← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.1

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 75

, tweede lid - 67 ELI link Pub nr 2006A11405 Fiche 4 Die volle rechtsmacht van het hof van beroep te Brussel impliceert, gelet op de specifieke rol in de handhaving van de wet over de mededinging, dat het hof niet verplicht is de in beslag genomen gegevens zelf opnieuw te onderzoeken en het de toetsing mag beperken

(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Wet tot bescherming van de economische mededinging - Raad voor de Mededinging - Onderzoeksprocedure betreffende restrictieve mededingingspraktijken - Handeling of beslissing van het auditoraat - Beroep - Hof van beroep te Brussel - Volle rechtsmacht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:

Art. 75, tweede lid - 67 ELI link Pub nr 2006A11405 Fiches 5 - 6 Het onderzoek betreffende het bestaan van restrictieve mededingingspraktijken is geen strafonderzoek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - ALLERLEI Vrije woorden: Wet tot bescherming van de economische mededinging - Raad voor de Mededinging - Auditoraat - Onderzoeksprocedure betreffende restrictieve mededingingspraktijken - Aard Wettelijke bepalingen:

Art. 75

, tweede lid - 67 ELI link Pub nr 2006A11405 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 131 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Vrije woorden: Wet tot bescherming van de economische mededinging - Raad voor de Mededinging - Auditoraat - Onderzoeksprocedure betreffende restrictieve mededingingspraktijken - Aard Wettelijke bepalingen:

Art. 75

, tweede lid - 67 ELI link Pub nr 2006A11405 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 131 en 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 7 - 8 De mogelijkheid voor een partij, ten aanzien waarvan bij tussenarrest werd geoordeeld dat zij een nadeel heeft geleden maar die geen herstel onder de vorm van schadevergoeding heeft gevorderd, om na tussenarrest een vordering te stellen tot het bekomen van schadevergoeding, impliceert dat de appelrechters hun rechtsmacht om over deze vordering te oordelen nog niet hebben uitgeput

