id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.2 Rolnummer: P.19.0111.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-18 Raadplegingen: 403 - laatst gezien 2026-06-28 06:26 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het door artikel 32 Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist geen bijzonder opzet zodat het noodzakelijk is maar volstaat dat de dader wetens het motorvoertuig heeft toevertrouwd aan een persoon, die niet is voorzien van een rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs; wetens in de zin van deze bepaling handelt niet alleen hij die met kennis van zaken een motorvoertuig toevertrouwt aan een persoon die niet voorzien is van een rijbewijs, maar ook hij die door zijn schuld niet weet of de derde aan wie hij het voertuig toevertrouwt wel beschikt over het vereiste rijbewijs
(1).
(1)Cass. 26 maart 2019, AR P.18.1264.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.3, AC 2019, nr.
- Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 32 Vrije woorden: Toevertrouwen van een voertuig aan een persoon niet voorzien van het rijbewijs - Opzet - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0111.N TRIPPAERS nv, met zetel te 3600 Genk, Eikelaarstraat 24, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Mathias Dendievel, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 7 januari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 45bis Wegverkeersreglement. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis niet motiveert dat er een moreel element, constitutief bestanddeel van het misdrijf, aanwezig is wat be-treft de inbreuk op artikel 45bis Wegverkeersreglement (telastlegging E), alhoe-wel dit werd betwist met onder meer het grievenformulier.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser het bedoelde verweer voor de appelrechters heeft aangevoerd. Bij ontstentenis van daartoe strekkende conclusie, hoeft het bestreden vonnis de aanwezigheid van het moreel bestanddeel van het misdrijf niet bijzonder te motiveren. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat in zoverre wordt aangenomen dat de aanwe-zigheid van een moreel bestanddeel wordt gemotiveerd, het bestreden vonnis dit in elk geval niet formuleert wat betreft de schuld van de eiseres, maar enkel voor de medebeklaagde.
- Het onderdeel dat is afgeleid van de met het eerste onderdeel vergeefs aan-gevoerde grief, is niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis beantwoordt niet het verweer van de eiseres dat de decumulregeling van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek moet worden toegepast.
- In haar grievenformulier verwijst de eiseres enkel voor wat betreft de toe-passing van de telastlegging E naar artikel 5 Strafwetboek. In zoverre het onderdeel ook aanvoert dat zij dit verweer heeft gevoerd met be-trekking tot de telastlegging F, mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat wanneer de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk wordt gesteld uitslui-tend wegens het optreden van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, enkel de-gene die de zwaarste fout heeft begaan kan worden veroordeeld en dat indien de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout wetens en willens heeft gepleegd hij samen met de verantwoordelijke rechtspersoon wordt veroordeeld.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat wat het probleem van de spanriemen be-treft (telastlegging E) D.B. stelde dat het spannen van die riemen veel tijd in be-slag nam en dat op de chauffeurs een enorme druk lag om snel te geraken op de plaats waar ze dienden te lossen binnen een afstand van 3 km. Met die reden geeft het bestreden vonnis te kennen dat de zwaarste fout ligt bij de eiseres als rechtspersoon en beantwoordt het de aanvoering van de eiseres betreffende de toepassing van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, zoals van toepassing: in zoverre wordt aangenomen dat het bestreden vonnis wat betreft het hier toepasselijke artikel 5, tweede lid, Strafwetboek, is gemotiveerd, is die motivering niet coherent en kan op grond daarvan de decumul niet wettig worden uitgesloten; uit de redenen van het be-streden vonnis kan enkel worden afgeleid dat D.B, die in hoger beroep niet meer in zake is, de zwaarste fout heeft begaan en dus niet dat die bij de eiseres ligt.
- De afwezigheid in hoger beroep van de natuurlijke persoon die in eerste aanleg schuldig is verklaard aan het misdrijf dat ook aan de rechtspersoon wordt verweten, belet de appelrechter, die oordeelt dat dit misdrijf is bewezen lastens de rechtspersoon, niet om met het oog op de toepassing van artikel 5, tweede lid, Strafwetboek de zwaarte van de fouten van de natuurlijke persoon en de rechts-persoon te vergelijken. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, verant-woordt het bestreden vonnis de beslissing dat de zwaarste fout bij de eiseres ligt naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 32 Wegverkeerswet: met het oordeel dat de eiseres moest of heeft kunnen weten dat haar werknemer niet meer over een geldig rijbewijs beschikte, wat niet gelijk te stellen is met het wetens de inbreuk plegen, neemt het bestreden vonnis onwettig een bijzonder moreel opzet aan wat betreft de telastlegging F, inbreuk op artikel 32 Wegverkeerswet; het bestreden vonnis stelt immers niet vast of motiveert on-voldoende dat de eiseres effectief actieve kennis had dat de werknemer niet over het vereiste rijbewijs beschikte.
- Het door artikel 32 Wegverkeerswet bedoelde wanbedrijf vereist geen bij-zonder opzet. Het is noodzakelijk maar volstaat dat de dader wetens het motor-voertuig heeft toevertrouwd aan een persoon, die niet is voorzien van een rijbe-wijs of het als zodanig geldend bewijs. Wetens in de zin van deze bepaling han-delt niet alleen hij die met kennis van zaken een motorvoertuig toevertrouwt aan een persoon die niet voorzien is van een rijbewijs, maar ook hij die door zijn schuld niet weet of de derde aan wie hij het voertuig toevertrouwt wel beschikt over het vereiste rijbewijs. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met het oordeel dat de eiseres moest of heeft kunnen weten dat haar werk-nemer niet meer over een geldig rijbewijs beschikte, geeft het bestreden vonnis te kennen dat de eiseres het voertuig wetens aan die werknemer heeft toever-trouwd. Aldus stelt het bestreden vonnis wettig de aanwezigheid van het moreel bestanddeel van het misdrijf vast en is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de open-bare rechtszitting van 11 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van grif-fier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.3 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.36 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241106.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div