← België

EUROPABANK nv contra BELGISCHE STAAT, minister va

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190621.4 Rolnummer: F.15.0067.N Zaak: EUROPABANK nv contra BELGISCHE STAAT, minister va Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-07-16 Raadplegingen: 1028 - laatst gezien 2026-06-29 07:03 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190621.4 Fiche 1 Indien de belastingplichtige antwoordt op het bericht van wijziging binnen een maand na de verzending ervan, vermag de administratie, na ontvangst van dit antwoord, over te gaan tot het vestigen van de aanslag na het verstrijken van die termijn en vooraleer een termijn van een maand is verstreken vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht; in dat geval loopt de wachttermijn ten aanzien van de fiscus vanaf de dag van de verzending van het bericht van wijziging van aangifte

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Wijziging door de administratie van een aangifte Vrije woorden: Bericht van wijziging - Wachttermijn voor het vestigen van de aanslag - Aanvang Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 346 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Fiche 2 Krachtens het algemeen beginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationale recht, heeft de Overeenkomst België-Italië voorrang op de bepalingen van het nationale recht; hieruit volgt dat aangezien de Overeenkomst België-Italië België verplicht tot het verlenen van de in de overeenkomst voorziene belastingvermindering, geen gevolg kan worden gegeven aan interne Belgische regels die deze vermindering aan bijkomende voorwaarden onderwerpen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - INTERNATIONALE VERDRAGEN Vrije woorden: Dubbelbelastingverdrag België-Italië - Inwoner van België - Belastbaarheid van interest - Door het verdrag verleende belastingvermindering - Bijkomende voorwaarden in het intern recht - Gevolg Wettelijke bepalingen: Overeenkomst van 19 oktober 1970 tussen België en Italië tot het vermijden van dubbele belasting - 19-10-1970 - Artt. 11 en 23 - 31 Link Justel databank 19701019-31 Fiche 3 Uit artikel 44, eerste lid, WIB64, dat krachtens artikel 96 van hetzelfde wetboek van toepassing is op de handelsvennootschappen, volgt niet dat de aftrek van beroepskosten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de handelsvennootschap zoals die blijkt uit haar maatschappelijk doel; de omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten als dusdanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichtingen verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Beroepskosten Vrije woorden: Aftrekbaarheidsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1964 - 26-02-1964 - Art. 44, eerste lid - 31 Link Justel databank 19640226-31 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - thans art. 49 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Tekst van de beslissing Nr. F.15.0067.N EUROPABANK nv, met zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170, eiseres, vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 18 november
  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 21 mei 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 251, derde lid, WIB64 en daarna artikel 346, derde lid, WIB92 in de versie vóór de wijziging ervan door artikel 7 van de wet van 19 mei 2010, zoals hier toepasselijk, kan de belastingplichtige schriftelijk zijn opmerkingen inbrengen binnen de termijn van een maand na de verzending van het bericht van wijziging, welke termijn wegens wettige reden kan worden verlengd. De aanslag mag niet worden gevestigd voor die, eventueel verlengde, termijn verstreken is, behoudens indien de belastingplichtige met de wijziging van zijn aangifte schriftelijk instemt of indien de rechten van de Schatkist in gevaar verkeren wegens een andere oorzaak dan het verstrijken van de aanslagtermijn.
  3. Deze bepaling strekt ertoe het recht van verdediging van de belastingplichtige te vrijwaren en te voorkomen dat hem een administratieve boete wordt opgelegd of dat de aanslag van ambtswege wordt gevestigd met omkering van de bewijslast als gevolg vooraleer hij zijn opmerkingen heeft kunnen inbrengen. Hieruit volgt dat indien de belastingplichtige antwoordt op het bericht van wijziging binnen een maand na de verzending ervan, de administratie, na ontvangst van dit antwoord, vermag over te gaan tot het vestigen van de aanslag na het verstrijken van die termijn en vooraleer een termijn van een maand is verstreken vanaf de derde werkdag volgend op de verzending van het bericht.
  4. De appelrechters stellen vast dat: - het bericht van wijziging verzonden is op 27 november 1992; - de eiseres heeft geantwoord op 22 december 1992, hetzij binnen de maand na de verzending van het bericht; - de aanslag werd gevestigd op 30 december 1992, hetzij meer dan een maand na de verzending van het bericht van wijziging.
  5. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat de aanslag rechtsgeldig op 30 december 1992 was gevestigd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  6. Indien de belastingplichtige binnen de termijn van een maand na de verzending van het bericht van wijziging van aangifte erop antwoordt, dient het aanvangspunt van de termijn van een maand enkel te worden beoordeeld in functie van de belangen van de fiscus, zodat de wachttermijn ten aanzien van de fiscus in dat geval loopt vanaf de dag van de verzending van het bericht van wijziging van aangifte.
