← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 juli 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1 Rolnummer: P.19.0744.N Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2019-07-29 Raadplegingen: 781 - laatst gezien 2026-06-29 09:04 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het onderzoeksgerecht dat beslist over de voorlopige hechtenis moet onder meer nagaan of er op het ogenblik van zijn uitspraak nog steeds aanwijzingen van schuld bestaan ten laste van de aangehouden inverdenkinggestelde

(1); wanneer die aanwijzingen van schuld worden afgeleid uit een bewijsverkrijging waarvan de regelmatigheid wordt betwist, is het onderzoeksgerecht dat geen onderzoek doet met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, slechts gehouden tot een prima facie onderzoek van de regelmatigheid van de bewijsverkrijging
(2).
(1)Cass. 5 mei 2009, AR P.09.0615.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090505.16, AC 2009, nr. 295.
(2)Zie Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC 2019, nr. 273; Cass. 4 december 2018, AR P.18.1184.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5, AC 2018, nr. 683; Cass. 13 december 2017, AR P.17.1203.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171213.1, AC 2017, nr. 712; Cass. 12 juni 2013, AR P.13.0994.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130612.5, AC 2013, nr. 364; Cass. 11 februari 2004, AR P.04.0203.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040211.10, AC 2004, nr. 74; Cass. 20 februari 2001, AR P.01.0235.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.8, AC 2001, nr. 106, en nota M.D.S. "Die omstandigheid neemt evenwel niet weg dat wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling tevens geroepen is met toepassing van artikel 235bis, § 2, Wetboek van Strafvordering uitspraak te doen over de regelmatigheid van een of meerdere onderzoekshandelingen, zij dit onderzoek moet doen, ook al kan zij dit onderzoek op een latere datum uitstellen" (Cass. 3 juli 2007, AR P.07.0920.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070703.1, §4, AC 2007, nr. 370). Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Voorwaarden - Aanwijzingen van schuld op het ogenblik van de uitspraak - Betwisting van de regelmatigheid van de bewijsverkrijging - Prima facie onderzoek Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Onderzoeksgerechten - Voorwaarden - Aanwijzingen van schuld op het ogenblik van de uitspraak - Betwisting van de regelmatigheid van de bewijsverkrijging - Prima facie onderzoek Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Voorwaarden - Aanwijzingen van schuld op het ogenblik van de uitspraak - Betwisting van de regelmatigheid van de bewijsverkrijging - Prima facie onderzoek Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 23, 4°, en 30, §§ 1 en 4 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 8 Het recht van verdediging, waartoe het recht op tegenspraak behoort, vereist dat het openbaar ministerie dat gebruik wil maken van gegevens uit een ander strafdossier, aan de verdediging opgave doet van alle pertinente bewijselementen uit dat dossier, zowel à charge als à décharge, die het in zijn bezit heeft; daartoe behoren niet enkel de bewijselementen die een rechtstreeks belang hebben voor de feiten van de zaak, maar ook deze die betrekking kunnen hebben op de ontvankelijkheid, de betrouwbaarheid en de volledigheid van de eerst vermelde bewijselementen; dat recht is evenwel niet absoluut en kan onderhevig zijn aan beperkingen, onder meer in de fase van het gerechtelijk onderzoek, wanneer de inverdenkinggestelde zich nog niet voor de vonnisrechter moet verdedigen tegen de lastens hem ingebrachte beschuldiging; ook kunnen de gegevens verkregen uit het afzonderlijke dossier zelf nog het voorwerp uitmaken van een lopend onderzoek
(1); het recht van verdediging vereist niet dat op het moment waarop het onderzoeksgerecht op grond van artikel 21 Voorlopige Hechteniswet overgaat tot het nazicht van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis, reeds alle voormelde bewijselementen zijn toegevoegd aan het strafdossier
(2).
(1)Zie Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC. 2019, nr. 273 en ref. in nota.
