← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5 Rolnummer: P.19.0524.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-06-18 Raadplegingen: 617 - laatst gezien 2026-06-19 05:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Bij de op de eerste beslissing volgende beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de internering, die in beginsel uiterlijk binnen het jaar moeten gebeuren, dient de kamer voor de bescherming van de maatschappij zich uit te spreken over het al dan niet nog bestaan van een geestesstoornis, indien zij daartoe door de geïnterneerde wordt uitgenodigd en bij de beoordeling van de aanvoering van een geïnterneerde dat hij niet langer meer getroffen is door een geestesstoornis en indien blijkt dat de geestesstoornis voldoende is gestabiliseerd en er nog steeds redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, kan de kamer voor de bescherming van de maatschappij de definitieve invrijheidstelling niet toekennen; indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis, komt het aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij toe te oordelen of, in het licht van het risico op het opnieuw plegen van door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven, alsook rekening houdend met de doelstellingen van artikel 5.1.e EVRM, een plaatsing nog wel noodzakelijk is en of het voormelde risico niet kan worden weggenomen door minder verdergaande uitvoeringsmaatregelen van de internering, zoals een invrijheidstelling op proef; indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en er niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, moet de kamer voor de bescherming van de maatschappij aan de geïnterneerde een definitieve invrijheidstelling toekennen, zelfs al is de door artikel 42, § 1, Interneringswet bepaalde proefperiode nog niet verstreken

(1).
(1)Cass. 9 april 2019, AR P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7, AC 2019, nr. 223; H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN en E. SCHIPAANBOORD, aEindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering?a Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. VANDER BEKEN, aDe nieuwe interneringswetgevinga, in P. TRAEST, A. VERHAGE en G VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Kamer voor bescherming van de maatschappij - Rol van kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de volgende beslissingen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering - Rol van kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de volgende beslissingen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Internering - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Rol van kamer voor de bescherming van de maatschappij bij de volgende beslissingen - Draagwijdte - Gevolg Fiches 4 - 6 Artikel 66 Interneringswet, in die zin gelezen dat een geïnterneerde wiens toestand dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en waarvan niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat hij door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen slechts in aanmerking komt voor een definitieve invrijheidstelling na het verstrijken van deze proeftermijn, is niet verenigbaar met artikel 5.1.e en 5.4 EVRM en het is daarbij zonder belang of de geïnterneerde is geplaatst of overgeplaatst overeenkomstig artikel 19 Interneringswet in een inrichting als bedoeld door artikel 3, 4°, b), c) en d), Interneringswet dan wel op proef in vrijheid werd gesteld als bedoeld in artikel 25 van die wet; dat op de plaatsing of overplaatsing en de invrijheidstelling op proef andere regels en procedures van toepassing zijn, belet niet dat uit artikel 5.1.e en 5.4 EVRM volgt dat indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij ter gelegenheid van de beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de internering wordt verzocht zich uit te spreken over het nog aanwezig zijn van een geestesziekte bij de geïnterneerde en over de vraag of nog redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen en de kamer van oordeel is dat dit niet het geval is, zij een definitieve invrijheidstelling moet toekennen
(1).
(1)Cass. 9 april 2019, AR P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7, AC 2019, nr. 223; H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN en E. SCHIPAANBOORD, aEindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering?a Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. VANDER BEKEN, aDe nieuwe interneringswetgevinga, in P. TRAEST, A. VERHAGE en G VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.e - Recht op vrijheid en veiligheid - Vrijheidsontneming van geesteszieken - Artikel 66 Interneringswet - Definitieve invrijheidstelling - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Recht op vrijheid en veiligheid - Invrijheidstelling - Artikel 66 Interneringswet - Definitieve invrijheidstelling - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Definitieve invrijheidstelling - Voorwaarden - Verenigbaarheid met de artikelen 5.1.e en 5.4 EVRM - Draagwijdte - Gevolg Fiches 7 - 8 De kamer voor de bescherming van de maatschappij neemt de beslissing tot definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde wegens het niet langer geestesziek zijn en de vaststelling dat er redelijkerwijze niet te vrezen is dat hij door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, ter gelegenheid van de beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de internering waarbij het openbaar ministerie in de gelegenheid is daarover standpunt in te nemen; de artikelen 67 en 68 Interneringswet zijn niet van toepassing indien de kamer voor bescherming van de maatschappij om de voormelde redenen beslist tot de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde
(1).
