← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.3 Rolnummer: P.19.0142.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-09-05 Raadplegingen: 551 - laatst gezien 2026-06-29 03:35 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Uit artikel 68 Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door artikel 25, 1°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid en het arrest nr. 54/2019 van 4 april 2019 van het Grondwettelijk Hof volgt dat de rechter de bepalingen betreffende de verlenging van de in artikel 68 Wegverkeerswet bedoelde verjaringstermijn van één jaar naar twee jaar niet met terugwerkende kracht zoals bepaald door voornoemd artikel 25, 1°, mag toepassen, maar slechts vanaf 15 maart 2018, zijnde de datum van de bekendmaking van de voornoemde wet van 6 maart 2018 in het Belgisch Staatsblad. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 68 Vrije woorden: Wettelijke verlenging van de verjaringstermijn - Datum van inwerkingtreding - Bepaling Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Artikel 68 Wegverkeerswet - Wettelijke verlenging van de verjaringstermijn - Datum van inwerkingtreding - Bepaling Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Artikel 68 Wegverkeerswet - Wettelijke verlenging van de verjaringstermijn - Datum van inwerkingtreding - Bepaling Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0142.N A D O, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gelu Buzincu, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 28 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - de artikelen 10 en 11 Grondwet; - artikel 68 Wegverkeerswet, zoals gewijzigd door artikel 25, 1°, van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid (hierna wet van 6 maart 2018); - artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart
  2. De in artikel 68 Wegverkeerswet vermelde verjaringstermijn van één jaar werd ingevolge de wijziging van die bepaling door artikel 25, 1°, van de wet van 6 maart 2018 op twee jaar gebracht. Volgens artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018, welke in Belgische Staatsblad van 15 maart 2018 werd bekend gemaakt, trad de wijziging van artikel 68 Wegverkeerswet in werking op 15 fe-bruari 2018 en dus met terugwerkende kracht.
  3. Het Grondwettelijk Hof oordeelde bij arrest nr. 54/2019 van 4 april 2019 dat: - -artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018, in samenhang gelezen met artikel 25, 1°, van die wet, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zo-verre het de verlenging van de verjaringstermijn van de strafvordering van één naar twee jaar doet ingaan met terugwerkende kracht op 15 februari 2018 (overweging B.7 en dictum); - het invoeren van bepalingen houdende verlenging van de verjaringstermijn met terugwerkende kracht als gevolg heeft dat strafvorderingen herleven die definitief waren verjaard op grond van de oude wet in de periode van 15 fe-bruari 2018 tot 15 maart 2018 (B.6, tweede alinea); - het met terugwerkende kracht invoeren van bepalingen houdende verlenging van de verjaringstermijn zonder dat daarvoor enige redelijke verantwoording kan bestaan, afbreuk doet aan de waarborg van rechtszekerheid die met de verjaring wordt beoogd en die in strafzaken inhoudt dat de dader van een mis-drijf niet meer kan worden vervolgd of berecht na het verstrijken van een bepaalde termijn sedert de feiten zich hebben voorgedaan (B.6, derde alinea).
  4. Daaruit volgt dat de rechter de bepalingen betreffende de verlenging van de in artikel 68 Wegverkeerswet bedoelde verjaringstermijn van één jaar naar twee jaar niet met terugwerkende kracht mag toepassen, maar slechts vanaf 15 maart
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - het feit waarvoor het bestreden vonnis de eiser veroordeelt, dateert van 16 maart 2013; - de verjaring van de strafvordering werd gestuit op 26 februari 2014 door het kantschrift van de procureur des Konings om een eensluidend verklaard af-schrift te verkrijgen van het vonnis van 19 maart 2012 met vermelding van de datum van kracht van gewijsde; - de verjaring van de strafvordering was geschorst tijdens de buitengewone termijn van verzet die een aanvang nam 15 dagen na de betekening van het verstekvonnis op 20 januari 2015 en eindigde door het aantekenen van verzet op 30 januari 2018, zodat van de tweede verjaringstermijn van toen nog één jaar op het ogenblik van het aantekenen van verzet nog 21 dagen overbleven; - de verjaring van de strafvordering volgens artikel 68 Wegverkeerswet (oud) werd bereikt op 20 februari 2018 om 24 uur. Het bestreden vonnis dat oordeelt dat de verjaring nog niet was ingetreden op het ogenblik van de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018 over-eenkomstig artikel 26, eerste lid, van die wet, terwijl de strafvordering reeds was vervallen door verjaring op de datum van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de wet van 6 maart 2018 op 15 maart 2018, schendt de vermelde wetsbepalingen. Middel
  6. Gelet op de hierna uit te spreken vernietiging op het ambtshalve aange-voerde middel, behoeft het door de eiser aangevoerde middel geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde vonnis. Laat de kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten op 81,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 3 september 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191106.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.