← België

Paulus AERTS contra THE LIFE ASSETS FUND PLC

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.1 Rolnummer: C.18.0248.N Zaak: Paulus AERTS contra THE LIFE ASSETS FUND PLC Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Internationaal privaatrecht Invoerdatum: 2019-10-01 Raadplegingen: 502 - laatst gezien 2026-06-28 06:32 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190905.1 Fiches 1 - 2 Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat kan in een andere lidstaat worden opgeroepen, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen; als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden begrepen hetzij de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt, hetzij de plaats waar de schade is ingetreden; met het begrip "plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" wordt niet gedoeld op de plaats waar de verzoeker woont enkel op grond dat deze aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen; daarentegen is de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker gerechtigd voor zover deze woonplaats inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Artikel 5.3 EEX-verordening - Gerecht van de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan - Hof van Justitie van de Europese Unie - Begrip Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 22-12-2000 - Art. 5.3 Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID Vrije woorden: Artikel 5.3 EEX-verordening - Gerecht van de plaats waar het schade brengende feit zich heeft voorgedaan - Hof van Justitie van de Europese Unie - Begrip Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 22-12-2000 - Art. 5.3 Fiche 3 Krachtens artikel 96, 2°, Wetboek IPR zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen aangaande verbintenissen, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van deze wet, betreffende een verbintenis voortvloeiend uit een onrechtmatige daad, a) indien de schadelijke handeling zich geheel of gedeeltelijk in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen of b) indien en voor zover de schade zich in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen; uit voormeld artikel en de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling gebaseerd is op de interpretatieve rechtspraak van het Hof van Justitie bij artikel 5.3 EEX-Verordening, thans artikel 7.2 Brussel I bis Verordening
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - INTERNATIONALE BEVOEGDHEID Vrije woorden: Artikel 96, 2°, Wetboek IPR - Vorderingen aangaande verbintenissen - Bevoegdheid van de Belgische rechters - Voorwaarden - Interpretatieve rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie - Artikel 5.3 EEX-verordening - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht - 16-07-2004 - Art. 96, 2° - 31 ELI link Pub nr 2004009511 Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken - 22-12-2000 - Art. 5.3 Annotaties Publicaties: Revue de Droit Commercial Belge [R.D.C.] - 2021, n° 1, p. 59-
  1. - DERVAL, Thomas; Note'La localisation du préjudice financier: application de la jurisprudence européenne par la Cour de cassation' Tekst van de beslissing Nr. C.18.0248.N
  2. P.A., e.a. eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie tegen
  3. THE LIFE ASSETS FUND PLC, met zetel te D04 FE40 Dublin 4 (Ierland), Ashley House, Morehampton Road, Donnybrook, verweerster,
  4. J.B., e.a. verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  5. CITY FINANCIAL INVESTMENT COMPANY LIMITED, vennootschap met beperkte aansprakelijkheid naar het recht van Engeland en Wales, met zetel te Londen EC4R 1 EB (Verenigd Koninkrijk), Queen Street 62, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,
  6. SW1 CAPITAL LP, vennootschap naar vreemd recht, met zetel te Grand Cayman (Kaaimaneilanden), KY1-1102, 69, Dr. Roy’s Drive, George Town,
  7. N.E.
  8. P.D., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 18 oktober
  9. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 1 juli 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (…) Tweede onderdeel
  10. Krachtens artikel 5.3 EEX-Verordening kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat worden opgeroepen, ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen.
  11. Als plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, moet, volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, worden begrepen hetzij de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt, hetzij de plaats waar de schade is ingetreden (arresten C-21/76, Bier, 30 november 1976; C-51/97, Réunion européenne SA, 27 oktober 1998; C-375/13, Harald Kolossa, 28 januari 2015; C-12/15, Universal Music International Holding BV, 16 juni 2016).
  12. Het Hof van Justitie oordeelt in vaste rechtspraak dat met het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” niet wordt gedoeld op de plaats waar de verzoeker woont enkel op grond dat deze aldaar financiële schade heeft geleden die voortvloeit uit het in een andere verdragsluitende staat ingetreden en door hem geleden verlies van onderdelen van zijn vermogen. Daarentegen is de bevoegdheid van de gerechten van de woonplaats van de verzoeker gerechtvaardigd voor zover deze woonplaats inderdaad de plaats is van de schadebrengende gebeurtenis of het intreden van de schade (arresten C-375/13, Harald Kolossa, 28 januari 2015, r.o. 48-50; C-304/17, Löber, 12 september 2018, r.o. 23-25).
  13. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eisers als beleggers een vordering tot betaling van schadevergoeding hebben ingesteld tegen de verweerders omwille van de aantasting van de waarde van het onderpand van de beleggingsfondsen waarin zij hadden geïnvesteerd, met name Amerikaanse levensverzekeringen, ten gevolge van een slecht beheer ervan door de verweerders; - de beweerde tekortkomingen die de eisers aan de grondslag van hun vorderingen leggen, niets met het Belgisch grondgebied te maken hebben, aangezien zij hetzij in Ierland, het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten van Amerika hebben plaatsgevonden; - de beweerde schade werd veroorzaakt aan het beleggingsobject, zijnde Amerikaanse levensverzekeringen, die, zoals de eisers perfect wisten, in Amerikaanse trusts werden ondergebracht; - de eisers hun inbreng van 50.000 euro op een rekening van de Amerikaanse trustee P. betaalden; - de ingeroepen schade derhalve in Amerika intrad en enkel door weerkaatsing gevoeld kon worden in het vermogen van voor een groot deel in België wonende of gevestigde eisers; - dit laatste echter geen voldoende aanknopingspunt vormt, opdat de schade in België is ingetreden.
  14. Door aldus te oordelen dat het verlies van de vermogensbestanddelen van de eisers in de Verenigde Staten is ingetreden, zodat de rechtstreekse schade zich aldaar heeft voorgedaan, en op die grond te beslissen dat de Belgische rechtbanken geen rechtsmacht hebben krachtens artikel 5.3 EEX-Verordening, schenden de appelrechters die bepaling niet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Tweede middel
  15. Krachtens artikel 96, 2°, Wetboek IPR zijn de Belgische rechters bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen aangaande verbintenissen, naast de gevallen voorzien in de algemene bepalingen van deze wet, betreffende een verbintenis voortvloeiend uit een onrechtmatige daad, a) indien de schadelijke handeling zich geheel of gedeeltelijk in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen of b) indien en voor zover de schade zich in België heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen.
  16. Uit voormeld artikel 96, 2°, en de wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling gebaseerd is op de interpretatieve rechtspraak van het Hof van Justitie bij artikel 5.3 EEX-Verordening, thans artikel 7.2 Brussel Ibis Verordening.
  17. In zoverre het middel ervan uitgaat dat voor de interpretatie van artikel 96, 2°, Wetboek IPR niet bij analogie kan worden teruggegrepen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie met betrekking tot artikel 5.3 EEX-Verordening, faalt het naar recht.
  18. Voor het overige is het middel gesteund op de in het tweede onderdeel van het eerste middel vergeefs aangevoerde grief. In zoverre is het middel afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 15.721,14 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué, Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 5 september 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190905.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.