(1)Cass. 9 april 2019, AR P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7, AC 2019, nr. 223; H. Heimans, T. Vander Beken en E. Schipaanboord, aEindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering?a Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. Vander Beken, aDe nieuwe interneringswetgevinga, in P. Traest, A. Verhage en G Vermeulen (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Kamer voor bescherming van de maatschappij - Definitieve invrijheidstelling - Procedure - Artikelen 67 en 68 Interneringswet - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Internering - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Definitieve invrijheidstelling - Procedure - Artikelen 67 en 68 Interneringswet - Draagwijdte - Gevolg Fiches 9 - 11 Uit artikel 5.1.e en 5.4 EVRM volgt dat indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot een definitieve invrijheidstelling omdat de geïnterneerde niet langer geestesziek is en evenmin te vrezen is dat hij de door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, zij niet dient na te gaan of de in artikel 34 Interneringswet bepaalde uitvoeringsmodaliteiten kunnen of moeten worden toegepast en evenmin moet motiveren waarom die uitvoeringsmodaliteiten desgevallend onverenigbaar zijn met artikel 5 EVRM
(1).
(1)Cass. 9 april 2019, AR P.19.0273.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7, AC 2019, nr. 223; H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN en E. SCHIPAANBOORD, aEindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering?a Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. VANDER BEKEN, aDe nieuwe interneringswetgevinga, in P. TRAEST, A. VERHAGE en G VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer, 2017. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.e - Recht op vrijheid en veiligheid - Vrijheidsontneming van geesteszieken - Definitieve invrijheidstelling - Toepassing van artikel 34 Interneringswet - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Recht op vrijheid en veiligheid - Invrijheidstelling - Definitieve invrijheidstelling - Toepassing van artikel 34 Interneringswet - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Internering - Kamer voor bescherming van de maatschappij - Definitieve invrijheidstelling - Toepassing van artikel 34 Interneringswet - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0524.N PROCUREUR DES KONINGS bij de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, eiser, tegen J O A V H, geïnterneerde, verweerder, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 8 mei 2019, op ver-wijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van Cassatie van 9 april 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 66 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering (hierna Interneringswet): door te oordelen dat een ge-interneerde onder plaatsingsstatuut bij het opklaren van zijn geestesstoornis de-finitief in vrijheid kan worden gesteld, voegt het vonnis een voorwaarde toe aan artikel 66 Interneringswet; uit het arrest van het Hof van 9 april 2019 afleiden dat een definitieve invrijheidstelling mogelijk is bij een plaatsing, houdt in dat de procedures en het onderscheid dat de Interneringswet bevat tussen een plaat-sing enerzijds en een invrijheidstelling op proef anderzijds, niet langer kunnen worden toegepast; de invrijheidstelling op proef is immers niet bedoeld voor ge-interneerden onder plaatsingstatuut. 2. Artikel 5.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op persoonlijke vrijheid en veiligheid en dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd behalve in de navolgende gevallen en langs wettelijke weg:
  1. e)in het geval van een rechtmatige gevangenhouding van geesteszieken. Artikel 5.4 EVRM bepaalt dat eenieder die door gevangenhouding van zijn vrijheid is beroofd het recht heeft voorziening te vragen bij de rechter opdat deze op korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn invrijheidstelling beveelt, indien de gevangenhou-ding onrechtmatig is. 3. Uit deze verdragsbepalingen volgt dat: - de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts rechtmatig is, indien (
  2. a)uit een objectieve en medische expertise blijkt dat de betrokkene is getroffen door een reële en voortdurende mentale stoornis, (
  3. b)die stoornis van aard is dat zij de vrijheidsberoving rechtvaardigt en (
  4. c)de vrijheidsberoving niet langer duurt dan noodzakelijk is; - bij de voormelde beoordeling niet alleen strikt medische elementen een rol spelen, maar ook het gevaar dat de betrokkene vormt voor de samenleving; - indien een van zijn vrijheid beroofde geesteszieke terug gezond is, hij in be-ginsel in vrijheid moet worden gesteld. De vaststelling dat de betrokkene niet langer geestesziek is, impliceert evenwel niet dat die invrijheidstelling dade-lijk en onvoorwaardelijk moet gebeuren, voor zover de uitgestelde invrijheid-stelling in overeenstemming is met de doelstellingen van artikel 5.1.
