← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4 Rolnummer: P.19.0732.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-07-23 Raadplegingen: 776 - laatst gezien 2026-06-29 06:58 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 Het onderzoeksgerecht, dat in geval van handhaving van de voorlopige hechtenis dient te beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden het verweer van de inverdenkinggestelde beantwoorden

(1)en de bij artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet vereiste gegevens preciseren.
(1)Zie Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC 2019, nr. 273 en nota OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Verplichting op de conclusie te antwoorden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Verplichting op de conclusie te antwoorden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Verplichting op de conclusie te antwoorden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Onderzoeksgerecht - Voorlopige hechtenis - Handhaving - Verplichting op de conclusie te antwoorden - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 23, 4° - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 5 - 8 De artikelen 5 en 6 EVRM vereisen niet dat de inverdenkinggestelde een afschrift krijgt van het dossier van de voorlopige hechtenis
(1)en artikel 21, § 3, tweede en derde zin, Voorlopige Hechteniswet
(2)is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid; bijgevolg kan het onderzoeksgerecht de voorlopige hechtenis enkel opheffen indien het vaststelt dat door de onmogelijkheid tot kopiename het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde onherroepelijk is geschaad.
(1)Zie Cass. 13 mei 2014, AR P.14.0768.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140513.4, AC 2014, nr. 341 (artt. 5.1.c, 5.4 en 6.3.d EVRM) ; Cass. 6 september 2011, RG P.11.0501.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110906.6, AC 2011, nr. 452 (recht van verdediging en recht op een eerlijk proces).
(2)Zoals aangevuld door art. 156 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Recht van de inverdenkinggestelde om een afschrift te krijgen van het dossier - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Artt. 5.4 en 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Recht van de inverdenkinggestelde om een afschrift te krijgen van het dossier - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Artt. 5.4 en 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Recht van de inverdenkinggestelde om een afschrift te krijgen van het dossier - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Artt. 5.4 en 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Recht van de inverdenkinggestelde om een afschrift te krijgen van het dossier - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Artt. 5.4 en 6.3 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0732.N D. R., inverdenkinggestelde, gedetineerd, eiser, met als raadslieden mr. Eline Tritsmans en mr. Louis De Groote, advocaten bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 5 juli
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechte-niswet: met de eenvoudige verwijzing naar de gegevens van het bevel tot aan-houding en de reden dat de door de eiser gegeven interpretatie van de feiten geen afbreuk doet aan de ernstige aanwijzingen van schuld, beantwoordt het arrest niet eisers verweer dat er voor de hem verweten feiten geen ernstige aanwijzin-gen van schuld bestaan of dat die feiten geen misdrijven opleveren.
  3. Het onderzoeksgerecht, dat in geval van handhaving van de voorlopige hechtenis dient te beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzon-derheden het verweer van de inverdenkinggestelde beantwoorden en de bij arti-kel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet vereiste gegevens preciseren.
  4. Met de overname van de redenen van het bevel tot aanhouding vermeldt het arrest de gegevens waaruit de ernstige aanwijzingen van schuld ten laste van de eiser blijken. Uit die redenen volgt ook dat de aan de eiser verweten feiten, indien bewezen, misdrijven kunnen uitmaken. Verder verwerpt het arrest eisers verweer dat uitgaat van het tegendeel. Aldus beantwoordt het dat verweer en voldoet het aan de vereisten van artikel 23, 4°, Voorlopige Hechteniswet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM: door het in het eerste onderdeel aangevoerde motiveringsgebrek onderwerpt de kamer van inbeschuldigingstelling eisers detentie niet aan een werkelijke rechterlijke con-trole en miskent het eisers recht van verdediging.
  6. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van de artikelen 5 en 6 EVRM en artikel 21, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechts-beginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging: de eiser noch zijn raadsman is in de mogelijkheid gesteld om met eigen middelen het strafdossier in te scannen met het oog op het voeren van verweer; het arrest remedieert niet aan die onwettigheid door het bevel tot aanhouding op te heffen.
  8. Artikel 21, § 3, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet, zoals gewijzigd bij ar-tikel 156 van de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake infor-matisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in onderne-mingszaken en inzake de notariële aktebank, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 19 juni 2019 en in werking getreden op 29 juni 2019, bepaalt: "§
  9. Het dossier wordt gedurende de laatste werkdag vóór de verschijning ter beschikking gehouden van de verdachte en van zijn raadsman. De inzage van het dossier houdt in dat de verzoeker of zijn advocaat er zelf met hun eigen middelen kosteloos een kopie van kunnen nemen ter plaatse. De onderzoeksrechter kan echter, op gemotiveerde wijze, de kopiename van het dossier of van bepaalde stukken ervan verbieden indien de noodwendigheden van het gerechtelijk onder-zoek dit vereisen, of indien kopiename een gevaar zou opleveren voor personen of een ernstige schending van hun privéleven zou inhouden."
  10. Eensdeels vereisen de artikelen 5 en 6 EVRM niet dat de inverdenkingge-stelde een afschrift krijgt van het dossier van de voorlopige hechtenis. Ander-deels is artikel 21, § 3, tweede en derde zin, Voorlopige Hechteniswet niet voor-geschreven op straffe van nietigheid. Bijgevolg kan het onderzoeksgerecht de voorlopige hechtenis enkel opheffen indien het vaststelt dat door de onmogelijk-heid tot kopiename het recht van verdediging van de inverdenkinggestelde on-herroepelijk is geschaad. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het arrest oordeelt: "Er ligt geen schending van de artikelen 5 en 6 EVRM voor. Uit het attest van 4 juli 2019 blijkt dat inverdenkinggestelde uitdrukkelijk heeft verklaard volledige kennis te hebben van het strafdossier, zodat hij in staat was zijn verdediging te voeren. Ook zijn advocaten, die hem reeds bijstand heb-ben verleend bij zijn verhoor, hebben kennis kunnen nemen van het volledige dossier, wat ten andere blijkt uit de conclusies. Het loutere feit dat zij het dos-sier niet zou [-den] hebben kunnen scannen doet hieraan geen afbreuk. De wa-pengelijkheid werd bijgevolg in acht genomen". Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sabine Geubel, Eric de Formanoir en Frédéric Lugentz, en op de openbare rechtszitting van 17 juli 2019 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190717.4 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110906.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140513.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211207.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220705.VAK.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230822.VAK.9 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.32 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.