← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.1 Rolnummer: P.19.0216.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-06-21 Raadplegingen: 799 - laatst gezien 2026-06-29 11:05 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Uit artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshalve de zaak moet aanhouden wanneer deze niet in staat is, wat de rechtsvordering betreft tot herstel van de schade, door een misdrijf veroorzaakt; de regel geldt ook ten aanzien van een reeds gestelde burgerlijke partij, wanneer de zaak, wat de afhandeling van haar belangen betreft, niet in staat van wijzen is en de gestelde burgerlijke partij kan wat haar betreft, het aanhouden van de zaak vorderen

(1).
(1)Zie Cass. 22 mei 2012, AR P.11.1723.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6, AC 2012, nr. 317, met concl. van eerste advocaat-generaal DE SWAEF. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Burgerlijke partij - Aanhouden van de burgerlijke belangen door de rechter - Reeds gestelde burgerlijke partij - Gevolg Fiche 2 In strafzaken beoordeelt de rechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem overgelegde en aan tegenspraak van partijen onderworpen bewijsgegevens; het loutere feit dat die bewijsgegevens mede of zelfs hoofdzakelijk bestaan uit verklaringen van rechtstreeks betrokken partijen of partijen van wie de belangen strijdig zijn met die van de beklaagde, belet de rechter niet ze bij zijn oordeel te betrekken en er mede of op hoofdzakelijke wijze op te steunen bij de beoordeling van de schuld en de straftoemeting waarbij de rechten van de beklaagde afdoende gewaarborgd zijn door het verweer dat hij kan voeren betreffende de bewijswaarde die in het licht van de omstandigheden van de zaak aan die verklaringen kan worden toegekend. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Bewijsgegevens mede of zelfs hoofdzakelijk bestaande uit verklaringen van rechtstreeks betrokken partijen of partijen van wie de belangen strijdig zijn met die van de beklaagde - Beoordeling door de rechter - Wijze Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Strafrecht [T.Strafr.] - J.C.; Noot onder cassatie. - 2020, nr. 3, p. 206-
  1. Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0216.N I S. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Anthony Mallego, advocaat bij de balie Dendermonde. II Y. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kan-toor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest, tegen
  2. REGIE DER GEBOUWEN, met zetel te 1060 Brussel, Gulden Vlieslaan 87 bus 2, burgerlijke partij,
  3. BELGISCHE STAAT, fod Justitie, met kantoor te 1000 Brussel, Water-loolaan 115, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  4. E. G., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  5. T. V. M., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  6. I. M., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  7. L.W., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  8. V. S., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  9. S. G., burgerlijke partij,
  10. P. J., burgerlijke partij, verweerders. III REGIE DER GEBOUWEN, reeds vermeld, burgerlijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  11. A. G., beklaagde,
  12. E. H., beklaagde,
  13. M. M., beklaagde,
  14. T. A. E. H., beklaagde,
  15. Y. S., reeds vermeld, beklaagde,
  16. F. T., beklaagde,
  17. M. H., beklaagde,
  18. A. E. D., beklaagde,
  19. M. O., beklaagde,
  20. S. B., reeds vermeld, beklaagde, verweerders. IV A. G., reeds vermeld, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Philippe Vande Casteele, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  21. REGIE DER GEBOUWEN, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  22. BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  23. E. G., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  24. T. V. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  25. I. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  26. L. W., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  27. V. S., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  28. S. G., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  29. P. J., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. V M. M., reeds vermeld, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  30. REGIE DER GEBOUWEN, reeds vermeld, burgerlijke partij,
  31. BELGISCHE STAAT, reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  32. E. G., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  33. T. V. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  34. I. M., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  35. L. W., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  36. V. S., reeds vermeld, burgerlijke partij, met als raadsman mr. Wim Vermeiren, advocaat bij de balie Antwerpen,
  37. S. G., reeds vermeld, burgerlijke partij,
  38. P. J., reeds vermeld, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 6 februari