  5. e)EVRM en die vrijlating niet onredelijk lang wordt uitgesteld. 4. De vrijheidsberoving van geesteszieken die zich aan een strafbaar feit heb-ben schuldig gemaakt, wordt met ingang van 1 oktober 2016 geregeld door de In-terneringswet. De internering is volgens artikel 2, eerste lid, Interneringswet een veiligheidsmaatregel die ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. 5. Uit de wijze waarop in de Interneringswet de tenuitvoerlegging van de in-terneringsbeslissing en het beheer ervan wordt geregeld, volgt dat: - het gegeven dat het onderzoeksgerecht of het vonnisgerecht zich met de inter-neringsbeslissing heeft uitgesproken over het bestaan, op het ogenblik van de berechting, van een geestesstoornis die de oordeelsvorming van de geïnter-neerde of de controle over zijn daden teniet doet of ernstig aantast, een zekere duurzaamheid van die toestand veronderstelt; - ingevolge dit gegeven, alsook het wettelijk bepaalde korte tijdsverloop tussen de interneringsbeslissing en de eerste beslissing van de kamer voor de be-scherming van de maatschappij over de wijze van uitvoering van de interne-ringsbeslissing, deze kamer op dat ogenblik niet kan worden verplicht zich uit te spreken over het bestaan van een geestesstoornis daar die moet worden ge-acht nog steeds aanwezig te zijn; - bij de volgende beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de interne-ring, die in beginsel uiterlijk binnen het jaar moeten gebeuren, de kamer voor de bescherming van de maatschappij zich wel dient uit te spreken over het al dan niet nog bestaan van een geestesstoornis, indien zij daartoe door de geïn-terneerde wordt uitgenodigd; - indien blijkt dat de geestesstoornis voldoende is gestabiliseerd en er nog steeds redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde persoon, al dan niet ten gevolge van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risi-cofactoren, opnieuw door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrij-ven zal plegen, de kamer voor de bescherming van de maatschappij niet de definitieve invrijheidstelling kan toekennen; - indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis, het aan de kamer voor de be-scherming van de maatschappij toekomt te oordelen of, in het licht van het ri-sico op het opnieuw plegen van door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet be-doelde misdrijven, alsook rekening houdend met de doelstellingen van artikel 5.1.
  6. e)EVRM, een plaatsing nog wel noodzakelijk is en of het voormelde risi-co niet kan worden weggenomen door minder verdergaande uitvoeringsmaat-regelen van de internering, zoals een invrijheidstelling op proef; - indien blijkt dat de toestand van de geïnterneerde dermate is geëvolueerd dat niet langer sprake is van een geestesstoornis en er niet langer redelijkerwijze te vrezen is dat de geïnterneerde door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet be-doelde misdrijven zal plegen, de kamer voor de bescherming van de maat-schappij aan de geïnterneerde een definitieve invrijheidstelling moet toeken-nen, zelfs al is de door artikel 42, § 1, Interneringswet bepaalde proefperiode nog niet verstreken. Artikel 66 Interneringswet, in die zin gelezen dat een ge-interneerde die aan de voormelde voorwaarden voldoet slechts in aanmerking komt voor een definitieve invrijheidstelling na het verstrijken van de proef-termijn, is immers niet verenigbaar met artikel 5.1.
