← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7 Rolnummer: P.19.0237.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2020-05-27 Raadplegingen: 842 - laatst gezien 2026-06-29 11:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 6 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toegang tot de rechter volgt in de regel voor de rechterlijke overheden niet de verplichting om aan een beklaagde die tijdens de procedure in eerste aanleg was bijgestaan door een raadsman en die kennis heeft gekregen van het beroepen vonnis, alle vormvereisten voor het instellen van het hoger beroep aan die beklaagde ter kennis te brengen

(1); dat geldt ook voor de op straffe van verval van het hoger beroep voorgeschreven verplichting om binnen een welbepaalde termijn de nauwkeurig bepaalde grieven tegen de in eerste aanleg genomen beslissing schriftelijk in te dienen op de griffie.
(1)Zie: Cass. 30 mei 2018, AR P.18.0232.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2, AC 2018, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op toegang tot de rechter - Hoger beroep - Informatieverplichting voor de rechterlijke overheden - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Allerlei Vrije woorden: Recht op toegang tot de rechter - Informatieverplichting voor de rechterlijke overheden - Grens Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 203 en 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 3 Een appellant die na het afleggen van een verklaring van hoger beroep aan de gevangenisdirecteur of zijn gemachtigde in vrijheid wordt gesteld, kan het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift of grievenformulier indienen ter griffie van het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen of ter griffie van het appelgerecht, ook als de gevangenisdirecteur de akte van hoger beroep niet heeft bezorgd aan de griffie van het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen of de griffier die akte niet heeft overgeschreven. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Verklaring van hoger beroep aan de gevangenisdirecteur - Invrijheidstelling van de appellant - Indienen van het verzoekschrift of grievenformulier - Wijze Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 25-07-1893 - Artt. 1 en 2 - 30 ELI link Pub nr 1893072550 Tekst van de beslissing Nr. P.19.0237.N K R C, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 5 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grond-wet en artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest kan op grond van de vaststellingen die het bevat niet oordelen dat overmacht de eiser niet heeft belet tijdig een grievenformulier in te dienen; de appelrechters gaan verkeerdelijk ervan uit dat de eiser op het ogenblik van het aantekenen van het hoger beroep nog werd bijgestaan door een raadsman, wat niet blijkt uit het dossier; de appel-rechters stellen niet vast dat er nog bijstand was door een raadsman op het ogen-blik van het beroepen vonnis en evenmin daarna; zij konden dan ook niet oordelen dat de eiser de mogelijkheid had om overleg te plegen met zijn raadsman over het instellen van het rechtsmiddel; verder stellen de appelrechters niet vast dat de eiser werd ingelicht over de vereiste van het neerleggen van een grievenformulier; aan de eiser werd door de griffie geen grievenformulier overhandigd; opdat het recht op toegang tot de rechter voor een beklaagde en zijn recht van verdediging niet zouden zijn miskend, moeten hem de formele voorschriften voor het hoger beroep worden meegedeeld; bij het in ontvangstnemen van het hoger beroep moet de appellant erop worden gewezen dat hij een zekere nauwkeurigheid aan de dag moet leggen; de appelrechters die niet vaststellen dat de eiser werd gewezen op de noodzaak van het neerleggen van een grievenformulier, kunnen het niet-tijdig in-dienen van het grievenformulier aan hem niet verwijten; de motivering van het ar-rest is niet afdoende om te besluiten dat er geen overmacht kan worden aangeno-men.
  4. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiser op het ogenblik van het instel-len van het hoger beroep en ook daarna niet langer de bijstand genoot van zijn raadsman, komt het op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of ver-plicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
  5. Het arrest oordeelt dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat de eiser anders dan gebruikelijk geen grievenschrift zou hebben ontvangen in de gevange-nis op het ogenblik dat hij zijn verklaring van hoger beroep heeft afgelegd, de strafinformatie geen enkele objectieve aanwijzing bevat als zou dat niet zijn ge-beurd en de andersluidende bewering van de eiser eenzijdig en lukraak is, zodat de appelrechters die niet zomaar aannemen. In zoverre het onderdeel opkomt tegen die beoordeling van de feiten door het ar-rest, is het niet ontvankelijk.