  39. De eiser I voert geen middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiseres III doet afstand van haar cassatieberoep in zoverre de beslissing op burgerrechtelijk gebied geen eindbeslissing is in de zin van artikel 420 Wetboek van Strafvordering en meer bepaald waar het arrest de verweerders III.1, III.2, III.3, III.4, III.5, III.6, III.8, III.9 en III.10 veroordeelt tot betaling aan de eiseres III van provisionele schadevergoedingen, te vermeerderen met de interesten. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
  40. Het arrest verklaart de eiser V niet schuldig aan de telastlegging E.1 en spreekt hem daarvoor vrij. In zoverre het cassatieberoep van de eiser V ook tegen die beslissing is gericht, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  41. Het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder II.8-IV.8-V.8 ongegrond. In zoverre de cassatieberoepen van de eisers II, IV en V ook zijn gericht tegen deze beslissing, zijn ze bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  42. Het arrest bevestigt wat betreft de burgerlijke rechtsvordering van de ver-weersters II.5-IV.5-V.5 en II.7-IV.7-V.7 de door de eerste rechter uitgesproken provisionele veroordeling, alsook de aanstelling van een deskundige en het ver-zendt de zaak voor verdere afhandeling terug naar de eerste rechter. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvorde-ring en die beslissingen vallen evenmin onder een van de uitzonderingsgevallen bedoeld in het tweede lid van die bepaling. In zoverre de cassatieberoepen van de eisers II, IV en V ook zijn gericht tegen deze beslissingen, zijn ze voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  43. Volgens artikel 427, eerste lid, Wetboek van Strafvordering moet de partij die cassatieberoep instelt het cassatieberoep laten betekenen aan de partij tegen wie het gericht is. Voor de vervolgde partij geldt die verplichting enkel indien het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering. Volgens artikel 427, tweede lid, Wetboek van Straf-vordering moet het exploot van betekening worden neergelegd binnen de in arti-kel 429 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijnen.
  44. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerders II. In zoverre gericht tegen de tegen de eiser II uitgesproken beslissingen op de bur-gerlijke rechtsvorderingen van deze verweerders, is het cassatieberoep van de ei-ser II voor het overige niet ontvankelijk.
  45. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eise-res III haar cassatieberoep heeft laten betekenen aan de verweerder III.
  46. In zoverre gericht tegen de beslissing over de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres III wat betreft de verweerder III.7, is het cassatieberoep van de eiseres III niet ontvankelijk. Middel van de eiser II Eerste en tweede onderdeel
  47. Het eerste onderdeel voert schending van de motiveringsplicht aan: het ar-rest gaat voorbij aan de elementen à décharge die de eiser II heeft aangevoerd in zijn conclusie en met name betreffende de tegenstrijdigheden in de verklaringen van het bewakingspersoneel; gelet op al deze elementen kan het dan ook niet an-ders dan dat het bewakingspersoneel zich heeft vergist, wat in de gegeven om-standigheden niet onbegrijpelijk is; de eiser II begrijpt de beslissing van de ap-pelrechters niet omdat niet wordt aangegeven waarom de elementen à décharge niet worden gevolgd. Het tweede onderdeel voert miskenning aan van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet het in zijn appelconclusie aangevoerde verweer dat de eiser II drager was van een wit-blauwe gestreepte pet met een volledig blauw stuk en dat het bewakingspersoneel van dit opvallend gegeven geen melding maakt.
  48. Artikel 6 EVRM houdt voor de strafrechter niet de verplichting in om te antwoorden op elk feitelijk gegeven dat een beklaagde ter staving van een ver-weer betreffende zijn schuld heeft aangevoerd. De rechter is wel ertoe gehouden de voornaamste redenen op te geven die hem hebben overtuigd van de schuld van een beklaagde, zodat deze begrijpt op welke gronden de rechter tot zijn beslis-sing is gekomen. Die redengeving kan echter beknopt zijn. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangewend, maar zelf geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre de onderdelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  49. De eiser II heeft in zijn appelconclusie een aantal feitelijke gegevens aan-gevoerd ter betwisting van zijn schuld aan het hem ten laste gelegde. Met een geheel van eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen (arrest, p. 74-75) vermeldt het arrest de elementen op grond waarvan het de eiser II schuldig verklaart en geeft het te kennen waarom eisers betwistingen niet overtuigend zijn. Aldus stelt het de eiser II in staat de redenen te kennen voor zijn schuldig-verklaring, zonder dat het diende in te gaan op elk door hem aangevoerd speci-fiek feitelijk gegeven dat evenwel geen afzonderlijk verweer vormde. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen.
