id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.4 Rolnummer: P.19.0482.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 659 - laatst gezien 2026-06-29 07:06 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de tekst van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering volgt dat de rechter een verzet maar ongedaan kan verklaren indien hij vaststelt dat vaststaat dat de eiser in verzet kennis had van de dagvaarding in de verstekprocedure, waarbij vereist is, maar ook volstaat, dat over die kennis geen redelijke twijfel kan bestaan en waarbij dit artikel, noch enige andere bepaling verplicht tot een andere mate van zekerheid; de rechter oordeelt onaantastbaar of de bedoelde kennis bij de beklaagde op verzet vaststaat en het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1)GwH 21 december 2017, arrest 148/2017, BS 12 januari 2017; Cass. 17 januari 2017, AR P.16.0989.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.7, AC 2017, nr. 36, NJW 2017/5, 190 en noot S. ROYER, Bewijslast kennis dagvaarding B. DE SMET, "Verstek en verzet", T. Strafr. 2016, p. 35, nr. 72 en p. 41; P. DHAEYER, "Le régime de l'opposition devant les tribunaux correctionnels et de police", JT 2016, 428; S. VAN OVERBEKE, "Verzet en hoger beroep in strafzaken na de wet van 5 februari 2016 tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie («Potpourri II ») (eerste deel)", RW 2015-16, p. 1409, nr. 18; A. WINANTS, "Potpourri II: de nieuwe regels inzake verzet in strafzaken", NC 2016, p. 337, nr. 8; R. VERSTRAETEN, A. BAILLEUX, J. HUYSMANS en S. DE HERT, "Stevige verbouwingen in het strafprocesrecht: de procedure met voorafgaande erkenning van schuld, de invoering van conclusietermijnen in strafzaken en een vernieuwd stelsel van rechtsmiddelen", in R. VERBRUGGEN (ed.), Straf- en strafprocesrecht, Brugge, die Keure, 2016, 182-183, nr. 93; D. VANDERMEERSCH, "Les voies de recours après la loi pot-pourri II" in, La loi Pot-pourri II, 1 an après, Larcier, Brussel, 2017, 246; P. TRAEST en J. MEESE, "De rechtsmiddelen verzet en hoger beroep: actualia", in P. TRAEST, A. VERHAGE en G. VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, XLIIIe PUC Willy Delva 2016-2017, Mechelen, Kluwer, 2017, 542; O. MICHIELS, L'opposition en matière pénale, reeks Les Dossiers du journal des Tribunaux, nr. 47, Brussel, Larcier 2004, 51-54, nr.
- Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Ongedaanverklaring - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg - Kennis van de dagvaarding in de verstekprocedure - Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Vertegenwoordiging door een advocaat op de zitting waarop de beklaagde is gedagvaard - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verzet - Strafzaken - Ongedaanverklaring - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg - Kennis van de dagvaarding in de verstekprocedure - Vertegenwoordiging door een advocaat op de zitting waarop de beklaagde is gedagvaard - Gevolg Fiche 3 Wanneer een persoon vertegenwoordigd wordt door een advocaat op de rechtszitting waarop hij werd gedagvaard, houdt dit in de regel in dat de advocaat daartoe mandaat heeft gekregen en dat de gedagvaarde persoon kennis heeft van de dagvaarding en dus wist dat hij voor de rechter moest verschijnen. Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Vertegenwoordiging door een advocaat op de zitting waarop de beklaagde is gedagvaard - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0482.N
- Y G, beklaagde,
- V T, beklaagde, eisers, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 5 april
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters het verzet van de eisers ten onrechte ongedaan verklaren; de appelrechters leiden de omstandigheid dat de eisers kennis hadden van de dagvaarding in de verstekprocedure louter en alleen af uit het gegeven dat de advocaat van de eisers op de inleidingszitting is ver-schenen en er dus aangenomen kan worden dat de eisers aan deze advocaat een mandaat hebben gegeven; uit dat gegeven blijkt echter niet met de vereiste ze-kerheid dat de eisers kennis hadden van de dagvaarding, te meer daar de raads-man via een afzonderlijke oproeping eveneens op de hoogte wordt gebracht van de vaststelling van de zaak; de wet vereist dat de kennis van de dagvaarding door de eiser op verzet met absolute zekerheid wordt bewezen; de minste twijfel over die kennis dient in zijn voordeel te worden uitgelegd.
- Krachtens artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering wordt het ver-zet als ongedaan beschouwd, indien: - de eiser op verzet persoonlijk of in de persoon van een advocaat verschijnt; - vaststaat dat de eiser op verzet kennis heeft gehad van de dagvaarding in de procedure waarin hij verstek heeft laten gaan; - de eiser op verzet geen gewag maakt van overmacht of van een wettige reden van verschoning ter rechtvaardiging van zijn verstek bij de bestreden rechts-pleging, waarbij het erkennen van de aangevoerde overmacht of reden van verschoning wordt overgelaten aan het soevereine oordeel van de rechter. Zodoende kan de rechter een verzet maar ongedaan verklaren op grond van die bepaling indien hij vaststelt dat de eiser op verzet kennis had van de dagvaarding in de verstekprocedure. Daartoe is vereist, maar volstaat het ook, dat over die kennis geen redelijke twijfel kan bestaan. Artikel 187, § 6, 1°, Wetboek van Strafvordering noch enige andere bepaling verplicht tot een ander mate van ze-kerheid. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter oordeelt op grond van de voorliggende gegevens onaantastbaar of de bedoelde kennis bij de eiser op verzet vaststaat. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Wanneer een persoon vertegenwoordigd wordt door een advocaat op de rechtszitting waarop hij werd gedagvaard, houdt dit in de regel in dat de advo-caat daartoe mandaat heeft gekregen en dat de gedagvaarde persoon kennis heeft van de dagvaarding en dus wist dat hij voor de rechter moest verschijnen.