  7. e)en 5.4 EVRM. Het is daarbij zonder belang of de geïnterneerde is geplaatst of overgeplaatst over-eenkomstig artikel 19 Interneringswet in een inrichting als bedoeld door arti-kel 3, 4°, b),
  8. c)en d), Interneringswet dan wel op proef in vrijheid werd ge-steld als bedoeld in artikel 25 van die wet. Dat op de plaatsing of overplaat-sing en de invrijheidstelling op proef andere regels en procedures van toepas-sing zijn, belet niet dat uit artikel 5.1.
  9. e)en 5.4 EVRM volgt dat indien de ka-mer voor de bescherming van de maatschappij ter gelegenheid van de beslis-singen over de verdere tenuitvoerlegging van de internering wordt verzocht zich uit te spreken over het nog aanwezig zijn van een geestesziekte bij de ge-interneerde en over de vraag of nog redelijkerwijze te vrezen is dat de geïn-terneerde door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal ple-gen en de kamer van oordeel is dat dit niet het geval is, zij een definitieve in-vrijheidstelling moet toekennen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van de artikelen 67 en 68 Interneringswet: door zonder tegensprekelijk debat een geplaatste geïnterneerde onmiddellijk de-finitief in vrijheid te stellen, miskent het vonnis de in die artikelen bepaalde toe-kenningsprocedure; het openbaar ministerie heeft geen advies opgesteld in het kader van de procedure definitieve invrijheidstelling; het slachtoffer werd niet opgeroepen en kon dus niet worden gehoord; bijgevolg werd het recht op tegen-spraak als onderdeel van het recht van verdediging miskend. 7. De kamer voor de bescherming van de maatschappij neemt de beslissing tot definitieve invrijheidstelling van een geïnterneerde wegens het niet langer geestesziek zijn en de vaststelling dat er redelijkerwijze niet te vrezen is dat hij door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, ter gele-genheid van de beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de interne-ring. Derhalve is het openbaar ministerie in de gelegenheid daarover standpunt in te nemen. 8. Voor het overige zijn de artikelen 67 en 68 Interneringswet niet van toe-passing indien de kamer voor bescherming van de maatschappij om de voormel-de redenen beslist tot de definitieve invrijheidstelling van de geïnterneerde. 9. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Derde middel 10. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 34 en 52 Interneringswet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het vonnis duidt niet aan op welke gronden de mogelijke andere beslissingen die haar wettelijk zijn toegestaan en vervat zijn in artikel 34 Interneringswet, waar-onder de invrijheidstelling op proef, een schending zouden uitmaken van artikel 5 EVRM. 11. Uit artikel 5.1.
  10. e)en 5.4 EVRM volgt dat indien de kamer voor de bescher-ming van de maatschappij beslist tot een definitieve invrijheidstelling omdat de geïnterneerde niet langer geestesziek is en evenmin te vrezen is dat hij de door artikel 9, § 1, 1°, Interneringswet bedoelde misdrijven zal plegen, zij niet dient na te gaan of de in artikel 34 Interneringswet bepaalde uitvoeringsmodaliteiten kunnen of moeten worden toegepast en evenmin moet motiveren waarom die uitvoeringsmodaliteiten desgevallend onverenigbaar zijn met artikel 5 EVRM. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Alain Bloch, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de open-bare rechtszitting van 11 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maf-fei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van grif-fier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.5 Gerelateerde publicatie(
  11. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230117.2N.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190409.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201125.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210316.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240820.VAC.1 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241210.2N.25 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.