id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:
Art. 267
, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet Vlaamse Raad - 17-07-2000 - Artt. 23, § 1, eerste lid, en 25 - 77 ELI link Pub nr 2000035898 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Instellingen Vrije woorden: Hof van Justitie - Prejudiciële vraag - Arrest - Uitlegging van het unierecht - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/
Art. 267
, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet Vlaamse Raad - 17-07-2000 - Artt. 23, § 1, eerste lid, en 25 - 77 ELI link Pub nr 2000035898 Thesaurus CAS: ENERGIE Vrije woorden: Groenestroomcertificaten - Nationale regeling - Verenigbaarheid met het unierecht - Prejudiciële vraag Hof van Justitie - Arrest - Gevolg Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/
Art. 267
, eerste lid - 01 Link Justel databank 19570325-01 Decreet Vlaamse Raad - 17-07-2000 - Artt. 23, § 1, eerste lid, en 25 - 77 ELI link Pub nr 2000035898 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0005.N ESSENT BELGIUM nv, met zetel te 2550 Kontich, Veldkant 7, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen
- VLAAMSE REGULATOR VAN DE ELEKTRICITEITS- EN GAS-MARKT (VREG), publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Koning Al-bert II-laan 20, bus 19, verweerster,
- VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie, met kabinet te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, in tussenkomst gedaagde partij, beiden vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 5 september 2018, (rolnummer 2017/AR/1473). Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 27 mei 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens 26, § 1, 1°, bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwet-telijk Hof doet het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële beslissing, uit-spraak bij wege van arrest op vragen omtrent de schending door een wet, een de-creet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten. Krachtens artikel 26, § 2, eerste lid, van voormelde bijzondere wet moet, indien een vraag te dien aanzien wordt opgeworpen voor een rechtscollege, dit college het Grondwettelijk Hof verzoeken op deze vraag uitspraak te doen.
- Krachtens artikel 6, § 1, VI, derde lid, bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen oefenen de Gewesten in economische aangele-genheden hun bevoegdheden uit met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen.
- Het Grondwettelijk Hof heeft de economische en monetaire unie, zoals verankerd in voormelde bepaling, als algemeen bevoegdheidsbeperkend beginsel erkend, dat alle bevoegdheden van de Gemeenschappen en de Gewesten beperkt in de verhouding tot de Staat. Het Grondwettelijk Hof oordeelt met name in vaste rechtspraak dat uit voormeld artikel 6, § 1, VI, derde lid, bijzondere wet van 8 augustus 1980 blijkt dat het Belgische staatsbestel berust op een economische en monetaire unie, die geken-merkt wordt door een geïntegreerde markt en door de eenheid van de munt. Hoewel voornoemde bepaling past in het kader van de toewijzing van bevoegd-heden aan de Gewesten wat de economie betreft, geldt die bepaling als de uiting van de wil van de bijzondere wetgever om een eenvormige basisregeling van de organisatie van de economie in een geïntegreerde markt te handhaven (GwH 25 februari 1988, nr. 47/88; GwH 15 oktober 1996, nr. 55/96; GwH 12 juni 1997, nr. 34/97; GwH 26 mei 1999, nr. 53/99; GwH 19 juli 2005, nr. 132/2005; GwH 28 oktober 2010, nr. 123/2010; GwH 10 juli 2014, nr. 104/2014).
- Hieruit volgt dat het beginsel van de economische en monetaire unie een bevoegdheidsverdelende regel uitmaakt in de zin van artikel 26, § 1, 1°, bijzon-dere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, waarvan uitsluitend het Grondwettelijk Hof de schending door een decreet mag toetsen.
- Artikel 23, § 1, eerste lid, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de or-ganisatie van de elektriciteitsmarkt bepaalt dat iedere leverancier die elektrici-teit levert aan eindafnemers aangesloten op het distributienet of het transmissie-net verplicht is jaarlijks voor 31 maart aan de reguleringsinstantie het aantal groenestroomcertificaten voor te leggen dat bepaald wordt met toepassing van §
- Krachtens artikel 37 van het decreet kan de reguleringsinstantie elke in het Vlaams Gewest gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van de voormelde bepaling binnen de door haar bepaalde termijn en kan zij, in-dien deze persoon bij het verstrijken van deze termijn in gebreke blijft, een ad-ministratieve geldboete opleggen.