  6. Uit artikel 6 EVRM en het door die bepaling gewaarborgde recht van toe-gang tot de rechter volgt in de regel voor de rechterlijke overheden niet de ver-plichting om aan een beklaagde die tijdens de procedure in eerste aanleg was bij-gestaan door een raadsman en die kennis heeft gekregen van het beroepen vonnis, alle vormvereisten voor het instellen van het hoger beroep aan die beklaagde ter kennis te brengen. Dat geldt ook voor de op straffe van verval van het hoger be-roep voorgeschreven verplichting om binnen een welbepaalde termijn de nauw-keurig bepaalde grieven tegen de in eerste aanleg genomen beslissing schriftelijk in te dienen op de griffie. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het arrest oordeelt niet alleen dat niet blijkt dat de griffie van de gevangenis aan de eiser geen grievenschrift heeft bezorgd, maar ook dat de eiser die op 6 juli 2018 uit het gevangenis werd ontslagen na zijn invrijheidstelling nog 28 dagen had om tijdig het grievenschrift in te dienen, hij vanaf het ogenblik van zijn vrijla-ting daarover met zijn raadsman - aan wie hij geen enkele fout verwijt - overleg kon plegen, de eiser na zijn vrijlating kennelijk niet het minste initiatief nam om dit te doen terwijl hem daartoe niets in de weg stond en de eiser Nederlandstalig is zodat ook op dit punt geen misverstanden of moeilijkheden konden ontstaan. Het arrest kon dan ook naar recht oordelen dat de door de eiser ingeroepen omstan-digheden bezwaarlijk als overmacht kunnen worden aangenomen en verantwoordt het die beslissing dan ook naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  8. Voor het overige is het aangevoerde motiveringsgebrek afgeleid uit de hier-boven vermelde vergeefs aangevoerde onwettigheden en is het onderdeel niet ont-vankelijk. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig, minstens dubbelzinnig gemotiveerd; het arrest oordeelt enerzijds dat eisers hoger beroep door de gevangenisdirectie werd geannuleerd en dat dit gege-ven onafhankelijk is van de wil van de eiser en door hem ook niet kon worden voorzien of voorkomen; het oordeelt anderzijds dat er geen objectieve aanwijzing bestaat die aantoont dat er geen grievenformulier werd meegegeven aan de eiser; beide oordelen zijn tegenstrijdig; indien het hoger beroep buiten medeweten van de eiser werd geannuleerd, heeft dit tot gevolg dat er geen noodzaak meer bestond om aan de eiser een grievenformulier te overhandigen, wat als dusdanig een objectieve aanwijzing vormt.
  10. In zoverre wordt aangevoerd dat de motivering dubbelzinnig is, zonder aan te geven in welke lezing het arrest wettig is en in welke andere lezing het onwettig is, is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  11. Tegenstrijdige redenen zijn redenen van eenzelfde rechterlijke beslissing die elkaar opheffen of teniet doen.
  12. Het arrest stelt vast dat er geen enkele objectieve aanwijzing is dat de eiser ter gelegenheid van het afleggen van zijn verklaring van hoger beroep op 4 juni 2018 in de gevangenis geen grievenschrift zou hebben ontvangen zoals gebruike-lijk. Het stelt ook vast dat de gevangenisdirectie op het ogenblik van de vrijlating van de eiser op 6 juni 2018 kennelijk de akte van hoger beroep op eigen initiatief heeft geannuleerd en dat een en ander onafhankelijk is van de wil van de eiser. Deze redenen heffen elkaar niet op of doen elkaar niet teniet en zijn dan ook niet tegenstrijdig. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 204, eer-ste lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het niet-tijdig indienen van het grievenschrift door de eiser niet door overmacht is veroor-zaakt; het arrest stelt vast dat het hoger beroep van de eiser pas op 11 oktober 2018 werd ingeschreven in het register van de correctionele griffie; aangezien ter griffie nog geen hoger beroep was gekend, kon de eiser onmogelijk ter griffie een grievenschrift indienen; gelet op zijn vrijlating uit de gevangenis op 6 juni 2018 kon hij ook ter griffie van de gevangenis geen grievenschrift meer indienen; er was dus een onmogelijkheid voor de eiser onafhankelijk van zijn wil.
