← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 juni 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.3 Rolnummer: C.18.0398.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Bestuursrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-07-23 Raadplegingen: 831 - laatst gezien 2026-06-29 10:06 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.3 Fiche 1 De beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Gerechtelijk Wetboek, kennisneemt van de vorderingen betreffende de middelen tot tenuitvoerlegging, beoordeelt de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de tenuitvoerlegging; hij is aldus bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uitvoerbare titel blijkt, niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk geval deze niet meer actueel is en de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - GEDWONGEN TENUITVOERLEGGING Vrije woorden: Beslagrechter - Bevoegdheid - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 1395, eerste lid, en 1498 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 De dwangsom verbeurt verder zolang de hoofdveroordeling niet is uitgevoerd en de titel actueel is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DWANGSOM Vrije woorden: Verbeurte - Termijn - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1385quater - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Uit artikel 4.2.24, §1, eerste en tweede lid, VCRO, zoals van toepassing vóór zijn opheffing bij decreet van 25 april 2014, volgt dat een regularisatievergunning slechts gevolgen heeft voor de toekomst; de regularisatievergunning doet de titel waarbij een herstelmaatregel werd opgelegd niet met terugwerkende kracht teniet; zij heeft enkel tot gevolg dat deze titel niet langer actueel is, zodat de uitvoering van de herstelmaatregel niet meer kan worden gevorderd en de aan de herstelmaatregel gekoppelde dwangsom niet verder verbeurt; de dwangsommen die zijn verbeurd vóór het afleveren van de regularisatievergunning blijven daarentegen verschuldigd en kunnen verder worden ingevorderd, behoudens rechtsmisbruik en onverminderd de eventuele toepassing van artikel 1385 quinquies Gerechtelijk Wetboek
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Vrije woorden: Herstel van plaats in de vorige staat - Regularisatievergunning - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 4.2.24, § 1, eerste en tweede lid - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiche 4 De vraag naar het effect van de afgifte van een regularisatievergunning op een beslissing waarbij het herstel van de plaats in de vorige toestand wordt bevolen, dient naar intern Belgisch recht te worden beantwoord en heeft geen uitstaans met de artikelen 3 en 4 Eenvormige Wet betreffende de dwangsom; de vraag dient bijgevolg niet te worden gesteld
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BENELUX - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Vraagstelling aan het Benelux Gerechtshof - Voorwaarde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 31 januari 1980 houdende goedkeuring van de Benelux-Overeenkomst houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom, en van de Bijlage (eenvormige wet betreffende de dwangsom), ondertekend te 's-Gravenhage op 26 november 1973 - 31-01-1980 - Artt. 3 en 4 - 30 ELI link Pub nr 1980013101 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0398.N STEDENBOUWKUNDIGE INSPECTEUR BEVOEGD VOOR DE PRO-VINCIE ANTWERPEN, met kantoor te 2018 Antwerpen, Lange Kievitstraat 111-113, bus 55, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest, tegen V.F., e.a., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 12 februari
  1. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 3 mei 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Krachtens artikel 1494 Gerechtelijk Wetboek mag geen uitvoerend beslag worden gelegd dan krachtens een uitvoerbare titel en wegens vaststaande en ze-kere zaken. De beslagrechter die, krachtens de artikelen 1395, eerste lid, en 1498 Gerechte-lijk Wetboek, kennisneemt van de vorderingen betreffende de middelen tot ten-uitvoerlegging, beoordeelt de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de ten-uitvoerlegging. Hij is aldus bevoegd om te onderzoeken of de schuldvordering die uit de uit-voerbare titel blijkt, niet is tenietgegaan na het ontstaan van de titel, in welk ge-val deze niet meer actueel is en de tenuitvoerlegging onrechtmatig zou zijn.
  3. Luidens artikel 1385quater Gerechtelijk Wetboek komt de dwangsom, eenmaal verbeurd, ten volle toe aan de partij die de veroordeling heeft verkre-gen. Deze partij kan de dwangsom ten uitvoer leggen krachtens de titel waarbij zij is vastgesteld. De dwangsom verbeurt verder zolang de hoofdveroordeling niet is uitgevoerd en de titel actueel is.
