id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.3 Rolnummer: P.19.0383.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 567 - laatst gezien 2026-06-29 07:59 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bepaling van artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874, vereist dat de uitgeleverde persoon in de verzoekende Staat met enige graad van waarschijnlijkheid het voorwerp zal uitmaken van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM, dan wel van schending van artikel 3 EVRM; het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar of de voorgelegde feiten aanleiding geven tot de toepassing van die weigeringsgrond
(1)Cass. 26 juni 2018, AR P.18.0524.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180626.2, AC 2018, nr. 411 en NC 2018, 589, nr. 6, met noot D. DEWULF, "In abstracto, in concreto en (in beginsel) irrelevant. Het Hof van Cassatie bevestigt enkele basisprincipes in het uitleveringsrecht"; Cass. 22 april 2014, AR P.14.0410.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.5, AC 2014, nr. 293; S. DEWULF, Handboek Uitleveringsrecht, Intersentia 2013, 88-90, nrs. 144-
- Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Uitleveringswet 1874 - Artikel 2bis - Weigeringsgrond - Ernstige risico's op flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke en onterende behandeling - Begrip Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Uitleveringswet 1874 - Artikel 2bis - Weigeringsgrond - Ernstige risico's op flagrante rechtsweigering, foltering of onmenselijke en onterende behandeling - Begrip Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0383.N G K, alias G S K, alias J C, persoon wiens uitlevering wordt gevraagd, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 4 april
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel in zijn geheel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 2bis Uitleveringswet 1874, artikel 3 EVRM en de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: het ar-rest beveelt de tenuitvoerlegging van het Russisch internationaal bevel tot aan-houding omdat de eiser geen ernstig en reëel risico waarschijnlijk maakt dat hij zelf het slachtoffer zou zijn van flagrante rechtsweigering, foltering of onmense-lijke of vernederende behandeling na zijn uitlevering aan Rusland; uit de stukken van de eiser blijkt echter dat de algemene toestand in Rusland met betrekking tot de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden zeer problematisch is; bovendien toont de eiser met stukken aan dat in zijn strafonderzoek een mede-verdachte is gefolterd door de politie; het arrest miskent de bewijskracht van de-ze stukken door ze op voorwaardelijke wijze te interpreteren en vervolgens ei-sers verweer af te wijzen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 3 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 2bis Uitleveringswet 1874: met het oordeel dat de Russische Federatie lid is van de Raad van Europa en dat het niet-naleven van de gegeven garanties een wantrouwen van de overige Verdragsluitende Staten zou veroorza-ken en de verdere samenwerking op het gebied van rechtshulp in het gedrang zou kunnen brengen, komt de kamer van inbeschuldigingstelling drastisch te kort aan haar motiveringsverplichting en verleent zij zonder zorgvuldig onderzoek en grondige motivering exequatur aan het Russische internationaal bevel tot aan-houding; de eiser heeft immers in zijn conclusie aangetoond waarom de detentie in de door de Russische autoriteiten voorgestelde gevangenis nog steeds een risi-co op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling inhoudt, terwijl het feit dat Rusland lid is van de Raad van Europa, die lidstaat er niet van weerhoudt om het EVRM systematisch en op grote schaal met de voeten te treden.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die beslissen over de uitvoerbaarverklaring van het bevel of de akte bedoeld in arti-kel 3, tweede lid, Uitleveringswet
- In zoverre het tweede onderdeel schending van die grondwetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest geeft geen uitlegging van de door de eiser bijgebrachte stukken, maar beoordeelt enkel de bewijswaarde ervan. Het kan bijgevolg de bewijskracht van die stukken niet miskennen. In zoverre mist het eerste onderdeel feitelijke grondslag.
- Volgens artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874 kan geen uitlevering worden toegestaan wanneer ernstige risico's bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling. Die bepaling vereist dat de persoon wiens uitlevering wordt gevraagd, in de ver-zoekende Staat met enige graad van waarschijnlijkheid het voorwerp zal uitma-ken van een schending van artikel 3 EVRM, dan wel van de meest ernstige schendingen van de artikelen 5 en 6 EVRM. Het onderzoeksgerecht onderzoekt onaantastbaar of deze weigeringsgrond de uitlevering verhindert. Het Hof gaat enkel na of het onderzoeksgerecht met die beoordeling het begrip flagrante rechtsweigering niet miskent.
- In zoverre het middel in zijn beide onderdelen opkomt tegen de voormelde onaantastbare beoordeling van het arrest of verplicht tot een onderzoek van fei-ten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- Het arrest verwerpt eisers beroep op de toepassing van artikel 2bis, tweede lid, Uitleveringswet 1874 in essentie op de volgende gronden: - de eiser brengt geen concrete gegevens naar voren die het bestaan van een re-eel en ernstig risico op een schending van het EVRM voor hem persoonlijk geloofwaardig maken; - rapporten van nationale of internationale organisaties zijn daartoe als dusda-nig onvoldoende en meerdere door de eiser voorgebrachte arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens hebben geen betrekking op de si-tuatie waarin hij verkeert; - de bedoelde medeverdachte zou volgens bepaalde informatie tijdens zijn ge-vangenschap gefolterd zijn om bekentenissen te verkrijgen, maar volgens de inlichtingen verkregen van het parket-generaal van de Russische Federatie heeft de betrokkene geen klacht neergelegd voor zulke feiten; - gelet op het feit dat er niettemin verschillende klachten zijn geweest over onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden in de gevangenis of geweld bij ondervragingen door de politie in het kader van een strafonder-zoek, zijn er bijkomende garanties gevraagd aan de Russische autoriteiten; - het Russisch parket-generaal heeft een aantal in het arrest vermelde garanties gegeven om het risico op schending van artikel 3 EVRM uit te schakelen; - er is geen reden om aan te nemen dat deze garanties niet zullen worden nage-leefd aangezien de Russische Federatie lid is van de Raad van Europa en het niet-naleven van de gegeven garanties een wantrouwen van de overige Ver-dragsluitende Staten zou veroorzaken en de verdere samenwerking op het ge-bied van rechtshulp in het gedrang zou kunnen brengen; - de eiser maakt zodoende niet aannemelijk dat er een risico bestaat op flagran-te rechtsweigering en hij maakt een ernstig en reëel risico op een behandeling die indruist tegen artikel 3 van het EVRM in geval van uitlevering naar Rus-land onvoldoende waarschijnlijk. Met die redenen onderzoekt het arrest niet op onzorgvuldige wijze het bestaan van de weigeringsgrond van een flagrante rechtsweigering noch miskent het dat begrip, maar is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht ver-antwoord. In zoverre kan het middel in geen van zijn onderdelen worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 25 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250528.2F.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140422.5 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180626.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div