  14. Krachtens artikel 203, § 1, eerste lid, Wetboek van Strafvordering dient een beklaagde zijn hoger beroep in te stellen door het afleggen van een verklaring op de griffie van de rechtbank die het heeft gewezen. Volgens artikel 204, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering dient de beklaagde zijn grievenschrift in op de voormelde griffie of rechtstreeks op de griffie van het appelgerecht. Volgens artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893 betreffende de aanteke-ning van hoger beroep van gedetineerde of geïnterneerde personen kunnen in de gevangenis opgesloten personen de verklaringen van hoger beroep in strafzaken en de verzoekschriften waarin nauwkeurig de grieven worden bepaald die tegen het vonnis worden ingebracht, doen aan de directeur van de instelling of zijn ge-machtigde. Volgens het derde lid van dit artikel hebben die verklaringen en ver-zoekschriften dezelfde uitwerking als die ter griffie of door de griffier ontvangen. Volgens artikel 1, zesde en zevende lid van dit artikel bezorgt de directeur of zijn gemachtigde de akte van hoger beroep of het verzoekschrift aan de griffie van de rechtbank waarvan de beslissing uitgaat, waartegen hoger beroep wordt ingesteld. Volgens artikel 2 van de wet van 25 juli 1893 schrijft de griffier de akte van hoger beroep onverwijld over in het register van de hogere beroepen.
  15. Uit deze bepalingen volgt dat een appellant die na het afleggen van een ver-klaring van hoger beroep aan de gevangenisdirecteur of zijn gemachtigde over-eenkomstig artikel 1, eerste lid, van de wet van 25 juli 1893, in vrijheid wordt ge-steld, het door artikel 204 Wetboek van Strafvordering bedoelde verzoekschrift of grievenformulier kan indienen ter griffie van het gerecht dat de beroepen beslis-sing heeft gewezen of ter griffie van het appelgerecht, ook als de gevangenisdirec-teur de akte van hoger beroep niet heeft bezorgd aan de griffie van het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen of de griffier die akte niet heeft overge-schreven. Het onderdeel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 204 Wetboek van Strafvordering: met het antwoord dat de eiser het laattijdig karakter van het indienen van het grievenschrift niet betwist, beantwoordt het arrest niet eisers in zijn appelconclusie gevoerd verweer dat aangezien de eiser de gevangenis had verlaten, hij onmogelijk het grievenformulier kon neerleggen op de gevangenisgriffie en evenmin op de correctionele griffie aangezien het hoger beroep daar vóór 11 oktober 2018 niet was gekend.
  17. Het middel verduidelijkt niet hoe en waarom het arrest artikel 6 EVRM en artikel 204 Wetboek van Strafvordering schendt. In zoverre is het middel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  18. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkle-den houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt. Met het geheel van redenen die het bevat, beantwoordt het arrest eisers verweer over overmacht die hem zou hebben belet tijdig het grievenschrift in te dienen, zonder dat het moet antwoorden op het in het middel vermelde verweer dat geen zelfstandig verweer vormde, maar slechts werd aangevoerd als argument ter staving van het overmachtsverweer. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  19. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 204 Wet-boek van Strafvordering: het arrest interpreteert het begrip overmacht te restrictief; dit begrip mag niet zodanig streng worden ingevuld dat het recht op toegang tot de rechter erdoor wordt aangetast; aan het recht op toegang tot de rechter mogen beperkingen worden opgelegd, maar enkel indien dat noodzakelijk is en het een legitiem doel dient; er moet een redelijk verband van proportionaliteit bestaan tussen de beperking en het legitieme doel; die toets moet toelaten overdreven for-malisme te verwerpen; het normdoel van het grievenformulier is een doelmatiger behandeling van strafzaken in hoger beroep; het normdoel dat het arrest in aan-merking neemt, namelijk de rechtszekerheid voor de samenleving en de benadeel-den, stemt niet overeen met het normdoel van de wetgever; het volstaat niet op al-gemene wijze te stellen dat artikel 204 Wetboek van Strafvordering het recht op toegang tot de rechter niet schendt, zoals het arrest doet, maar de appelrechters hadden in concreto en dus in het licht van de verschillende omstandigheden van de zaak moeten onderzoeken of eisers recht op toegang niet onrechtmatig werd beperkt.