  50. Voor het overige komen de onderdelen, hoewel formeel omschreven als een miskenning van de motiveringsverplichting, in werkelijkheid op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechter. In zoverre zijn de onderdelen niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  51. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het vermoeden van onschuld: het arrest motiveert niet waarom er geen spra-ke is van redelijke twijfel; de eiser heeft in zijn appelconclusie aangevoerd dat er op die bewuste avond chaos, tumult en wanorde heerste; een lid van het bewa-kingspersoneel heeft dit toegegeven en heeft verklaard dat hij te ver af stond om alles duidelijk te kunnen zien of personen te herkennen; het arrest bevat geen ar-gumenten die door objectieve elementen uit het strafdossier worden gestaafd; de eiser heeft het recht het standpunt van de appelrechters op dat punt te kennen.
  52. Met een geheel van eigen en van het beroepen vonnis overgenomen rede-nen (arrest, p. 74-75) vermeldt het arrest de elementen op grond waarvan het de eiser II schuldig verklaart en geeft het te kennen waarom eisers betwistingen niet overtuigend zijn. Aldus geeft het ook te kennen dat elke redelijke twijfel is uit-gesloten en stelt het de eiser II in staat de redenen te kennen voor zijn schuldig-verklaring. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  53. Voor het overige komt het onderdeel, hoewel formeel omschreven als een miskenning van het vermoeden van onschuld, in werkelijkheid op tegen de on-aantastbare beoordeling van de feiten door de appelrechter. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Middel van de eiseres III
  54. Het middel voert schending aan van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest doet geen uitspraak over het door de eiseres III in het beschikkend gedeelte van haar appelconclusie uitdrukkelijk gevraagde aanhouden van de burgerlijke belangen overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering; het arrest kent provisionele schadevergoedingen toe en het wijst de aanstelling van een deskundige af; uit de redenen voor die afwijzing kan worden afgeleid dat wordt geoordeeld dat de burgerlijke rechtsvordering van de eiseres III niet in staat van wijzen is, zodat de burgerlijke belangen hadden moeten worden aange-houden.
  55. Artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering be-paalt: "De rechter bij wie de strafvordering niet aanhangig is gemaakt, houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijke-partijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft niet in staat van wijzen is."
  56. Uit deze bepaling volgt dat de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshalve de zaak moet aanhouden wanneer deze niet in staat is, wat de rechtsvordering betreft tot herstel van de schade, door een misdrijf ver-oorzaakt. De regel geldt ook ten aanzien van een reeds gestelde burgerlijke par-tij, wanneer de zaak, wat de afhandeling van haar belangen betreft, niet in staat van wijzen is. De gestelde burgerlijke partij kan wat haar betreft, het aanhouden van de zaak vorderen.
  57. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiseres III in haar appelconclusie de veroordeling heeft gevorderd van de verweerders III tot betaling van een definitieve en provisionele schadevergoe-ding, de aanstelling van een deskundige voor de bepaling van sommige scha-deposten en het aanhouden van de burgerlijke belangen voor de nog niet be-slechte schadeposten; - uit de redenen die het arrest vermeldt tot afwijzing van de vordering om een deskundige aan te stellen (arrest, p. 88-89), volgt dat de appelrechters van oordeel zijn dat de zaak wat die schadeposten betreft niet in staat van wijzen is. In die omstandigheden is de beslissing van de appelrechters die de burgerlijke belangen niet aanhouden, niet naar recht verantwoord. Het middel is gegrond.
  58. Gelet op het verband tussen de hierna uit te spreken vernietiging van het niet-aanhouden van de burgerlijke belangen en de overige beslissingen betref-fende de burgerlijke rechtsvorderingen van de eiseres III, is er grond om de af-stand van het cassatieberoep voor die overige beslissingen te verlenen. Middelen van de eiser IV Eerste middel
  59. Het middel voert schending aan van de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet en artikel 50 Strafwetboek: het arrest spreekt lastens de eiser IV samen met me-debeklaagden op de vordering van de verweerder IV.2 een hoofdelijke veroorde-ling uit tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 75.000,00 euro, maar beperkt zonder enige motivering, tegen de wet in en met miskenning van het gelijkheidsbeginsel dit bedrag voor een bepaalde medebeklaagde tot 10.000,00 euro; dit miskent de grondrechten en de economische belangen van de eiser IV omdat een verlichting van de schuldpositie van die medebeklaagde een verzwaring van de schuldenlast van de eiser IV meebrengt; de verweerder IV.2 zal zich prioritair richten tot de eiser IV en diens verhaalsmogelijkheden tegen de medebeklaagde zijn beperkt.