- Artikel 25 van voormeld decreet bepaalt dat de Vlaamse regering, onver-minderd artikel 23, § 1 en § 2, gemachtigd wordt om, na advies van de regule-ringsinstantie, rekening houdende met het bestaan van gelijke of gelijkwaardige garanties inzake de aflevering van dergelijke certificaten, certificaten te aan-vaarden voor groene stroom die niet is geproduceerd in het Vlaams Gewest. De Vlaamse regering, die krachtens voornoemde bepaling over een vrije keuze beschikt om al dan niet van de machtiging gebruik te maken, heeft geen uitvoe-ringsbesluit genomen dat de gelijkheid of gelijkwaardigheid erkent van de afle-vering van certificaten voor groene stroom die is geproduceerd in het Waals of Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
- De appelrechters oordelen dat de vereiste tussenkomst van de Vlaamse re-gering om de gelijkheid of gelijkwaardigheid te aanvaarden van certificaten voor groene stroom die is geproduceerd in het Waals of Brussels Hoofdstedelijk Ge-west, krachtens artikel 25 van het vernoemde decreet, niet in strijd is met het be-ginsel van de economische en monetaire unie, zonder hieromtrent evenwel een prejudiciële vraag te hebben gesteld aan het Grondwettelijk Hof. De appelrechters hebben zich aldus de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof toegeëigend. Het onderdeel is gegrond. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 28 EG-Verdrag, zoals van toepassing, dat overeenstemt met artikel 11 EER-Overeenkomst, zijn kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking tussen de lidstaten verboden. Krachtens artikel 30 EG-Verdrag, zoals van toepassing, dat overeenstemt met ar-tikel 13 EER-Overeenkomst, vormen de bepalingen van de artikelen 28 en 29 geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare zede-lijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek historisch en archeolo-gisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële ei-gendom. Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeu-rige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.
- Artikel 23, § 1, eerste lid, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de or-ganisatie van de elektriciteitsmarkt bepaalt dat iedere leverancier die elektrici-teit levert aan eindafnemers aangesloten op het distributienet of het transmissie-net verplicht is jaarlijks voor 31 maart aan de reguleringsinstantie het aantal groenestroomcertificaten voor te leggen dat bepaald wordt met toepassing van §
- Krachtens artikel 37 van het decreet kan de reguleringsinstantie elke in het Vlaams Gewest gevestigde natuurlijke of rechtspersoon verplichten tot naleving van de voormelde bepaling binnen de door haar bepaalde termijn en kan zij, in-dien deze persoon bij het verstrijken van deze termijn in gebreke blijft, een ad-ministratieve geldboete opleggen.
- Artikel 25 van voormeld decreet bepaalt dat de Vlaamse regering, onver-minderd artikel 23, § 1 en § 2, gemachtigd wordt om, na advies van de regule-ringsinstantie, rekening houdende met het bestaan van gelijke of gelijkwaardige garanties inzake de aflevering van dergelijke certificaten, certificaten te aan-vaarden voor groene stroom die niet is geproduceerd in het Vlaams Gewest. De Vlaamse regering, die krachtens voornoemde bepaling over een vrije keuze beschikt om al dan niet van de machtiging gebruik te maken, heeft geen uitvoe-ringsbesluit genomen dat de gelijkheid of gelijkwaardigheid erkent van de afle-vering van garanties van oorsprong afkomstig uit andere lidstaten van de Unie of uit derde landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst.
