id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.4 Rolnummer: P.19.0508.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-06-18 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-06-28 06:26 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 12, 10°, Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen bepaalt dat de tenuitvoerlegging wordt geweigerd indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de beslissing afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten zoals vastgesteld in artikel 6 VEU; het met de Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen ingevoerde stelsel is gesteund op het beginsel van het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in de kwaliteit van de respectieve strafrechtsplegingen en er bestaat dan ook een vermoeden van inachtneming van de fundamentele rechten ten gunste van de beslissingsstaat, zodat de weigering de beslissing te erkennen en de tenuitvoerlegging te bevelen, enkel gerechtvaardigd is bij het op geloofwaardige wijze aanvoeren van omstandige elementen die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene, waardoor het voormelde vermoeden wordt weerlegd
(1).
(1)D. VAN DAELE, "De tenuitvoerlegging in België van een vrijheidsbenemende straf of maatregel opgelegd in een andere lidstaat van de Europese Unie", NC 2015, pp. 286- 300; S. NEVEU, "La reconnaissance mutuelle des peines et mesures privatives de liberté. Une nouvelle étape de la construction d'un espace judiciaire européen", JT 2012, pp. 665-669; S. NEVEU, "De la loi du 23 mai 1990 à la loi du 15 mai 2012: quelques développements récents en matière de transfert interétatique de l'exécution de la peine privative de liberté", Ann. Dr. Louvain, pp. 269-
- Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen - Wederzijdse erkenning van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie - Verplichte weigeringsgrond - Artikel 12, 10° - Afbreuk aan de fundamentele rechten vastgesteld in artikel 6 VEU - Vereiste van aanvoering van geloofwaardigheid - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Wederzijds vertrouwen van de lidstaten in de respectieve strafrechtsplegingen - Fundamentele rechten - Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen - Wederzijdse erkenning van de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie - Verplichte weigeringsgrond - Artikel 12, 10° - Afbreuk aan de fundamentele rechten vastgesteld in artikel 6 VEU - Vereiste van aanvoering van geloofwaardigheid - Draagwijdte - Gevolg Fiche 3 De weigering een buitenlandse nationale strafbepaling, waarvan wordt aangevoerd dat ze strijdig is met het Europees recht, buiten toepassing te laten levert als dusdanig geen schending op van artikel 7 EVRM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 7 Vrije woorden: Legaliteitsbeginsel - Draagwijdte - Nationale strafbepaling van een Europese lidstaat - Aanvoering van strijdigheid met het Europees recht - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0508.N C G N, persoon die het voorwerp uitmaakt van een buitenlands vonnis dat is erkend en waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen, eiser, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de beschikking van de correctionele raadka-mer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 22 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 12, 10° en 16 van de wet van 15 mei 2012 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erken-ning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lid-staat van de Europese Unie (hierna Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbene-mende Straffen): de raadkamer oordeelt ten onrechte dat in zoverre een misken-ning wordt aangevoerd van het recht van verdediging en dat de veroordeling is gesteund op een deskundigenverslag dat inhoudelijk wordt betwist, zij geen rechtsmacht heeft; zij heeft op basis van de vermelde bepalingen die verwijzen naar artikel 6 van het Verdrag van de Europese Unie (VEU) wel degelijk rechts-macht om na te gaan of fundamentele rechten zijn miskend; het oordeel dat ei-sers stelling de vernietiging zou impliceren van de buitenlandse beslissing is evenmin correct; de vaststelling dat zijn fundamentele rechten zijn miskend, leidt immers enkel tot de niet-erkenning en de niet-tenuitvoerlegging van het buitenlands vonnis; ook het oordeel dat enkel het Europees Hof voor de Rechten van de Mens bevoegd zou zijn voor de beoordeling van schendingen van het EVRM is strijdig met artikel 12, 10°, Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbe-nemende Straffen.
- Artikel 12, 10°, Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen bepaalt dat de tenuitvoerlegging wordt geweigerd indien er ernstige redenen be-staan om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de beslissing afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten zoals vastgesteld in artikel 6 VEU.
- Het met de Wet Wederzijdse Erkenning Vrijheidsbenemende Straffen in-gevoerde stelsel is gesteund op het beginsel van het wederzijdse vertrouwen van de lidstaten in de kwaliteit van de respectieve strafrechtsplegingen. Er bestaat dan ook een vermoeden van inachtneming van de fundamentele rechten ten gun-ste van de beslissingsstaat. De weigering de beslissing te erkennen en de tenuit-voerlegging te bevelen, is dan ook enkel gerechtvaardigd bij het op geloofwaar-dige wijze aanvoeren van omstandige elementen die wijzen op een kennelijk ge-vaar voor de fundamentele rechten van de betrokkene, waardoor het voormelde vermoeden wordt weerlegd.
