id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.2 Rolnummer: P.19.0192.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 573 - laatst gezien 2026-06-29 11:25 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de bepalingen van artikel 3, vierde lid, in fine, Probatiewet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter, die voor het verwerpen van een met redenen omkleed verzoek tot het verlenen van de gunst van de opschorting van de uitspraak van veroordeling, de zwaarwichtigheid van de feiten in aanmerking neemt, slechts rekening vermag te houden met de feiten die het voorwerp van de strafvordering uitmaken en die bewezen zijn verklaard
(1).
(1)Cass. 7 mei 1996, AR P.95.0120.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960507.10, AC 1996, nr. 153; F. VAN VOLSEM, "De straftoemeting in geval van een ontkennende maar schuldige beklaagde", RABG 2013,
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Probatieopschorting - Weigering - Motivering Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEOPSCHORTING Vrije woorden: Weigering - Motivering Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0192.N P D R L, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Leuven van 24 januari 2019, gewezen na verwijzing bij arrest van het Hof van 27 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1 en 3 Probatiewet en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel betreffende het recht van verdedi-ging: het bestreden vonnis weigert de eiser de gunst van de opschorting van de uitspraak van veroordeling onder meer op grond van de vaststelling dat een on-geval met gewonden werd veroorzaakt; de eiser werd nochtans niet vervolgd voor het toebrengen van slagen en verwondingen, zodat hiermee geen rekening mocht worden gehouden; bovendien werd dit element niet aan de tegenspraak van de eiser onderworpen.
- Artikel 3, vierde lid, in fine, Probatiewet bepaalt dat de beslissing waarbij de opschorting en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of gewei-gerd, met redenen moet omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Krachtens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet hem daartoe vrije beoordeling overlaat, dergelijke straf of dergelijke maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
- Uit die bepalingen volgt dat de rechter, die voor het verwerpen van een met redenen omkleed verzoek tot het verlenen van de gunst van de opschorting van de uitspraak van veroordeling, de zwaarwichtigheid van de feiten in aanmerking neemt, slechts rekening vermag te houden met de feiten die het voorwerp van de strafvordering uitmaken en die bewezen zijn verklaard.
- Het bestreden vonnis grondt de weigering opschorting van de uitspraak van de veroordeling te verlenen onder meer op het feit dat de eiser een verkeerson-geval met gewonden veroorzaakte. Aldus is die weigeringsbeslissing ook ge-grond op feiten die niet het voorwerp uitmaken van de strafvordering en waar-voor de eiser niet werd veroordeeld. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de straf en de bijdragen aan het Slachtofferfonds en het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwij-zing. Verwijst de zaak naar de correctionele rechtbank Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 184,69 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 25 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220309.2F.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960507.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div