- Krachtens artikel 182, derde lid, Wetboek van Strafvordering blijft de dag-vaarding geldig in geval van verdaging van de zaak tot een bepaalde datum of in geval van voortzetting op een bepaalde datum.
- Bij het oordeel dat de eisers kennis hadden van de dagvaarding in de ver-stekprocedure, houdt het arrest rekening met de volgende omstandigheden: - het bevel tot dagvaarding werd betekend op de woonplaats van de eiser 1 en de verblijfplaats van de eiser 2, waar de gerechtsdeurwaarder sprak met de moeder van de eiser 1, aan wie het afschrift van de akte ter hand werd gesteld; - op de inleidingszitting van 29 juni 2018 werden de eisers vertegenwoordigd door een raadsman die ook hun raadsman was in eerste aanleg; - op die inleidingszitting vroeg deze raadsman namens de eisers om conclusie-termijnen te bepalen, hetgeen werd toegestaan en waarop de zaak werd ver-daagd tot de rechtszitting van 31 januari 2019; - op die laatste rechtszitting waren de eisers niet verschenen of vertegenwoor-digd zodat de zaak bij verstek werd behandeld, wat resulteerde in het verstek-arrest van 28 februari
- Uit het geheel van die omstandigheden leidt het arrest af dat: - de eisers na de dagvaarding mandaat hebben gegeven aan hun vaste raadsman om hen te vertegenwoordigen op de inleidingszitting en om conclusietermij-nen te laten bepalen door het hof van beroep; - de eisers dus niet alleen kennis hadden van de dagvaarding, maar ook de draagwijdte ervan begrepen, terwijl het voorwerp van de strafvervolging hen hoe dan ook goed gekend was, gezien zij reeds de procedure voor de eerste rechter hadden doorlopen en zelf ook hoger beroep hadden aangetekend; - van een overmachtssituatie of een wettige reden van verschoning dan ook geen sprake kan zijn en de stelling van de eisers dat zij "geen kennis van de zittingen" hadden "omwille van gebrekkige of afwezige communicatie" met hun advocaat, op niets is gebaseerd; - de stelling dat een "medewerker" van eisers' raadsman zou hebben nagelaten hen in kennis te stellen van de datum van de inleidingszitting en van de datum van de rechtszitting ten gronde onverenigbaar is met de voormelde vaststel-lingen, in het bijzonder het gegeven dat de eisers op de inleidingszitting wa-ren vertegenwoordigd door een raadsman, die bovendien mandaat had om conclusietermijnen te vragen; - de reden van de afwezigheid van de eisers ter rechtszitting van 31 januari 2019 onmiskenbaar dateert van na de inleidingszitting. Aldus verantwoordt het arrest, zonder uit zijn vaststellingen gevolgen te trekken die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden ver-antwoord, naar recht de beslissing dat de eisers in de verstekprocedure kennis hadden van de dagvaarding en de data van de rechtszittingen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Voor het overige verplicht het onderdeel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de verkla-ring van de eisers dat zij niet door hun raadsman werden ingelicht van de datum van de rechtszitting ten gronde, onverenigbaar is met het gegeven dat zij kennis hadden van de initiële dagvaarding en het gegeven dat zij op de inleidingszitting vertegenwoordigd waren door een raadsman; het is immers perfect denkbaar dat, zelfs indien de eisers kennis hadden van de dagvaarding op de inleidingszitting en daar vertegenwoordigd waren door een raadsman, zij niet aanwezig waren op de rechtszitting van 31 januari 2019 omdat hun raadsman hen de datum van die rechtszitting niet heeft meegedeeld; aldus bestaat de door het arrest vastgestelde onverenigbaarheid niet en kan die reden geen grondslag vormen voor de verwer-ping van de door de eisers aangevoerde grond van overmacht of wettige reden van verschoning; evenmin kan op grond van die reden geoordeeld worden dat de afwezigheid van de eisers was ingegeven door de wens om afstand te doen van hun recht om te verschijnen en zich te verdedigen of dat de eisers zonder redelij-ke verantwoording niet zijn komen opdagen, waarbij zij voldoende de gevolgen konden inschatten van de beslissing om afwezig te blijven.
- Het arrest kan uit de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onder-deel wel degelijk afleiden dat de eisers in de verstekprocedure een houding heb-ben ingenomen waarvan zij de gevolgen konden inschatten en die was ingegeven door de wens afstand te doen van hun recht om te verschijnen en zich te verdedi-gen, zodat zij zich niet kunnen beroepen op een wettige reden van verschoning noch op overmacht. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert aan dat de appelrechters ten onrechte oordelen dat de stelling van de eisers dat zij geen kennis hadden van de rechtszittingen omwille van gebrekkige en afwezige communicatie met hun advocaat "op niets gebaseerd is" omdat die stelling onverenigbaar is met de vaststelling dat de eisers op de in-leidingszitting vertegenwoordigd waren door een raadsman, die bovendien man-daat had om conclusietermijnen te vragen; aldus leggen de appelrechters aan de eisers een bewijslast op van het bestaan van de door hen aangevoerde overmacht of wettige reden van verschoning, terwijl een dergelijke omstandigheid door de eisers enkel moest aannemelijk worden gemaakt.
- Met het bekritiseerde oordeel legt het arrest aan de eisers geen bewijslast op, maar beoordeelt het enkel de aannemelijkheid van de door hen aangevoerde grond van overmacht of wettige reden van verschoning. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 94,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 25 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200617.2N.3 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170117.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231010.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div