← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.8 Rolnummer: P.19.0238.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2019-06-11 Raadplegingen: 550 - laatst gezien 2026-06-28 08:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het algemeen opzet van de Jeugdbeschermingswet en de finaliteit van de onderzoeken die zij toestaat, sluiten uit dat de stukken van de procedures die de jeugdrechtbank kan hanteren en die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en op het milieu waarin hij leeft, worden aangewend voor eender welk ander doel dan dat waarvoor ze werden uitgevoerd, zodat deze niet kunnen worden aangevoerd ter beoordeling van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de ouders van de minderjarige

(1).
(1)Cass. 19 mei 1993, AR P.93.0149.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930519.16, AC 1993, nr.
  1. Thesaurus CAS: JEUGDBESCHERMING Vrije woorden: Procedures voor de jeugdrechtbank - Stukken met betrekking tot de persoonlijkheid en het milieu van de minderjarige - Aanwending - Grens - Toepassing Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - Artt. 50 en 55 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Vrije woorden: Burgerlijke rechtsvordering tegen de burgerrechtelijk aansprakelijke ouders - Stukken met betrekking tot de persoonlijkheid en het milieu van de minderjarige - Aanwending Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - Artt. 50 en 55 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Jeugdbescherming - Vordering tegen de burgerrechtelijk aansprakelijke ouders - Stukken met betrekking tot de persoonlijkheid en het milieu van de minderjarige - Aanwending Wettelijke bepalingen: Wet - 08-04-1965 - Artt. 50 en 55 - 03 ELI link Pub nr 1965040806 Tekst van de beslissing Nr. P.19.0238.N
  2. K R, vader van de minderjarige en burgerrechtelijk aansprakelijke partij,
  3. L R, moeder van de minderjarige en burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eisers, beiden met als raadsman mr. Tom De Meester, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Professor Roger Van Overstraetenplein 2, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, jeugdkamer, van 14 februari
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest steunt de bewezenverklaring van de telastlegging A op de vaststelling dat "de eerste rechter er wel degelijk van (mocht) uitgaan dat sigaretten niet langer ergens in de winkel in een onbewaakt rek zijn ondergebracht"; de appelrechter verduidelijkt niet of dit feitelijk gegeven een algemeen bekend feit betreft, een eigen vaststel-ling van de appelrechter is, dan wel uit het strafdossier of het onderzoek op de rechtszitting blijkt en heeft dit gegeven ten onrechte niet aan de tegenspraak on-derworpen.
  6. De rechter die aanneemt dat sigaretten niet langer ergens in de winkel in een onbewaakt rek worden ondergebracht, maakt melding van een gegeven dat van algemene bekendheid is. Dergelijke gegevens worden door hun aard beschouwd als integraal deel uitmakend van het debat voor de strafrechter. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: in hun appel-conclusie hebben de eisers aangevoerd dat de eerste rechter ten onrechte ervan is uitgegaan dat sigaretten zich in de desbetreffende Sparwinkel achter de kassa be-vonden vermits de plaatsgesteldheid van winkel tot winkel verschilt; het arrest laat dit verweer onbeantwoord; verder verduidelijkt de appelrechter ook niet of het feitelijk gegeven dat "sigaretten niet langer aanwezig zijn in een warenhuis op een vrij toegankelijk schab" een algemeen bekend feit betreft, een eigen vaststelling van de appelrechter is, dan wel uit het strafdossier of het onderzoek op de rechtszitting blijkt.
  8. Met het oordeel dat "de eerste rechter er wel degelijk van (mocht) uitgaan dat sigaretten niet langer ergens in de winkel in een onbewaakt rek zijn onderge-bracht", beantwoordt het arrest het in het onderdeel vermelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  9. Voor het overige heeft het onderdeel eenzelfde strekking als het eerste on-derdeel en is het om de redenen uiteengezet in het antwoord op dit onderdeel te verwerpen. Tweede middel Eerste onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 55 Jeugdbeschermingswet: het arrest laat de eisers ten onrechte niet toe gegevens die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de minderjarige en het milieu waarin hij leeft, aan te voeren ter weerlegging van het aansprakelijkheidsvermoeden dat krachtens artikel 1384, tweede lid, Burgerlijk Wetboek op hen als ouders rust; ar-tikel 55 Jeugdbeschermingswet ontzegt de burgerrechtelijk aansprakelijke partijen immers niet het recht om deze gegevens uit het persoonlijkheidsdossier van de minderjarige te gebruiken in een gerechtelijke procedure.