  60. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat gelet op de relatieve werking van het verzet van de medebeklaagde tegen het verstekvonnis van 10 januari 2018 en de afwezigheid van een hoger beroep van de verweerder IV.2 tegen dit vonnis, de appelrechters het bedrag waartoe zij die medebeklaagde hadden veroordeeld, niet konden verhogen. Het middel, al was het gegrond, kan niet leiden tot cassatie en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  61. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grond-wet: het arrest neemt bij de straftoemeting de leidende rol die de eiser IV bij de gevangenisopstand zou hebben gehad in aanmerking, terwijl de eiser IV niet wordt vervolgd voor bendevorming of criminele organisatie; het arrest verwijst niet naar de bestanddelen van die misdrijven en de concrete beoordeling ervan.
  62. Voor de bepaling van de straf kan de rechter alle feitelijke omstandigheden in aanmerking nemen die naar zijn oordeel een licht werpen op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de dader. Dat sommige van die omstandigheden constitutieve bestanddelen uitmaken van andere misdrijven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, doet hieraan geen afbreuk. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
  63. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grond-wet, alsmede miskenning van de bewijsregeling in strafzaken en het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest grondt de veroordeling en de bestraffing van de eiser IV uitsluitend, minstens op doorslaggevende wijze op bewijselementen die niet de minste waarborgen inzake objectiviteit en onpartijdigheid bezitten; doorslaggevend zijn immers getuigen-verklaringen van directieleden en penitentiaire beambten die rechtstreeks be-trokken partijen waren bij de opstanden en onder wie enkele zich burgerlijke par-tij hebben gesteld tegenover de eiser IV; een strafrechtelijke veroordeling kan niet uitsluitend of in doorslaggevende mate worden gesteund op verklaringen van procespartijen wiens belangen tegengesteld zijn aan die van de veroordeelde.
  64. In strafzaken beoordeelt de rechter onaantastbaar de bewijswaarde van de hem overgelegde en aan tegenspraak van partijen onderworpen bewijsgegevens. Het loutere feit dat die bewijsgegevens mede of zelfs hoofdzakelijk bestaan uit verklaringen van rechtstreeks betrokken partijen of partijen van wie de belangen strijdig zijn met die van de beklaagde, belet de rechter niet ze bij zijn oordeel te betrekken en er mede of op hoofdzakelijke wijze op te steunen bij de beoordeling van de schuld en de straftoemeting. De rechten van de beklaagde zijn afdoende gewaarborgd door het verweer dat hij kan voeren betreffende de bewijswaarde die in het licht van de omstandigheden van de zaak aan die verklaringen kan worden toegekend. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middel van de eiser V
  65. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 516 Strafwetboek, alsmede miskenning van de algemene en bijzondere motiverings-plicht: het arrest laat na twee cumulatieve bestaansvoorwaarden voor het mis-drijf van artikel 516 Strafwetboek uitdrukkelijk te motiveren of vast te stellen, namelijk het vereiste opzet om brand te stichten, alsook dat de in brand gestoken goederen zo geplaatst waren dat de brand zou overslaan naar de gebouwen van de gevangenis te Merksplas; het arrest is dan ook niet naar recht verantwoord.
  66. Het arrest verklaart de eiser V schuldig aan het door artikel 516 Strafwet-boek bedoelde misdrijf in de bewoordingen van de strafwet. Aldus stelt het wel degelijk de bestanddelen van dit misdrijf vast. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  67. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de rechter die een beklaagde schuldig verklaart aan een misdrijf in de bewoordingen van de strafwet niet nader te motiveren uit welke gegevens hij het voorhanden zijn van de bestanddelen van het misdrijf afleidt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  68. De eiser heeft in zijn appelconclusie geen specifiek verweer gevoerd be-treffende de in het middel vermelde bestanddelen. De appelrechters waren dan ook op grond van artikel 149 Grondwet niet ertoe gehouden de feitelijke gegevens te vermelden waaruit zij het voorhanden zijn van de vermelde bestanddelen afleiden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  69. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep van de eiseres III zoals voormeld. Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het wat betreft de burgerlijke rechts-vordering van de eiseres III tegen de verweerders III.1, III.2, III.3, III.4, III.5, III.6, III.8, III.9 en III.10 de burgerlijke belangen niet aanhoudt. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eisers I, II, IV en V tot de kosten van hun cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres III tot de helft van de kosten van haar cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat deze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 3.126,23 euro waarvan de eisers I, II, IV en V elk 116,94 euro verschuldigd zijn en de eiseres III 402,50 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 18 juni 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190618.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200617.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120522.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230321.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.