(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Tussenarrest - Oordeel dat partij nadeel heeft geleden maar geen vergoeding vordert - Vordering in schadevergoeding na tussenarrest - Uitputting van rechtsmacht - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19 Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Tussenarrest - Oordeel dat partij nadeel heeft geleden maar geen vergoeding vordert - Vordering in schadevergoeding na tussenarrest - Uitputting van rechtsmacht - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19 Fiche 9 De bekendmaking op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit van de integrale versie van een arrest van het hof van beroep betreffende een betwisting in het kader van een onderzoeksprocedure inzake restrictieve mededingingspraktijken maakt geen straf uit in de zin van artikel 14 Grondwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: STRAF - ALLERLEI Vrije woorden: Betwisting in het kader van een onderzoeksprocedure inzake restrictieve mededingingspraktijken - Arrest van het hof van beroep - Beslissing tot het bekendmaken van de integrale versie van het arrest op de website van de Belgische Mededingingsautoriteit - Aard Wettelijke bepalingen: Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 14 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0250.N
  1. DISTRIPAINTS nv, met zetel te 2550 Kontich, Kartuizersweg 4,
  2. NOVELTA nv, met zetel te 2550 Kontich, Kartuizersweg 4, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
  3. BELGISCHE MEDEDINGINGSAUTORITEIT, met kantoor te 1210 Sint-Joost-ten-Node, Vooruitgangsstraat 52,
  4. MINISTER VAN WERK, ECONOMIE EN CONSUMENTEN, met kabi-net te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 16, North Gate III, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel van 26 november 2014 en 13 december
  5. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 27 mei 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Artikel 15 Grondwet bepaalt dat de woning onschendbaar is; geen huiszoe-king kan plaats hebben dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Artikel 8.1 EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé le-ven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Krachtens het tweede lid van deze bepaling is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescher-ming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rech-ten en vrijheden van anderen.
  7. In zijn arrest van 1 oktober 2015, nr. 132/2015, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat het voorafgaande optreden van een onafhankelijke en onpar-tijdige rechter een belangrijke waarborg vormt voor de naleving van de voor-waarden voor een aantasting van de onschendbaarheid van de woning, maar dat het ontbreken van een voorafgaande rechterlijke machtiging in bepaalde omstan-digheden kan worden gecompenseerd door een achteraf verrichte rechterlijke toetsing, die aldus een essentiële waarborg vormt teneinde de verenigbaarheid van de betrokken inmenging in artikel 8 EVRM te verzekeren (zie EHRM 2 ok-tober 2014, Delta Pekárny AS t. Tsjechische Republiek; HvJ 18 juni 2015, Deut-sche Bahn AG t. Commissie, C-583/13 P).
  8. Het middel dat er geheel van uitgaat dat uit de samenhang van de artikelen 15 Grondwet en 8.1 EVRM volgt dat een huiszoeking steeds noodzakelijk ge-paard moet gaan met een voorafgaande machtiging door een onafhankelijke en onpartijdige magistraat, faalt naar recht. Tweede middel
  9. Luidens artikel 75, eerste lid, gecoördineerde wet van 15 september 2006 tot bescherming van de economische mededinging kan tegen de beslissingen van de Raad voor de Mededinging en van de voorzitter, alsmede tegen stilzwijgende beslissingen tot toelating van concentraties door het verstrijken van de in de ar-tikelen 58 en 59 bepaalde termijnen beroep worden ingesteld bij het hof van be-roep te Brussel, behalve wanneer de Raad voor de Mededinging een beslissing neemt met toepassing van artikel
  10. Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat het hof van beroep uitspraak doet met volle rechtsmacht inzake de vermeende restrictieve praktijken en desgevallend inzake de opgelegde sancties evenals inzake de toelaatbaarheid van concentraties en dat het de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad in overweging kan nemen. Krachtens het derde lid kan het hof van beroep geldboetes en dwangsommen op-leggen volgens de bepalingen zoals bedoeld in Afdeling 8 van Hoofdstuk IV.
  11. In zijn arrest van 22 december 2011, nr. 197/2011, heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat voormeld artikel 75 van de wet tot bescherming van de eco-nomische mededinging, opdat het de artikelen 10 en 11 Grondwet in samenhang met de artikelen 6 EVRM en 20, 21 en 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie niet schendt, moet worden geïnterpreteerd in de zin dat het een beroep voor het hof van beroep te Brussel niet uitsluit tegen handelingen of be-slissingen van het auditoraat bij de Raad voor de Mededinging die betrekking hebben op beslagleggingen die zijn uitgevoerd tijdens een huiszoeking verricht in het kader van een onderzoeksprocedure betreffende restrictieve mededin-gingspraktijken.
  12. Hieruit volgt dat het hof van beroep te Brussel, krachtens artikel 75, twee-de lid, van de wet tot bescherming van de economische mededinging, met volle rechtsmacht uitspraak doet inzake dergelijke handelingen of beslissingen van het auditoraat bij de Raad voor de Mededinging. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit begrip inhoudt dat het hof van beroep zijn beoordeling in beginsel volledig in de plaats kan stellen van de Raad voor de Mededinging en de beslissing waartegen hoger beroep werd ingesteld niet alleen kan vernietigen, maar ook kan hervormen en een beslissing kan nemen die de aangevochten beslissing vervangt.
  13. Het hof van beroep te Brussel heeft, ook al bezit het een volle rechtsmacht, nochtans een specifieke rol in de handhaving van de wet over de mededinging die noch onbeperkt vereenzelvigd kan worden met de rol van de Raad voor de Mededinging noch met die van het auditoraat.
  14. Wanneer een hoger beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van het au-ditoraat bij de Raad voor de Mededinging over de aanwending in het onderzoek van gegevens die in beslag werden genomen tijdens een huiszoeking verricht in het kader van een onderzoeksprocedure betreffende restrictieve mededingings-praktijken, is het hof van beroep te Brussel niet verplicht de in beslag genomen gegevens zelf opnieuw te onderzoeken. Het mag met name de toetsing beperken tot de vragen of de procedurevoorschrif-ten in acht zijn genomen, of de motivering afdoende is, of de feiten juist zijn weergegeven en of er geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van de feiten dan wel van een misbruik van bevoegdheid. Het moet op grond van de door het hof van beroep zelf of door het auditoraat als vaststaand aangenomen feiten oordelen of de beslissing inzake de aanwending in het onderzoek van de in beslag genomen gegevens met het oog op de vaststelling van een restrictieve praktijk al dan niet gerechtvaardigd is.