- De raadkamer oordeelt niet alleen zoals het middel aanvoert, maar ook dat: - niet uit het oog mag worden verloren dat de wederzijdse erkenning van beslis-singen is gesteund op de wederzijdse erkenning van de soevereiniteit van de staten en dat er sprake moet zijn van ernstige schendingen om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de beslissing afbreuk zou doen aan fundamentele rechten; - de eiser een aantal onvolledige artikelen neerlegt welke zijn opgemaakt door organisaties die zich blijkbaar inlaten met de analyse van de naleving van mensenrechten; - er enkel kan worden vastgesteld dat algemene informatie over het function-eren van de rechterlijke macht in andere lidstaten slechts in aanmerking kan worden genomen indien ze de toets met het individuele geval doorstaat; - het openbaar ministerie terecht doet opmerken dat blijkens de stukken de eiser in elke instantie persoonlijk en met bijstand van een advocaat is ver-schenen en zijn verweer heeft kunnen voeren; - uit de neergelegde stukken blijkt dat de eiser de problematiek van het deskun-digenverslag heeft opgeworpen voor het hof van beroep te Bacau en dat in een tegensprekelijke procedure en op gemotiveerde wijze dit verzoek werd af-gewezen; - de beslissing om aanvullend onderzoek te bevelen een soevereine beslissing is van de rechter; - de omstandigheid dat de eiser zich niet kan verzoenen met de beslissing geenszins een miskenning van mensenrechten impliceert. Met deze redenen oordeelt de raadkamer dat de eiser niet erin slaagt aannemelijk te maken dat de beslissing die is erkend en waarvan de tenuitvoerlegging is be-volen, werd gewezen met miskenning van zijn fundamentele rechten. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige is het middel gericht tegen redenen die de beslissing niet schragen en kan het dus niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 7 EVRM: de raadkamer neemt geen standpunt in over eisers aanvoering dat de Roemeense wetgeving strijdig is met de Europese verordeningen; aldus aanvaardt de raadkamer de strijdigheid van die wetgeving met het Europees recht; op die manier miskent de raadkamer het Europees recht.
- De raadkamer oordeelt niet dat de Roemeense wetgeving strijdig is met het Europees recht. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van de beschikking en mist het feitelijke grondslag.
- De weigering een nationale strafbepaling, waarvan wordt aangevoerd dat ze strijdig is met het Europees recht, buiten toepassing te laten levert als dusda-nig geen schending op van artikel 7 EVRM. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die worden vermeld in het antwoord op het eerste middel, geeft de raadkamer te kennen dat het niet buiten toepassing laten van de Roe-meense strafbepalingen wegens strijdigheid met het Europees recht geen mis-kenning inhoudt van eisers fundamentele rechten. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het oordeel van de raadkamer dat eisers aanvoering dat de Roemeense rechter wat betreft het beve-len van een tegenexpertise geen beoordelingsvrijheid heeft, wordt tegengespro-ken door de gemotiveerde en op tegenspraak gewezen beslissing van het hof in Bacau, is strijdig met het vermoeden van onschuld; de rechters in Roemenië wa-ren vooringenomen omdat ze de tegenexpertise nooit hebben toegelaten; de raadkamer eigent zich die miskenning van het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging toe.
- Het middel dat is afgeleid uit de vergeefs met het eerste middel aange-voerde onwettigheid, is niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grond-wet: de raadkamer laat na eisers verweer te beantwoorden dat net als in de pro-cedure die heeft geleid tot de beschikking van een andere raadkamer waarbij de overlevering naar Roemenië werd geweigerd, er ook in de voorliggende procedu-re een risico bestond op de miskenning van de fundamentele rechten; het oordeel dat de toetsing die deze andere raadkamer heeft verricht niet pertinent is voor de voorliggende zaak is niet juist; bijgevolg miskent de raadkamer de motiverings-verplichting.
- De omstandigheid dat een partij het inhoudelijk niet eens is met het door de rechter gegeven antwoord op haar verweer, levert mogelijks een wetsschen-ding op, maar geen miskenning van de motiveringsverplichting. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grond-wet: de raadkamer laat na eisers verweer te beantwoorden dat Roemenië de Eu-ropese wetgeving niet heeft in acht genomen en dat daardoor zijn rechten zijn miskend, zodat de motiveringsverplichting niet wordt nageleefd.
- Uit het antwoord op het eerste en tweede middel volgt dat de raadkamer het bedoelde verweer wel heeft beantwoord. Het middel mist feitelijke grondslag. Zesde middel
- Het middel voert miskenning aan van de bewijskracht van akten: de raad-kamer oordeelt dat hoewel de eiser ter rechtszitting heeft voorgehouden dat ho-ger beroep werd aangetekend, ondanks herhaalde uitstellen, geen bewijs van dit hoger beroep werd geproduceerd; de eiser heeft in zijn conclusie aangegeven dat zijn asielaanvraag werd verworpen, maar dat hij tegen die beslissing hoger be-roep heeft aangetekend en de zaak nog aanhangig is; hij verwees daarvoor op de rechtszitting ook naar een stuk uit zijn stukkenbundel waaruit dit blijkt, ook al werd de zaak nog niet op de rol ingeschreven; de raadkamer miskent bijgevolg het beginsel van aan akten toekomend gezag.
- De raadkamer verwijst voor het niet-pertinent karakter van de beschikking van de andere raadkamer niet alleen naar de afwezigheid van een aangetoond ho-ger beroep, maar ook naar het fundamenteel verschil met de voorliggende zaak en naar het gegeven dat de beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwis-tingen hoe dan ook geen invloed zal hebben. Het middel dat nalaat deze dragende redenen te bekritiseren, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de open-bare rechtszitting van 11 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van grif-fier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div