  11. Krachtens de artikelen 50 en 55 Jeugdbeschermingswet hebben de stukken van de procedures die de jeugdrechtbank kan hanteren en die betrekking hebben op de persoonlijkheid van de betrokken minderjarige en op het milieu waarin hij leeft, enkel tot doel om, in het belang van de minderjarige, de modaliteiten te be-palen voor het beheer van zijn persoon of zijn middelen die voor zijn opvoeding of behandeling geschikt zijn.
  12. Het algemeen opzet van de Jeugdbeschermingswet en de aldus verduidelijk-te finaliteit van de onderzoeken die zij toestaat, sluiten uit dat die stukken worden aangevoerd ter beoordeling van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de ou-ders van de minderjarige.
  13. De aard van de onderzoeken, de inmenging die dat betekent in het privé- en gezinsleven en de vertrouwelijkheid die de wet eraan toekent teneinde de over-dracht van een volledig opsporingsonderzoek aan de opdrachtgevende overheid te garanderen, verbieden de aanwending ervan voor eender welk ander doel dan dat waarvoor ze werden uitgevoerd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1384, tweede en vijfde lid, Burgerlijk Wetboek: het arrest laat de eisers ten onrechte niet toe de gegevens uit het persoonlijkheidsdossier van hun minderjarige zoon aan te voeren ter weerleg-ging van het aansprakelijkheidsvermoeden van voormeld artikel 1384, tweede lid; met de reden dat "het persoonlijkheidsdossier een inbreuk op het privé- en gezins-leven van de betrokkenen impliceert", motiveert het arrest deze weigering niet naar recht vermits ook de weerlegging van het aansprakelijkheidsvermoeden betrekking heeft op de opvoeding van het kind en aldus het privé- en gezinsleven betreft.
  15. Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel vermeldt. Het oordeelt te-vens dat het onderzoek vervat in het persoonlijkheidsdossier is gevoerd met een specifieke finaliteit, met name het nemen van een gepaste jeugdbeschermings-maatregel, terwijl de ouders in deze een materieel belang verdedigen dat strijdig is met het belang van de minderjarige, namelijk het afwentelen van hun burgerlijke verantwoordelijkheid. Met deze redenen verantwoordt de appelrechter de beslis-sing tot afwijzing van eisers' voormeld verzoek naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  16. In zoverre het onderdeel verder is afgeleid uit de in het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is het niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  17. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eisers geen enkel ar-gument aanvoeren om het vermoeden van aansprakelijkheid te weerleggen; in hun appelconclusie hebben de eisers verschillende argumenten daartoe aangevoerd, zodat de appelrechter de bewijskracht van deze conclusie miskent.
  18. Met de in het onderdeel vermelde reden, oordeelt de appelrechter niet dat de eisers geen argumenten aanvoeren, maar wel dat de door deze partijen aangevoerde argumenten niet volstaan om het aansprakelijkheidsvermoeden te weerleggen. Aldus geeft hij van eisers' appelconclusie een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
  19. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt enerzijds dat de eisers geen gebruik kunnen maken van de gegevens uit het persoonlijkheidsdossier van hun zoon en anderzijds dat zij wel de gelegenheid hadden om al hun middelen te laten gelden; deze redenen zijn tegenstrijdig.
  20. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de eisers, gelet op de fi-naliteit van het persoonlijkheidsdossier de gegevens vervat in dit dossier niet mo-gen aanvoeren bij hun verweer tot afwijzing van hun burgerrechtelijke verant-woordelijkheid en, anderdeels, dat zij binnen deze grenzen de gelegenheid hadden al hun middelen te laten gelden. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  21. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Peter Hoet, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 4 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. V. Vanden Hende I. Couwenberg S. Berneman P. Hoet F. Van Volsem P. Maffei PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190604.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930519.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.