id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190607.4 Rolnummer: C.18.0518.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Overige Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 257 - laatst gezien 2026-06-28 06:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien de beslissende eed overeenkomstig artikel 1358 Burgerlijk wetboek kan worden opgedragen omtrent alle geschillen van welke aard ook, komt het aan de rechter toe om over de opportuniteit en de toelaatbaarheid van dit bewijsmiddel te oordelen, waarbij de rechter souverein oordeelt of deze voorwaarden vervuld zijn, met dien verstande dat deze beoordeling door het Hof marginaal kan worden getoetst. Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Eed Vrije woorden: Beslissende eed - Opportuniteit en toelaatbaarheid - Beoordeling door de rechter - Omvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1358 Thesaurus CAS: CASSATIE - BEVOEGDHEID VAN HET HOF - Algemeen Vrije woorden: Burgerlijke zaken - Eed - Beslissende eed - Opportuniteit en toelaatbaarheid - Beoordeling door de rechter - Taak van het Hof Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Art. 1358 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0518.N P.S. eiser, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassa-tie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149/20, waar de eiser woonplaats kiest, tegen B.V. verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 9 mei
- Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Artikel 1347, tweede lid, Burgerlijk Wetboek beschouwt als begin van be-wijs door geschrift elk geschrift dat is uitgegaan van degene tegen wie de vorde-ring wordt ingesteld en waardoor het beweerde feit waarschijnlijk wordt ge-maakt. De rechter oordeelt weliswaar in feite of het hem voorgelegde geschrift het beweerde feit al dan niet waarschijnlijk maakt en derhalve een begin van be-wijs door geschrift uitmaakt, maar het staat aan het Hof na te gaan of de rechter het wettelijk begrip waarschijnlijkheid niet heeft miskend.
- De appelrechter die vaststelt dat uit de bij de door de partijen gesloten le-ningsovereenkomst gevoegde aflossingstabel blijkt dat de verweerster elke afbe-taling in de periode tussen 13 mei 2012 en 5 februari 2013 op de tabel door-streepte en parafeerde voor ontvangst van de betaling en dat vanaf de 39ste afbe-taling alleen op de tabel van de eiser enkel diagonale strepen werden aangebracht door de verschuldigde bedragen "zonder dat die doorstreping gepaard ging of bevestigd wordt door een paraaf van [de verweerster]", verantwoordt naar recht zijn beslissing dat de aflossingstabel geen begin van bewijs door geschrift in de zin van artikel 1347 Burgerlijk Wetboek oplevert voor de betalingen na juni
- Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Met de in het onderdeel aangehaalde bewoordingen van het arrest geeft de appelrechter te kennen dat de eiser op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat hij het resterende saldo van de lening in een keer in contanten zou hebben be-taald aan de verweerster. Het onderdeel dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Indien de beslissende eed overeenkomstig artikel 1358 Burgerlijk Wetboek kan worden opgedragen omtrent alle geschillen van welke aard ook, komt het aan de rechter toe om over de opportuniteit en de toelaatbaarheid van dit be-wijsmiddel te oordelen. De rechter oordeelt soeverein of deze voorwaarden ver-vuld zijn, met dien verstande dat deze beoordeling door het Hof marginaal kan worden getoetst.
- De appelrechter die vaststelt dat de eiser "geen enkel antwoord biedt op de vragen waar, wanneer, hoe de door hem voorgehouden algehele regeling van het resterend bedrag van de lening zou zijn afbetaald" en "de gedingbeslissende eed of een schriftonderzoek, (...) bezwaarlijk op het trekken van diagonale strepen betrekking zou kunnen hebben" en die op grond hiervan oordeelt dat het verzoek van de eiser om aan de verweerster de gedingbeslissende eed op te leggen niet nuttig is, verantwoordt zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- De eiser heeft geconcludeerd zoals in het middel is weergegeven. Het arrest beantwoordt dit verweer niet. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, eenparig beslissend, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt over de gerechtskosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.333,37 euro in debet. Houdt de overige kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de fei-tenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en raadsheer Koen Mestdagh, en in openbare rechtszitting van 7 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bos-sche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190607.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div