← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.3 Rolnummer: P.19.0686.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Overige Invoerdatum: 2019-07-23 Raadplegingen: 763 - laatst gezien 2026-06-29 07:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer een illegaal in het Rijk verblijvende vreemdeling wordt vastgehouden op grond van artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet, vervolgens op grond van artikel 74/6, § 1, Vreemdelingenwet

(1)en daarna opnieuw op grond van artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet, komt enkel de laatste termijn van vrijheidsberoving in aanmerking voor het maximumtermijnen bepaald in artikel 7 Vreemdelingenwet; dit houdt in dat geen rekening wordt gehouden met de termijn van vrijheidsberoving die voorafgaat aan de vrijheidsberoving op grond van artikel 74/6, § 1, Vreemdelingenwet
(2).
(1)Het arrest vermeldt in zijn §3 kennelijk bij verschrijving artikel 76/4, dat niet bestaat.
(2)Zie Cass. 27 november 2002, AR P.02.1402.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021127.13, AC 2002, nr 635 (begrip "autonome titel van vrijheidsberoving"). Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Vasthouding op grond van artikel 7, derde lid, vervolgens op grond van artikel 76/4, § 1, en daarna opnieuw op grond van artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet - Maximumtermijnen bepaald in artikel 7 Vreemdelingenwet - Berekening Wettelijke bepalingen: Wet - 15-12-1980 - Artt. 7 en 74/6, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Richtlijn EG/EU - 16-12-2008 - Artt. 15.5 en 15.6 Fiches 2 - 3 Wanneer het cassatieberoep gericht is tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over het beroep bij de rechterlijke macht zoals bepaald in de artikelen 71 tot 74 Vreemdelingenwet, kan het Hof ambtshalve vaststellen dat de eiser door overmacht zijn memorie laattijdig op de griffie heeft neergelegd
(1). (Impliciete oplossing).
(1)Art. 429, lid 1, Sv, bepaalt dat « (...) de eiser in cassatie zijn middelen slechts [kan] aanvoeren in een memorie (...) die hij uiterlijk vijftien dagen voor de terechtzitting ter griffie van het Hof van Cassatie doet toekomen », d.i. behoudens overmacht. 'De termijn van vijftien dagen bedoeld in artikel 429, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd door artikel 31 van de wet van 14 februari 2014 met betrekking tot de rechtspleging voor het Hof van Cassatie in strafzaken, is een volle termijn, wat inhoudt dat vijftien volledig vrije dagen moeten worden gelaten tussen de dag van de indiening van de memorie en de dag van de rechtszitting; indien de zestiende en de zeventiende dag vóór de rechtszitting een zaterdag, zondag of feestdag zijn, moet de memorie ervóór zijn neergelegd' (Cass. 19 mei 2015, AR P.15.0559.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.4, AC 2015, nr. 326 en noot getekend AW; zie Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0375.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.14, AC 2019, nr. 271 en noot OM; contra Cass. 21 juni 2017, AR P.17.0617.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170621.1, AC 2017, nr. 410). De Vreemdelingenwet maakt geen melding van het cassatieberoep, zodat het cassatieberoep gericht tegen het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat uitspraak doet over het beroep bij de rechterlijke macht zoals bepaald in de artikelen 71 tot 74 van die wet, nog steeds door het Wetboek van Strafvordering wordt geregeld (Cass. 7 september 2016, AR P.16.0926.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160907.4, AC 2016, nr. 465; Cass. 21 december 2011, AR P.11.2042.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111221.1, AC 2011, n° 703, RW, 2012-2013, blz. 1138, nota B. DE SMET, « Wettigheidscontrole op de aanhouding van een illegale vreemdeling met het oog op verwijdering van het grondgebied »), met name inzake termijnen (D. VANDERMEERSCH en M. NOLET DE BRAUWERE, « De rechtspraak van het Hof van Cassatie naar aanleiding van de hervormingen van de cassatieprocedure in strafzaken », Jaarverslag van het Hof van Cassatie, 2016, Larcier, blz. 172). « Aangezien [zo'n] cassatieberoep door het Hof bij hoogdringendheid wordt onderzocht, hoeft de raadsman van de eiser niet op een brief van de griffie te wachten om te weten dat de zaak spoedig zal worden vastgesteld » (Cass. 21 juni 2017, AR P.17.0617.