritiseren, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Tweede onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel VI.106, 2°, Wetboek van economisch recht: het arrest geeft aan het zeer brede en in algemene termen ge-formuleerde toepassingsgebied van deze bepaling een niet door de wet of de wetsgeschiedenis bedoelde beperkende interpretatie, zodat de op die grond ver-leende vrijspraak voor de telastlegging E niet naar recht verantwoord is; noch uit de formulering van deze bepaling noch uit de wetshistoriek kan worden afgeleid dat het de bedoeling was van de wetgever om het toepassingsgebied van de bepa-ling te beperken tot een zeer specifieke context, namelijk de problematiek van de frauduleuze internetgidsen; uit de wetsgeschiedenis van artikel 94/2, 13°, van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument (hierna Handelspraktijkenwet), zoals vervangen door artikel 13 van de wet van 5 juni 2007 tot wijziging van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument, bepaling die vervolgens werd opgenomen in artikel 97, 2° van de wet van 6 april 2010 betreffende de marktpraktijken en consumentenbescherming (hierna Marktpraktijkenwet) en ten slotte in artikel VI.106, 2°, Wetboek van eco-nomisch recht blijkt dat de problematiek van de frauduleuze internetgidsen slechts als voorbeeld werd aangehaald en niet om het toepassingsgebied van de strafbaar-stelling in te perken.
  7. Artikel 94/2, 13°, Handelspraktijkenwet, zoals vervangen door artikel 13 van de voormelde wet van 5 juni 2007 met ingang van 1 december 2007, bepaalde dat onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen onder verkopers elke reclame verboden is die in promotiemateriaal essentiële informatie over de gevolgen van het door de bestemmeling gegeven antwoord verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft, of die de eigenlijke commerciële bedoeling, wanneer die niet blijkt uit de context, verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft. Die bepaling werd opgeheven met ingang van 12 mei 2010 door artikel 138, 1°, Marktpraktijkenwet. Artikel 97, 2°, Markpraktijkenwet, dat in werking is getreden op 12 mei 2010, be-paalde dat onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen elke re-clame van een onderneming verboden is die essentiële informatie over de gevolgen van het door de bestemmeling gegeven antwoord verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft, of die de eigenlijke commerciële bedoeling, wanneer die niet blijkt uit de context, verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft. Deze bepaling werd met ingang van 31 mei 2014 opgeheven door arti-kel 8 van de wet van 21 december 2013 houdende invoeging van boek VI "Marktpraktijken en consumentenbescherming" in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van de definities eigen aan boek VI, en van de rechtshandhavingsbepalingen eigen aan boek VI, in de boeken I en XV van het Wetboek van economisch recht. Artikel VI.106, 2°, Wetboek van economisch recht, zoals ingevoegd bij artikel 3 van de voormelde wet van 21 december 2013 met ingang van 31 mei 2014, be-paalt dat onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen elke reclame van een onderneming verboden is die essentiële informatie over de gevolgen van het door de bestemmeling gegeven antwoord verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weergeeft, of die de eigenlijke commerciële bedoeling, wanneer die niet blijkt uit de context, verborgen houdt of op weinig duidelijke wijze weer-geeft.
  8. Hoewel uit de wetsgeschiedenis van deze bepalingen en in het bijzonder van de voormelde wet van 5 juni 2007 kan worden afgeleid dat de wetgever met deze bepaling onder meer het ronselen van reclame voor frauduleuze internetgidsen wilde aanpakken, volgt zowel uit de tekst van deze bepalingen als uit hun wetsge-schiedenis niettemin dat het toepassingsgebied ervan niet is beperkt tot dergelijke praktijken. Het arrest dat oordeelt dat artikel VI.106, 2°, Wetboek van economisch recht niet van toepassing is op grond dat deze bepaling werd ingevoerd om frauduleuze internetgidsen aan te pakken en bijgevolg de met die bepaling geviseerde reclame een zeer specifieke context betreft en dus zonder te onderzoeken of de met de telastlegging E geviseerde feiten in het licht van de door deze bepaling gehanteerde omschrijving van de strafbaar gestelde handelingen aan die omschrijving beantwoorden, verantwoordt die beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Eerste onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt ten onrechte dat de met de telastleggingen D en E geviseerde feiten niet on-der het toepassingsgebied vallen van artikel VI.106, 2°, Wetboek van economisch recht omdat deze bepaling betrekking zou hebben op een zeer specifieke context, namelijk de reclameronselaars en in het leven werd geroepen om de problematiek van de frauduleuze internetgidsen aan te pakken; de ratio legis, de achterliggende reden of de ontstaansgeschiedenis van een wetsbepaling zijn evenwel onvoldoen-de om een geviseerd gedrag van het toepassingsgebied uit te sluiten; er moet re-kening worden gehouden met evoluties in de samenleving in het algemeen en op de economische markt in het bijzonder; nieuwe gedragingen of praktijken die men niet voor ogen had bij het uitvaardigen van een wetsbepaling kunnen wel degelijk onder een wetsbepaling worden gebracht; minstens motiveert het arrest niet of ui-terst gebrekkig waarom precies de met de telastlegging E vermelde feitelijke ge-draging niet onder het toepassingsgebied van de vermelde bepaling zou kunnen vallen; de vrijspraak voor de feiten van de telastleggingen D en E is dan ook niet naar recht verantwoord.
  10. Het onderdeel is weliswaar ook gericht tegen de voor de telastlegging D verleende vrijspraak, maar de ontwikkelde grieven hebben uitsluitend betrekking op de vrijspraak van de verweerster voor de telastlegging E. In zoverre kan het onderdeel niet leiden tot cassatie van de vrijspraak verleend voor de telastlegging D en is het niet ontvankelijk.
  11. Voor het overige kan het onderdeel niet leiden tot ruimere cassatie dan de cassatie op grond van het tweede onderdeel en behoeft het geen antwoord. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de verweerster vrijspreekt voor de te-lastlegging E. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Laat vier vijfden van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die beslissing over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 168,68 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. V. Vanden Hende I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.