← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.5 Rolnummer: P.19.0620.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-06-26 Raadplegingen: 246 - laatst gezien 2026-06-28 06:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het vattingsbevel moet precies de woning vermelden waar de aan te houden persoon kan worden aangetroffen, indien het niet zijn woning betreft en op basis van dit bevel kunnen alle lokalen en aanhorigheden van de in het bevel geïdentificeerde woning worden doorzocht ter opsporing van de gezochte persoon, voor zover blijkt dat die lokalen en aanhorigheden daadwerkelijk zijn bedoeld door het bevel; het enkele feit dat aan sommige van die lokalen binnen de bedoelde woning een afzonderlijk busnummer is toegekend en dat zij feitelijk afzonderlijke woonentiteiten vormen, belet niet dat de rechter kan oordelen dat die lokalen en aanhorigheden worden geviseerd met het bevel

(1).
(1)"Vrijheidsbeneming en mogelijkheden tot het betreden van de private woning ter aanhouding van een verdachte, in verdenking gestelde of veroordeelde persoon", Standpunt van het College van procureurs-generaal, T.Strafr. 2011/6, 3375-
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - AANHOUDING Vrije woorden: Vermeldingen van het vattingsbevel - Aanduiding van de woning - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.
  2. N S C, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 juni
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Sectievoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 15 Grondwet, artikel 16 Voorlopige Hechteniswet en de wettelijke bepalingen aangaande het vattingsbevel: de door het arrest vastgestelde ernstige aanwijzingen van schuld vloeien voort uit een onrechtmatige betreding van de woonentiteiten op het adres te Z L 10; door te stellen dat het pand slechts één adres heeft maar er feitelijk meerdere woonentiteiten zouden zijn en vervolgens te oordelen dat al deze woonentiteiten betreden mogen worden wanneer enkel het algemene adres in de machtiging wordt vermeld, miskennen de appelrechters de strikte toepassing van de wettelijke inmenging op het recht op privéleven en de bijhorende onschend-baarheid van de woning; het arrest stelt vast dat de eiser niet officieel woont op het betrokken adres waar er meerdere woonentiteiten, ingedeeld aan de hand van busnummers, zijn; op grond van deze vaststellingen konden de appelrechters niet oordelen dat de woning op regelmatige wijze was betreden.
  5. In zoverre het middel niet preciseert welke wettelijke bepalingen aangaan-de het vattingsbevel door het arrest worden geschonden, is het niet nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  6. Het vattingsbevel moet precies de woning vermelden waar de aan te hou-den persoon kan worden aangetroffen, indien het niet zijn woning betreft. Op ba-sis van dit bevel kunnen alle lokalen en aanhorigheden van de in het bevel ge-identificeerde woning worden doorzocht ter opsporing van de gezochte persoon, voor zover blijkt dat die lokalen en aanhorigheden daadwerkelijk zijn bedoeld door het bevel. Het enkele feit dat aan sommige van die lokalen binnen de be-doelde woning een afzonderlijk busnummer is toegekend en dat zij feitelijk af-zonderlijke woonentiteiten vormen, belet niet dat de rechter kan oordelen dat die lokalen en aanhorigheden worden geviseerd met het bevel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Het arrest oordeelt dat: - het pand slechts één adres heeft en daaraan geen afbreuk wordt gedaan door het feit dat het de facto in meerdere woonentiteiten zou zijn ingedeeld aan de hand van busnummers; - het bevel tot gevangenneming van 7 juni 2018 de politie uitdrukkelijk mach-tigde om zich toegang te verschaffen tot het pand te Z L 10 ondanks het gege-ven dat de gezochte persoon aldaar niet officieel woonachtig was; - uit het aanvankelijk proces-verbaal blijkt dat de politie zich aanbood aan de toegangspoort, waar op aanbellen werd geopend door E.D., die de politie bin-nenliet; - er geen opmerkingen werden gemaakt met betrekking tot eventueel andere bewoners buiten haar zonen en vader. Met deze redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat er geen onregelmatige betreding van de woning was. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  8. In zoverre het middel een schending van artikel 16 Voorlopige Hechtenis-wet aanvoert, is het afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde wetschending en bij-gevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM, artikel 15 Grondwet en artikel 16 Voorlopige Hechteniswet en de wettelijke bepalingen aangaande het vattingsbevel: het arrest kon niet oordelen dat de politionele in-formatie een voldoende grondige aanwijzing is tot machtiging om de woning te betreden; de politionele informatie is geenszins zeker daar de verbalisanten stel-len dat de eiser mogelijks verblijft op het betrokken adres en deze informatie werd niet nagetrokken of geverifieerd en niet bevestigd; aan de eiser werd niet toegelaten kennis te nemen van deze politionele informatie, zodat zijn recht van verdediging wordt miskend; het vattingsbevel is bijgevolg onregelmatig, zodat de appelrechters op grond daarvan niet konden oordelen dat er voldoende ernsti-ge aanwijzingen van schuld bestaan.
  10. Artikel 6 EVRM is in de regel niet van toepassing inzake voorlopige hech-tenis. In zoverre faalt het middel naar recht.
  11. In zoverre het middel niet preciseert welke wettelijke bepalingen aangaan-de het vattingsbevel door het arrest worden geschonden, is het niet nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  12. Door de enkele omstandigheid dat het een inverdenkinggestelde niet wordt toegelaten kennis te nemen van de oorsprong en de inhoud van politionele in-formatie op basis waarvan het vattingsbevel werd verleend, wordt zijn recht van verdediging niet miskend. In zoverre faalt het middel naar recht.
  13. In zoverre het middel een schending van artikel 16 Voorlopige Hechtenis-wet aanvoert, is het afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde onwettigheid en bij-gevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 15 Grondwet, artikel 16 Voorlopige Hechteniswet, de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wet-boek en de wettelijke bepalingen aangaande het vattingsbevel: het arrest oordeelt ten onrechte dat de loods waarin het voertuig werd gevonden dat aanleiding heeft gegeven tot bijkomende processen-verbaal die de basis vormen van het huidig gerechtelijk onderzoek, deel uitmaakte van het pand dat mocht worden onder-zocht, zoals blijkt uit het aanvankelijk proces-verbaal; de bewijskracht van het proces-verbaal wordt aldus miskend.
  15. In zoverre het middel niet preciseert welke wettelijke bepalingen aangaan-de het vattingsbevel door het arrest worden geschonden, is het niet nauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.
  16. Met het oordeel dat de aanpalende loods of garage deel uitmaakte van de woning, geven de appelrechters geen uitlegging van het aanvankelijk proces-verbaal, maar beoordelen zij de bewijswaarde ervan. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
  17. Voor het overige is het middel afgeleid uit deze vergeefs aangevoerde on-wettigheid en bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit sectievoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, de raadsheren Filip Van Volsem, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 25 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190625.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.