  4. Artikel 4.2.24, § 1, eerste lid, VCRO, zoals van toepassing vóór zijn ophef-fing bij decreet van 25 april 2014, bepaalt dat een regularisatievergunning een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning is die tijdens of na het verrichten van vergunningsplichtige handelingen wordt afgeleverd. Krach-tens het tweede lid van deze bepaling worden bij de beoordeling van de aanvraag de actuele regelgeving, stedenbouwkundige voorschriften en eventuele verkave-lingsvoorschriften als uitgangspunt genomen. Uit deze bepaling volgt dat een regularisatievergunning slechts gevolgen heeft voor de toekomst. De regularisatievergunning doet de titel waarbij een herstel-maatregel werd opgelegd niet met terugwerkende kracht teniet. Zij heeft enkel tot gevolg dat deze titel niet langer actueel is, zodat de uitvoering van de her-stelmaatregel niet meer kan worden gevorderd en de aan de herstelmaatregel ge-koppelde dwangsom niet verder verbeurt. De dwangsommen die zijn verbeurd vóór het afleveren van de regularisatievergunning blijven daarentegen verschul-digd en kunnen verder worden ingevorderd, behoudens rechtsmisbruik en on-verminderd de eventuele toepassing van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek.
  5. Uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat: - wijlen L.V. en de eerste verweerster bij arrest van 12 november 2008 werden veroordeeld tot het slopen van een loods binnen het jaar vanaf het in kracht van gewijsde treden van het arrest; - na afwijzing van het cassatieberoep tegen dit arrest, de hersteltermijn afliep op 28 april 2010; - L.V.en de eerste verweerster, die inmiddels een regularisatievergunning had-den aangevraagd, na afloop van de hersteltermijn niet overgingen tot afbraak van de loods; - de eiser overging tot invordering van verbeurde dwangsommen; - op 9 april 2015, na vernietiging van een eerdere regularisatievergunning door de Raad voor Vergunningbetwistingen, door de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen een nieuwe regularisatievergunning werd afgeleverd voor de loods, die niet werd aangevochten en die thans definitief is. De appelrechters oordelen dat: - ingevolge het definitief geworden besluit van de Bestendige Deputatie de ver-plichting voor de verweerders om de loods af te breken is komen te vervallen en dit logischerwijze ook geldt voor het verleden; - de verweerders de loods niet moesten afbreken om ze na afbraak vanaf 9 april 2015 terug te mogen opbouwen; - de regularisatievergunning geen impliciete handhaving inhield van een af-braakverplichting die tot 9 april 2015 zou gegolden hebben; deze verplichting door de regularisatie ongedaan is gemaakt; - de afbraaktitel bijgevolg niet langer uitvoerbare kracht heeft, zelfs niet ge-deeltelijk, precies omdat door de beslissing van de Bestendige Deputatie de rechtstoestand die aan de basis lag van de hoofdveroordeling fundamenteel gewijzigd werd; - het verval van de afbraaktitel leidt tot het verval van de dwangsomveroorde-ling die hiervan het accessorium is; - het gegeven dat de instandhouding tot op het ogenblik van de regularisatie anderzijds wel als misdrijf kon worden aangemerkt, hieraan hoegenaamd geen afbreuk doet.
  6. Door op die gronden te oordelen dat de dwangsomtitel, ook voor wat be-treft de dwangsommen die zijn verbeurd vóór de aflevering van de regularisatie-vergunning, niet langer geldig en uitvoerbaar is en de eiser bovendien te veroor-delen tot schadevergoeding wegens foutieve uitvoering, verantwoorden de appel-rechters hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Prejudiciële vraag
  7. De verweerders verzoeken het Hof desgevallend de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Benelux Gerechtshof: "Moeten de artikelen 3 en 4, eerste lid, van de Bijlage bij de Benelux-overeenkomst van 26 november 1973 houdende eenvormige wet betreffende de dwangsom in die zin worden uitgelegd dat de be-slissing van de executierechter dat de titel, waarbij de dwangsom werd opgelegd, ingevolge het opduiken van een nieuwe gebeurtenis die geen overmacht vormt, geacht wordt niet langer actueel te zijn vanaf de uitspraak van voormelde titel, verhindert dat de in het verleden reeds verbeurde dwangsommen nog zouden worden ingevorderd?"
  8. Het middel voert in essentie aan dat een regularisatievergunning slechts geldt voor de toekomst, dat zij de toestand voor het verleden onaangetast laat en dat voordien verbeurde dwangsommen bijgevolg verschuldigd blijven. De vraag naar het effect van de afgifte van een regularisatievergunning op een beslissing waarbij het herstel van de plaats in de vorige toestand wordt bevolen, dient naar intern Belgisch recht te worden beantwoord en heeft geen uitstaans met de artikelen 3 en 4 Eenvormige Wet betreffende de dwangsom. De vraag dient bijgevolg niet te worden gesteld. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van grif-fier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190628.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190628.3 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241122.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.