id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.4 Rolnummer: P.19.0205.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-09-05 Raadplegingen: 663 - laatst gezien 2026-06-28 10:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek voorziet in criteria waaraan de rechter zijn beslissing om de rechtsplegingsvergoeding te vermeerderen of te verminderen moet toetsen; de bijstand door een kantoorgenote is als dusdanig niet als een criterium vermeld. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Rechterlijke beslissing - Toetsingscriteria voor vermeerdering of vermindering van de rechtsplegingsvergoeding - Draagwijdte Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0205.N R V H, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Jeroom Joos, advocaat bij de balie Gent, tegen G A, inverdenkinggestelde, verweerder, met als raadsman mr. Michel Lievens, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 7 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel
- Het eerste middel voert schending aan van artikel 445 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de mogelijke inbreuk dient te worden gekwalificeerd als een lasterlijke aangifte in de zin van artikel 445 Strafwetboek en dat niet voldaan is aan de vereiste openbaarheid; het arrest dat de voorwaarde van openbaarheid als constitutief bestanddeel toevoegt aan de inbreuk lasterlijke aangifte schendt artikel 445 Strafwetboek. Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1068 Gerechtelijk Wetboek: het arrest beantwoordt niet eisers verweer dat hij niet handelde in hoedanigheid van advocaat van zijn echtgenote in de procedure voor het vredegerecht te Oostende.
- Het arrest grondt de buitenvervolgingstelling op het oordeel dat de aantij-ging geen betrekking heeft op een bepaald feit wat een constitutief element is voor de misdrijven laster en eerroof en lasterlijke aangifte, maar wel een indivi-dueel standpunt betreft over de persoonlijkheidskenmerken van de eiser. De middelen, die dat oordeel niet bekritiseren, kunnen, al waren ze gegrond, niet tot cassatie leiden en zijn bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek: het arrest wijst eisers verzoek om de rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag onder meer af omdat het argument dat hij zich liet bijstaan door een kantoorgenote niet als dusdanig in de wet is bepaald als criterium om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden; artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek be-paalt geen criteria; er wordt enkel bepaald dat de rechter rekening houdt met elementen zoals het kennelijk onredelijk karakter van de situatie en dit kennelijk onredelijk karakter moet steeds in concreto worden beoordeeld.
- Artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: "Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslis-sing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn be-oordeling houdt de rechter rekening met: - de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen; - de complexiteit van de zaak; - de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij; - het kennelijk onredelijk karakter van de situatie." Anders dan waarvan het middel uitgaat, voorziet deze bepaling wel in criteria waaraan de rechter zijn beslissing om de rechtsplegingsvergoeding te vermeer-deren of te verminderen moet toetsen en is de bijstand door een kantoorgenote niet als dusdanig als een criterium vermeld. In zoverre faalt het middel naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over de invulling van de vier in artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek vermelde criteria. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest oordeelt dat de eerste rechter noch de verweerder kunnen worden gevolgd waar ze stellen dat dit een eenvoudige zaak is die noopt tot de herleiding van de rechtsplegingvergoeding en dat het argument dat de verweerder zich liet bijstaan door een kantoorgenote niet als dusdanig in de wet wordt bepaald als criterium om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden en uiteraard niet inhoudt dat de verdediging van de verweerder geen kosten met zich zou hebben meege-bracht. Op grond van die redenen konden de appelrechters beslissen de rechtsplegings-vergoeding niet te herleiden tot het minimumbedrag. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten in het geheel op 80,71 euro, waarvan 45,71 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Peter Hoet, Antoine Lievens en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 3 september 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230907.1N.7 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div