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170621.1, AC 2017, nr. 410; Cass. 7 februari 2018, AR P.18.0116.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.1, AC 2018, nr. 83). Maar « wanneer de advocaat van de eiser wegens een laattijdige oproeping onmogelijk zijn memorie kon neerleggen binnen de termijn van vijftien dagen voor de rechtszitting, kan het Hof die memorie niet onontvankelijk verklaren hoewel deze het voorschrift van artikel 429 Wetboek van Strafvordering niet naleeft » (Cass. 14 september 2016, AR P.16.0936.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160914.3, AC 2016, nr. 492, en concl. OM 'in hoofdzaak' op datum in Pas.). Zo heeft het Hof de overmacht impliciet vastgesteld in zaken waarin de memorie op de 15de dag (Cass. 23 december 2015, AR P.15.1596.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.4, AC 2015, nr. 781 en gelijkluidende concl. van advocaat-generaal VANDERMEERSCH, op datum in Pas.) of op de 9de dag vóór de terechtzitting (Cass. 14 september 2016, AR P.16.0936.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160914.3, AC 2016, nr. 492 en concl. OM 'in hoofdzaak', op datum in Pas.) is neergelegd. In andere arresten heeft het Hof vastgesteld dat de memorie van de vreemdeling laattijdig was in zaken waarin de memorie op de 6de dag (Cass. 26 juli 2017, AR P.17.0757.F, arrest niet gepubliceerd), op de 5de dag (Cass. 7 februari 2018, AR P.18.0116.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.1, AC 2018, nr. 83; Cass. 10 april 2019, AR P.19.0308.F, arrest niet gepubliceerd) of op de 2de dag (Cass. 21 juin 2017, AR P.17.0617.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170621.1, AC 2017, n° 410) vóór de terechtzitting was neergelegd. In huidige zaak heeft het Hof impliciet ambtshalve de overmacht vastgesteld, terwijl in recente (door het OM aangevoerde) arresten, de overmacht niet ambtshalve is vastgesteld in zaken waarin het bewijs van de betekening van het cassatieberoep 15 dagen (Cass. 29 mei 2019, AR P.19.0493.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.3, AC 2019, nr. 336 - cassatieberoep van de Belgische Staat) of de memorie 14 dagen (Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0375.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.14, AC 2019, nr. 271, noot OM - cassatieberoep van de Belgische Staat) of 9 dagen (Cass. 12 juni 2019, AR P.19.0534.F, arrest niet gepubliceerd - cassatieberoep van de vreemdeling) vóór de terechtzitting is neergelegd. (MNB) Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Vrije woorden: Vasthouding op grond van de Vreemdelingenwet - Cassatieberoep - Memorie - Laattijdige neerlegging - Overmacht - Ambtshalve vaststelling door het Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 15-12-1980 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Vasthouding op grond van de Vreemdelingenwet - Memorie - Laattijdige neerlegging - Overmacht - Ambtshalve vaststelling door het Hof Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 429, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 15-12-1980 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0686.N Z. A. O., vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Pachecolaan 44, ambtshalve tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 juni
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van de artikelen 7, zevende lid, en 74/6, § 2, Vreemdelingenwet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de maximumtermijn van vijf maanden opsluiting slechts dient te worden berekend vanaf eisers op-sluiting op 22 mei 2019; die opsluiting is gesteund op artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet; de eiser was op grond van die bepaling ook al opgesloten van 20 november 2018 tot 29 maart 2019; vanaf 29 maart 2019 tot de beslissing van 22 mei 2019 was hij opgesloten op grond van artikel 74/6, § 1, Vreemdelin-genwet; om de bedoelde maximumtermijn te berekenen, moeten de periodes van opsluiting op grond van artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet worden samenge-teld; aldus is die maximumtermijn overschreden en moest de eiser in vrijheid worden gesteld.