  15. Het middel gaat ervan uit dat een volledige toetsing door het hof van be-roep te Brussel inhoudt dat dit hof dezelfde taak heeft als het auditoraat bij de Raad voor de Mededinging en verplicht is de in beslag genomen gegevens zelf zonder beperking te beoordelen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  16. Het onderzoek betreffende het bestaan van restrictieve mededingingsprak-tijken is geen strafonderzoek. In zoverre het middel ervan uitgaat dat de regels inzake de strafprocedure, met name de artikelen 131 en 235bis Wetboek van Strafvordering, onverkort van toepassing zijn op voornoemd onderzoek, faalt het naar recht.
  17. Het middel gaat ervan uit dat artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbe-ginsel van het recht van verdediging vereisen dat het toezicht in het kader van ar-tikel 75 Wet tot bescherming van de economische mededinging bestaat uit een "volledige jurisdictionele toetsing", maar geeft hierover geen enkele uitleg. Met name geeft het middel niet aan wat deze volledige toetsing krachtens het ge-noemde artikel of algemeen rechtsbeginsel precies moet omvatten. In zoverre is het middel onduidelijk en derhalve niet ontvankelijk.
  18. In zoverre het middel de schending aanvoert van de artikelen 8.1 EVRM en 15 en 22 Grondwet, is het afgeleid en derhalve niet ontvankelijk. Derde middel Tweede onderdeel
  19. Krachtens artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is het vonnis een eindvonnis inzover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Krachtens het tweede lid kan de rechter die zijn rechtsmacht over een geschil-punt heeft uitgeput, terzake niet meer worden geadieerd, behoudens de bij dit wetboek bepaalde uitzonderingen.
  20. In hun conclusie voor tussenarrest van 20 januari 2014 hebben de eiseres-sen aangevoerd dat de lange stilstand van het onderzoek tussen de huiszoeking en de ontzegeling van de betwiste documenten een schending uitmaakte van arti-kel 6.1 EVRM wegens het overschrijden van de redelijke termijn en een misken-ning van het recht van verdediging vervat in artikel 6.3 EVRM en hebben zij op die grond, bij wijze van herstel, de vrijspraak, minstens de nietigverklaring van de huiszoeking dan wel de inbeslagnames gevorderd.
  21. De appelrechters oordelen in hun tussenarrest van 26 november 2014 dat het auditoraat door deze lange periode van stilstand niet gehandeld heeft zoals normaal voorzichtige onderzoekers in dezelfde omstandigheden zouden doen, zodat de eiseressen ongetwijfeld een zeker nadeel hebben geleden, maar dat zij geen herstel onder de vorm van schadevergoeding hebben gevorderd zodat de vraag naar de bepaling van de geleden schade zich in de huidige procedure niet stelt, zij op dit ogenblik nog geen uitspraak kunnen doen over de schending van artikel 6.1 EVRM en de gevolgen van het tijdsverloop sinds de huiszoeking het recht van verdediging vervat in artikel 6.3 EVRM niet miskennen, zodat er geen aanleiding is tot het gevorderde herstel. In het dispositief van het arrest verklaren de appelrechters het hoger beroep ont-vankelijk maar ongegrond. Met betrekking tot de betwisting omtrent het in of out of scope karakter van de in beslag genomen bestanden betreft, nodigen zij de partijen uit een verificatietraject te voltrekken, zeggen zij dat het bij ontstentenis aan overeenstemming over de door de Mededingingsautoriteit nader te verstrek-ken motivering, aan de eiseres zal staan om een nieuwe vaststelling te vragen en verwijzen zij de zaak enkel in dit opzicht naar de bijzondere rol van de kamer.
  22. In hun conclusie na het tussenarrest van 10 oktober 2017 hebben de eiser-essen een provisionele schadevergoeding van 1 euro gevorderd ter vergoeding van het nadeel dat zij stellen te hebben geleden ten gevolge van de vertraging in het onderzoek.
  23. De appelrechters oordelen in het arrest van 13 december 2017 dat het hof zijn rechtsmacht heeft uitgeput in de mate de vordering betrekking heeft op het tijdsverloop tussen de huiszoeking en de ontzegeling van de betwiste documen-ten, zodat het middel dat ertoe strekt om dit rechtspunt andermaal beslecht te zien niet ontvankelijk is.
  24. Door aldus te oordelen, terwijl de eiseressen pas na het tussenarrest van 26 november 2014 een vordering tot het bekomen van schadevergoeding wegens de vertraging in het onderzoek hebben ingesteld en de appelrechters hun rechts-macht om over deze vordering te oordelen in het tussenarrest bijgevolg nog niet hadden uitgeput, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Vierde middel
  25. De appelrechters oordelen dat "het overigens past dat de integrale versie van het arrest zou worden bekendgemaakt op de hiervoor genoemde websites van [de eerste verweerster] ter volledige informatie".
  26. Anders dan waarvan het middel uitgaat, nemen de appelrechters deze be-slissing niet op grond van artikel IV.66, § 2, tweede lid, Wetboek Economisch Recht, maar, in het kader van een onaantastbare beoordeling, als passende in-formatiemaatregel. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel IV.66, § 2, tweede lid, Wet-boek Economisch Recht, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het mitsdien feitelijke grondslag.
  27. Aangezien de appelrechters preciseren dat de bekendmaking van de inte-grale versie van het arrest op de website van de eerste verweerster gebeurt als passende informatiemaatregel, kan het Hof zijn wettigheidstoezicht uitoefenen. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, kan het niet worden aangenomen.
  28. De bekendmaking op de website van de eerste verweerster van de integrale versie van een arrest van het hof van beroep betreffende een betwisting in het kader van een onderzoeksprocedure inzake restrictieve mededingingspraktijken, maakt geen straf uit in de zin van artikel 14 Grondwet. In zoverre het middel van het tegendeel uitgaat, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest van 13 december 2017 in zoverre de appelrechters de vorde-ring tot het bekomen van schadevergoeding wegens vertraging in het onderzoek met betrekking tot de periode tussen de huiszoeking en de ontzegeling, de mede-deling van de inhoud van de klacht en het verzoek om inlichtingen, niet ontvan-kelijk heeft verklaard wegens uitputting van rechtsmacht en oordelen over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 12 september 2019 uitgesproken door sectie-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.7 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.2 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250110.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.