  20. Het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht van toegang tot de rechter, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, belet de lid-staten niet het instellen van rechtsmiddelen afhankelijk te maken van voorwaar-den, voor zover die voorwaarden een wettig doel dienen en er een redelijke ver-houding bestaat tussen de opgelegde voorwaarden en het nagestreefde doel. Die voorwaarden mogen niet ertoe leiden dat het recht op het instellen van het rechts-middel in de kern wordt aangetast. Bij de toepassing van die voorwaarden mag de rechter niet overdreven formalistisch zijn zodat de billijkheid van de procedure wordt aangetast of overdreven soepel zodat de opgelegde voorwaarden inhouds-loos worden.
  21. Met de verplichting voor de appellant op straffe van verval van het hoger beroep de grieven tegen de beroepen beslissing kenbaar te maken, beoogt de wet-gever een doelmatiger behandeling van de strafzaken in hoger beroep, het vermij-den van nutteloze werklast en kosten door het niet langer voorleggen van niet-betwiste beslissingen aan de appelrechter en ten slotte de tegenpartijen en de ap-pelrechter in de gelegenheid te stellen te bepalen van welke beslissingen de appel-lant de hervorming wenst. Die verplichting, alsook de in artikel 204 Wetboek van Strafvordering duidelijk bepaalde verplichting om binnen de appeltermijn de grie-ven schriftelijk in te dienen ter griffie van het gerecht dat de beroepen beslissing heeft gewezen of ter griffie van het appelgerecht zodat snel zekerheid bestaat over de draagwijdte van het hoger beroep, dienen een wettig doel, respecteren een re-delijke verhouding tussen de opgelegde beperkingen en het nagestreefde doel en tasten het recht op hoger beroep in de kern niet aan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  22. Het arrest oordeelt onder meer dat: - het grievenstelsel van de artikelen 203 en 204 Wetboek van Strafvordering een doelmatige, tijdige en efficiënte afhandeling van strafzaken in hoger beroep beoogt en dat ter zake geldende voorwaarden geenszins excessief zijn of een onevenredige beperking vormen van het recht op toegang tot de rechter; - het grievenschrift kan worden ingediend gedurende een termijn van dertig dagen, dat daartoe zowel op de griffie van de gevangenis als op de griffie van de rechtbanken van eerste aanleg kosteloos daartoe geëigende formulieren worden ter beschikking gesteld; - de eiser niet aannemelijk maakt dat hij een dergelijk formulier niet zou hebben ontvangen; - er ook moet rekening worden gehouden met het belang van de rechtszekerheid voor de samenleving in het algemeen en voor de benadeelden van een misdrijf in het bijzonder en met het gegeven dat deze als gevolg van de nalatigheid van de eiser zelf niet in een blijvende onzekerheid mogen worden gelaten be-treffende de veroordeling van de eiser en de gevolgen die dat voor hen heeft; - het dan ook niet disproportioneel is om de eiser, die wist dat hij was veroor-deeld tot een effectieve gevangenisstraf van zes jaar, maar ingevolge zijn op-eenvolgende nalatigheden binnen de wettelijk bepaalde termijn geen grieven-schrift heeft ingediend, vervallen te verklaren van zijn hoger beroep. Met die redenen, waaruit blijkt dat de appelrechters wel degelijk rekening houden met de omstandigheden van de zaak, verantwoordt het arrest de beslissing dat de vervallenverklaring van het hoger beroep niet strijdig is met het recht op toegang tot de appelrechter, naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  23. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn nageleefd en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. V. Vanden Hende I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230509.2N.7 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180530.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.