(2)Zie E.H.R.M., 17 april 2018, Paci t. België, nr. 45597/09, §§85 et sq; L. HUYBRECHTS, "Het gebruik in het strafproces van een ander strafdossier", in: Om deze redenen, Liber Amicorum Armand Vandeplas, Gent, Mys en Breesch, 1994, pp. 283-304. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Recht van verdediging - Recht op tegenspraak - Bewijsvoering - Gebruik van gegevens uit een ander, niet gevoegd strafdossier - Opgave van alle pertinente bewijselementen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Recht op tegenspraak - Bewijsvoering - Gebruik van gegevens uit een ander, niet gevoegd strafdossier - Opgave van alle pertinente bewijselementen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regelmatigheid van de procedure Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Recht van verdediging - Recht op tegenspraak - Bewijsvoering - Gebruik van gegevens uit een ander, niet gevoegd strafdossier - Opgave van alle pertinente bewijselementen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Recht van verdediging - Recht op tegenspraak - Bewijsvoering - Gebruik van gegevens uit een ander, niet gevoegd strafdossier - Opgave van alle pertinente bewijselementen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Recht van verdediging - Recht op tegenspraak - Bewijsvoering - Gebruik van gegevens uit een ander, niet gevoegd strafdossier - Opgave van alle pertinente bewijselementen - Verplichting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 21 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 9 - 10 Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel belet de kamer van inbeschuldigingstelling de gegevens die ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken, te preciseren door de overname van de redenen van het bevel tot aanhouding
(1).
(1)Zie Cass. 5 oktober 2016, AR P.16.0420.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161005.2, AC 2016, nr. 546: "Geen enkele wetsbepaling verbiedt de appelrechters de redenen van de eerste rechter over te nemen als grondslag voor hun beslissing en de verwijzing naar die redenen geeft aan dat zij de relevantie ervan ten aanzien van het voor hen aangevoerde verweermiddel hebben erkend". Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Voorwaarden - Aanwijzingen van schuld - Motivering - Overname van de redenen van het bevel tot aanhouding - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Handhaving - Voorwaarden - Aanwijzingen van schuld - Motivering - Overname van de redenen van het bevel tot aanhouding - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 21 en 30 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0744.N K. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sahil Malik, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 juli
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging, in het bijzonder het recht op tegenspraak: het arrest oordeelt eensdeels dat de verwijzing naar de elementen uit het onderzoeksdossier 2018/104 van onderzoeksrechter D. H., samen met de overige elementen aangehaald in het bevel tot aanhouding, gelden als ernstige aanwijzingen van schuld; het oordeelt anderdeels dat het feit dat de onderliggende beschikkingen van het in dat dossier uitgevoerde retroactief telefonieonderzoek thans nog niet zijn gevoegd, hieraan geen afbreuk doet en dat die beschikkingen nog kunnen gevoegd worden in een latere fase; de eiser moet echter de regelmatigheid van de vermeende schuldaanwijzingen kunnen nagaan en tegenspreken; het arrest oordeelt ook ten onrechte dat de voormelde elementen gelden als inlichtingen, wat niet bestaanbaar is met het oordeel dat die elementen ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken.
  3. Het onderzoeksgerecht dat beslist over de voorlopige hechtenis moet onder meer nagaan of er op het ogenblik van zijn uitspraak nog steeds aanwijzingen van schuld bestaan ten laste van de aangehouden inverdenkinggestelde. Wanneer die aanwijzingen van schuld worden afgeleid uit een bewijsverkrijging waarvan de regelmatigheid wordt betwist, is het onderzoeksgerecht dat geen onderzoek doet met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, slechts gehouden tot een prima facie onderzoek van de regelmatigheid van de bewijsverkrijging.
