id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 05 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.2 Rolnummer: C.18.0284.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-10-01 Raadplegingen: 382 - laatst gezien 2026-06-28 06:32 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechtsgeldige totstandkoming van een overeenkomst dient te worden beoordeeld aan de hand van de wet van toepassing op het ogenblik van het ontstaan van die overeenkomst. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - ALGEMENE BEGRIPPEN Vrije woorden: Rechtsgeldige totstandkoming - Beoordeling - Wijze Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - Artt. 2 en 1108 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0284.N MICCONSULT bvba, met zetel te 9300 Aalst, Boudewijnlaan 137, bus 1, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen WERKEN GLORIEUX vzw, met zetel te 9600 Ronse, Stefaan Modest Glo-rieuxlaan 55, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 23 februari
- Sectievoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2 Burgerlijk Wetboek beschikt de wet alleen voor het toekomende en heeft zij geen terugwerkende kracht. Krachtens artikel 1108 Burgerlijk Wetboek zijn tot de geldigheid van overeen-komsten vier voorwaarden vereist: - de toestemming van de partij die zich verbindt; - haar bekwaamheid om contracten aan te gaan; - een bepaald voorwerp als inhoud van de verbintenis; - een geoorloofde oorzaak van verbintenis.
- De rechtsgeldige totstandkoming van een overeenkomst dient te worden beoordeeld aan de hand van de wet van toepassing op het ogenblik van het ont-staan van die overeenkomst.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerster op 24 mei 2013 aan de eiseres de gedinginleidende dagvaar-ding liet betekenen en daarmee betrachtte de overeenkomst tussen partijen van 26 mei 2003, alsmede de Bijlage 1 van 17 september 2009 te doen vernie-tigen; - de eerste rechter en de verweerster worden gevolgd in hun vaststelling dat de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993 in haar artikel 4, § 2, 8°, een private rechtspersoon zoals de verweerster, die als rechtspersoon-ziekenhuis nochtans is opgericht om te voorzien in behoeften van algemeen belang en waarvan de activiteiten in hoofdzaak door de Staat of de territoriale of andere publiekrechtelijke instellingen worden gefinancierd, onttrekt aan haar toepas-singsgebied, terwijl deze uitzondering niet strookt met het toepassingsgebied zoals omschreven in artikel 1, b, tweede alinea, van de richtlijn 92/50/EEG en later hernomen in artikel 1, 9, tweede lid, van de richtlijn 2004/18/EEG; - de Overheidsopdrachtenwet van 15 juni 2006, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 15 februari 2007, in werking getreden op 1 juli 2013, de voor-noemde uitzondering voor private rechtspersonen, zoals ziekenhuizen, niet meer bevat en zich aldus in overeenstemming stelt met het Europese Unie-recht, hetgeen, gelet op de richtlijn 92/50/EEG, in werkelijkheid reeds vereist was ten tijde van de Overheidsopdrachtenwet van 24 december 1993; - op het ogenblik waarop de verweerster de nietigheid inroept en vordert van de lopende overeenkomsten met de eiseres, de nieuwe Overheidsopdrachtenwet van 15 juni 2006 al een feit was en zelfs zo goed als volledig van kracht was; - de verweerster tot op heden de nietigverklaring van deze overeenkomsten blijft vorderen, zodat er zeker met ingang 1 juli 2013 daartegen niet het min-ste bezwaar meer is, indien dat er al tussen 24 mei 2013 en 1 juli 2013 zou zijn geweest.
- De appelrechters die op deze gronden oordelen dat "rekening gehouden met deze nieuwe, aan het Europees Unierecht (de voormelde richtlijnen) geconfor-meerde overheidsregelgeving [de verweerster] met betrekking tot een project dat op dat ogenblik alreeds volledig in het slop zat de nietigheid [vermag] te doen vaststellen van de overeenkomst tot realisering van dat project met [de eiseres], die een volkomen privaat afgesloten overeenkomst zonder enige mededinging uitmaakte, in strijd met de gelding verkregen hebbende dwingende overheidsre-gelgeving conform aan het Europees Unierecht" en aldus de nietigheid vaststel-len van de op 26 mei 2003 tot stand gekomen overeenkomst op grond van de strijdigheid ervan met de in de loop van het geding in werking getreden bepa-lingen van de Overheidsopdrachtenwet 2006, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
- De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 5 september 2019 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190905.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div