  3. Artikel 7 Vreemdelingenwet bepaalt: - in zijn eerste lid, dat de minister of zijn gemachtigde in de daar bepaalde ge-vallen een bevel om het grondgebied binnen een bepaalde termijn te verlaten mag of moet afgeven aan de daar bedoelde vreemdeling; - in zijn derde lid dat, te dien einde, de vreemdeling onder bepaalde voorwaar-den kan worden vastgehouden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel, voor een termijn die twee maanden niet te boven mag gaan; - in zijn zevende lid, dat de vreemdeling, na vijf maanden te zijn opgesloten, in vrijheid moet worden gesteld; - in zijn achtste lid dat, in de daar bepaalde gevallen, de opsluiting van de vreemdeling na het verstrijken van die termijn telkens kan worden verlengd met één maand, zonder dat de totale duur van de opsluiting daardoor evenwel meer dan acht maanden mag bedragen. Wanneer de vreemdeling een verzoek om internationale bescherming indient, kan de minister hem in een welbepaalde plaats in het Rijk vasthouden voor een termijn van maximum twee maanden, eventueel verlengbaar, onder de voor-waarden bepaald in artikel 74/6, § 1, Vreemdelingenwet. Artikel 52/3, § 3, Vreemdelingenwet bepaalt dat indien de vreemdeling op het moment van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming reeds het voorwerp uitmaakt van een verwijderingsmaatregel waaraan hij nog geen ge-volg heeft gegeven, de uitvoerbaarheid van die maatregel wordt opgeschort tij-dens de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Wanneer definitief het verzoek om internationale bescherming is geweigerd of niet ontvankelijk verklaard of de behandeling van het verzoek is beëindigd, geeft de minister of zijn gemachtigde, krachtens artikel 52/3, § 1, Vreemdelingenwet, aan de vreemdeling het bevel om het grondgebied te verlaten, gemotiveerd op basis van één van de gronden voorzien in artikel 7, eerste lid, Vreemdelingenwet. Artikel 74/6, § 2, Vreemdelingenwet bepaalt tenslotte dat, eenmaal de in artikel 52/3, § 1, bedoelde vreemdeling het voorwerp uitmaakt van een uitvoerbare maatregel tot verwijdering, de bepalingen van artikel 7, tweede tot achtste lid, en van titel IIIquater van toepassing zijn.
  4. Uit die bepalingen volgt dat, wanneer een illegaal in het Rijk verblijvende vreemdeling wordt vastgehouden op grond van artikel 7, derde lid, Vreemdelin-genwet, vervolgens op grond van artikel 76/4, § 1, Vreemdelingenwet en daarna opnieuw op grond van artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet, enkel de laatste termijn van vrijheidsberoving in aanmerking komt voor het berekenen van de maximumtermijnen bepaald in artikel 7 Vreemdelingenwet. Dit houdt in dat geen rekening wordt gehouden met de termijn van vrijheidsberoving die vooraf-gaat aan de vrijheidsberoving op grond van artikel 76/4, § 1, Vreemdelingenwet. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet eisers verweer over de schending van artikel 15.5 en 15.6 van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de te-rugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied ver-blijven (hierna Terugkeerrichtlijn).
  6. Met overname van de redenen van de brief van de fod Binnenlandse Zaken, Algemene Directie Vreemdelingenzaken, van 4 juni 2019 oordeelt het arrest dat de maximumtermijn van eisers opsluiting dient te worden berekend vanaf zijn opsluiting op 22 mei
  7. Bijgevolg dient het niet te antwoorden op eisers doel-loze verweer over de schending van artikel 15.5 en 15.6 Terugkeerrichtlijn. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 15.5 en 15.6 Terugkeerricht-lijn en artikel 7, zevende lid, Vreemdelingenwet: het arrest stelt ten onrechte niet vast dat de administratieve beslissing van 22 mei 2019 in strijd is met de ver-melde verdragsbepalingen; krachtens deze bepalingen, die in het Belgisch recht zijn omgezet bij artikel 7 Vreemdelingenwet, kan de maximale bewaringsduur niet meer dan zes maanden bedragen en kan die duur hoogstens met twaalf maanden worden verlengd indien de vreemdeling niet meewerkt of de nodige documentatie uit derde landen op zich laat wachten; de administratieve beslis-sing van 22 mei 2019 stelt die omstandigheden niet vast.
  9. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is derhalve niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. K. Vanden Bossche F. Lugentz E. de Formanoir S. Geubel E. Francis B. Deconinck Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sabine Geubel, Eric de Formanoir en Frédéric Lugentz, en op de openbare rechtszitting van 17 juli 2019 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021127.13 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111221.1 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150519.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151223.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160907.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160914.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170621.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180207.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.14 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190529.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.