- In zijn arrest van 11 september 2014, gevoegde zaken C-204/12 tot en met C-208/12, Essent Belgium nv / Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektrici-teits- en Gasmarkt, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie op prejudici-ele vraagstelling door de eerste rechter in dit geschil geoordeeld dat de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag en 11 en 13 EER-Overeenkomst niet in de weg staan aan de voormelde nationale regeling, die voorziet in de toekenning door de bevoegde gewestelijke reguleringsinstantie van verhandelbare certificaten voor de op het grondgebied van het betrokken gewest opgewekte groene stroom en die de elek-triciteitsleveranciers, op straffe van een administratieve geldboete, verplicht tot jaarlijkse inlevering bij die reguleringsinstantie van een bepaalde hoeveelheid van deze certificaten die overeenstemt met een bepaald deel van hun totale in dat gewest geleverde elektriciteit en waarbij deze leveranciers niet aan die verplich-ting kunnen voldoen door garanties van oorsprong te gebruiken die afkomstig zijn uit andere lidstaten van de Unie of uit derde landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, voor zover: - mechanismen zijn ingesteld die verzekeren dat een daadwerkelijke certifica-tenmarkt tot stand komt waar vraag en aanbod elkaar kunnen ontmoeten en een evenwicht kunnen bereiken, zodat de betrokken leveranciers daadwerke-lijk de mogelijkheid hebben om zich op die markt onder billijke voorwaarden certificaten aan te schaffen; - de berekeningswijze en het bedrag van de administratieve geldboete die moet worden betaald door de leveranciers die niet aan die verplichting hebben vol-daan, aldus zijn vastgesteld dat zij niet verder gaan dan nodig is om de produ-centen te stimuleren hun productie van groene stroom daadwerkelijk te ver-hogen en de quotumplichtige leveranciers ertoe aan te zetten zich daadwerke-lijk de vereiste certificaten aan te schaffen en daarbij met name wordt verme-den dat deze leveranciers te zwaar worden bestraft (r.o. 116). Het Hof van Justitie preciseert dat uit de nationale regeling immers volgt dat, wanneer leveranciers uit andere lidstaten groene stroom importeren, de verkoop of het verbruik ervan normaliter vereisen dat zij groenestroomcertificaten van het Vlaams Gewest kopen in verhouding tot de aldus ingevoerde hoeveelheid elektriciteit (r.o. 106). Het Hof van Justitie oordeelt dat de goede werking van dergelijke nationale rege-ling aldus marktmechanismen vereist die de quotumplichtige marktdeelnemers die uit andere lidstaten groene stroom hebben geïmporteerd en die nog niet over de nodige groenestroomcertificaten beschikken om aan die quotumverplichting te voldoen, in staat stellen zich op doeltreffende wijze en onder billijke voor-waarden van dergelijke certificaten te voorzien (r.o. 111 en 112).
- Krachtens artikel 267, eerste lid, VWEU is het Hof van Justitie van de Eu-ropese Unie bevoegd, bij wijze van prejudiciële beslissing, een uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en over de geldigheid en de uitlegging van de handelingen van de instellingen, de organen of de instanties van de Unie. Een op een prejudiciële vraag gewezen arrest van het Hof van Justitie van de Eu-ropese Unie bindt niet slechts de verwijzende rechter, maar ook elke andere nati-onale rechter, wat betreft de uitleg van de in het geding zijnde bepalingen van Unierecht, onder voorbehoud van de mogelijkheid voor deze nationale rechter om een nieuwe vraag te stellen aan het Hof van Justitie.
- De appelrechters oordelen dat de vereiste tussenkomst van de Vlaamse re-gering om de gelijkheid of gelijkwaardigheid te aanvaarden van garanties van oorsprong uit andere lidstaten van de Unie of uit derde landen die partij zijn bij de EER-Overeenkomst, krachtens artikel 25 van het vernoemde decreet, geen schending van het Unierecht uitmaakt, zonder evenwel de door het Hof van Justi-tie gedefinieerde voorwaarden na te gaan opdat deze nationale regeling in over-eenstemming is met de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag en 11 en 13 EER-Overeenkomst.
- Door aldus geen gevolg te geven aan de bindende uitleg door het Hof van Justitie van voormelde Unierechtelijke bepalingen, verantwoorden de appelrech-ters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de beslissing van de verweerster tot oplegging van een administratieve geldboete wettig verklaart en het uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 12 september uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingelgem, met bij-stand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div