  7. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het aanvangspunt van de termijn van een maand in elk geval wordt bepaald door de ontvangst door de belastingplichtige van het bericht van wijziging van aangifte, ook wanneer hij binnen de termijn van één maand vanaf de verzending antwoordt, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Tweede middel Tweede onderdeel
  8. Krachtens artikel 11, § 1, van de Overeenkomst van 19 oktober 1970 tussen België en Italië tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van sommige andere aangelegenheden inzake belastingen naar het inkomen (hierna: Overeenkomst België-Italië), is interest afkomstig uit een overeenkomstsluitende Staat en toegekend aan een verblijfhouder van de andere overeenkomstsluitende Staat in die andere Staat belastbaar. Krachtens artikel 11, § 2, van de Overeenkomst België-Italië, mag die interest echter in de overeenkomstsluitende Staat waaruit hij afkomstig is, overeenkomstig de wetgeving van die Staat worden belast, maar mag de aldus geheven belasting niet hoger zijn dan 15 procent van het bedrag van de interest. Krachtens artikel 23, § 3, van de Overeenkomst België-Italië, in de veronderstelling dat een verblijfhouder van een overeenkomstsluitende Staat inkomsten verkrijgt die overeenkomstig de bepalingen van onder meer artikel 11, § 2, in de andere overeenkomstsluitende Staat werkelijk werden belast, verleent de eerstbedoelde Staat op de belasting, door deze verblijfhouder op die inkomsten verschuldigd, een vermindering gelijk aan 15 procent van het bedrag van bedoelde inkomsten dat in het belastbare inkomen van die verblijfhouder is begrepen. Krachtens het algemeen beginsel van de primauteit van het internationaal recht op het nationale recht, heeft de Overeenkomst België-Italië voorrang op de bepalingen van het nationale recht. Hieruit volgt dat aangezien de Overeenkomst België-Italië België verplicht tot het verlenen van de in de overeenkomst voorziene belastingvermindering, geen gevolg kan worden gegeven aan interne Belgische regels die deze vermindering aan bijkomende voorwaarden onderwerpen.
  9. Door te oordelen dat om gerechtigd te zijn op de belastingvermindering bepaald in de Overeenkomst België-Italië voldaan moet zijn aan de voorwaarden gesteld door het nationale recht, zijnde te dezen het beroepsmatigheidsvereiste bepaald in artikel 187 WIB64, en door op die grond deze belastingvermindering te weigeren, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Derde onderdeel
  10. Alle inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die door een handelsvennootschap worden gebruikt voor het uitoefenen van haar beroepswerkzaamheid zijn beroepsinkomsten. De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten bijgevolg niet uit dat de inkomsten en opbrengsten die het resultaat zijn van deze verrichting als beroepsinkomsten worden aangemerkt.
  11. Krachtens artikel 44, eerste lid, WIB64 zijn de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden als beroepskosten aftrekbaar. Deze bepaling is, krachtens artikel 96 van hetzelfde wetboek, van toepassing op de handelsvennootschappen. Uit deze bepaling volgt niet dat de aftrek van beroepskosten afhankelijk is van de voorwaarde dat zij inherent zijn aan de maatschappelijke activiteit van de handelsvennootschap zoals die blijkt uit haar maatschappelijk doel.
  12. De omstandigheden dat tussen een verrichting van een vennootschap en haar maatschappelijke activiteit of statutair doel geen verband bestaat en dat een verrichting uitsluitend werd gesteld met het oog op een belastingvoordeel, sluiten als dusdanig niet uit dat de kosten die met zulke verrichtingen verband houden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden aangemerkt.
  13. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de FBB-operaties geen beroepsmatig karakter hadden, aangezien de belegging in de Italiaanse obligaties niet tot de normale activiteiten van een bank behoorde, en de eiseres voordien nooit soortgelijke transacties had gedaan; - de belegging betrekking had op een bedrag van maar liefst vijfmaal het eigen vermogen van de eiseres, terwijl er geen enkele waarborg was qua uiteindelijk resultaat; - de eiseres de obligaties op 10 oktober 1989 had aangekocht en deze reeds dezelfde dag, enkele uren later, had doorverkocht; - het nooit de bedoeling is geweest van de eiseres om met een FBB-constructie tot een positief boekhoudkundig resultaat te komen; - de FBB-constructie louter fiscaal geïnspireerd was teneinde een belastingvoordeel te realiseren.
  14. Door aldus te oordelen dat de FBB-constructie in zijn geheel beschouwd niet beantwoordt aan de door artikel 44, eerste lid, WIB64 vereiste finaliteit, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190621.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190621.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220923.1N.3 ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.139 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.