  4. Het recht van verdediging, waartoe het recht op tegenspraak behoort, vereist dat het openbaar ministerie dat gebruik wil maken van gegevens uit een ander strafdossier, aan de verdediging opgave doet van alle pertinente bewijselementen uit dat dossier, zowel à charge als à décharge, die het in zijn bezit heeft. Daartoe behoren niet enkel de bewijselementen die een rechtstreeks belang hebben voor de feiten van de zaak, maar ook deze die betrekking kunnen hebben op de ontvankelijkheid, de betrouwbaarheid en de volledigheid van de eerst vermelde bewijselementen. Dat recht is evenwel niet absoluut en kan onderhevig zijn aan beperkingen, onder meer in de fase van het gerechtelijk onderzoek, wanneer de inverdenkinggestelde zich nog niet voor de vonnisrechter moet verdedigen tegen de lastens hem ingebrachte beschuldiging. Ook kunnen de gegevens verkregen uit het afzonderlijke dossier zelf nog het voorwerp uitmaken van een lopend onderzoek.
  5. Het recht van verdediging vereist niet dat op het moment waarop het onderzoeksgerecht op grond van artikel 21 Voorlopige Hechteniswet overgaat tot het nazicht van de regelmatigheid van het bevel tot aanhouding en de noodzakelijkheid van de handhaving van de voorlopige hechtenis, reeds alle voormelde bewijselementen zijn toegevoegd aan het strafdossier.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. De eiser heeft voor de appelrechters aangevoerd dat hij de regelmatigheid van het retroactief telefonieonderzoek dat op grond van artikel 88bis Wetboek van Strafvordering werd bevolen in het onderzoeksdossier 2018/104, niet kan onderzoeken omdat er geen kopie van de onderliggende beschikkingen is gevoegd. Op die grond vroeg hij de appelrechters de uit dat dossier verkregen stukken te weren en vast te stellen dat er voor het overige onvoldoende ernstige aanwijzingen van schuld overblijven. Het arrest dat dit verweer beantwoordt met de redenen die het middel vermeldt, geeft te kennen dat het retroactief telefonieonderzoek prima facie regelmatig is en verantwoordt aldus de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  8. In zoverre het middel aanvoert dat het arrest ten onrechte oordeelt dat de elementen uit het onderzoeksdossier 2018/104 slechts gelden als inlichtingen, komt het op tegen een overtollige reden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de elementen uit het onderzoeksdossier 2018/104 slechts gelden als inlichtingen, miskent het arrest de bewijskracht van de processen-verbaal 520345/2018 en 506893/2019 en het bevel tot aanhouding van onderzoeksrechter V. H. van 22 juni
  10. Het middel komt op tegen een overtollige reden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  11. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4° en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van vonnissen en arresten: het arrest oordeelt dat de elementen uit het strafdossier 2018/104 enerzijds inlichtingen en anderzijds ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
  12. Het middel komt op tegen een overtollige reden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 23, 4° en 30, § 3, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van vonnissen en arresten: door enkel te verwijzen naar de ernstige aanwijzingen van schuld zoals vermeld in het bevel tot aanhouding, beantwoordt het arrest niet eisers verweer waarbij hij die ernstige aanwijzingen van schuld betwistte en de appelrechters uitnodigde te preciseren welke gegevens deze schuldaanwijzingen uitmaken.
  14. Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel belet de kamer van inbeschuldigingstelling de gegevens die ernstige aanwijzingen van schuld uitmaken, te preciseren door de overname van de redenen van het bevel tot aanhouding. Door die overname maakt de kamer van inbeschuldigingstelling zich de in het bevel tot aanhouding vermelde gegevens eigen en beantwoordt ze het verweer van de inverdenkinggestelde, zonder dat zij ertoe gehouden is die gegevens te verduidelijken, preciseren, concretiseren of citeren. Het feit dat de inverdenkinggestelde aan de kamer van inbeschuldigingstelling bij conclusie vraagt die gegevens te preciseren, doet daaraan geen afbreuk. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 57,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sabine Geubel, Sidney Berneman en Eric de Formanoir, en op de openbare rechtszitting van 24 juli 2019 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Michel Nolet de Brauwere, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210113.2F.1 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220503.2N.16 precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040211.10 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070703.1 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090505.16 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130612.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161005.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171213.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.17 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221026.2F.26 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240319.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.