← België

V. contra Z.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.5 Rolnummer: C.19.0033.N Zaak: V. contra Z. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2019-10-02 Raadplegingen: 571 - laatst gezien 2026-06-28 06:33 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.5 Fiches 1 - 2 Uit de samenhang van artikel 1414 Gerechtelijk wetboek met de artikelen 22, §1, eerste tot en met vierde lid, 22, §3, 2°, en 24 Wetboek IPR volgt dat een buitenlands vonnis uitsluitend als toelating geldt om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroordelingen voor zover de Belgische beslagrechter, in het kader van een procedure op verzet, vaststelt dat het vonnis voldoet aan de in artikel 25 gestelde voorwaarden voor erkenning in België en de in artikel 24 bepaalde stukken worden overgelegd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BESLAG - BEWAREND BESLAG Vrije woorden: Buitenlands vonnis - Toelating voor bewarend beslag - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1414 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht - 16-07-2004 - Artt. 22, § 1, eerste tot en met vierde lid, § 3, 2°, en 24 - 31 ELI link Pub nr 2004009511 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - ALLERLEI Vrije woorden: Buitenlands vonnis - Toelating voor bewarend beslag - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1414 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht - 16-07-2004 - Artt. 22, § 1, eerste tot en met vierde lid, § 3, 2°, en 24 - 31 ELI link Pub nr 2004009511 Annotaties Publicaties: Revue de droit commercial belge [RDC] - 2021, n° 1, p. 66-
  1. - WAUTELET, Patrick; Note'Le jugement étranger comme fondement d'une saisie conservatoire: status quaestionis' Tekst van de beslissing Nr. C.19.0033.N A.V., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie tegen B.Z., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen van 22 mei
  2. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 5 juni 2019 een schriftelijke con-clusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  3. Artikel 1414 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat elk vonnis, zelfs al is het niet uitvoerbaar niettegenstaande verzet of hoger beroep, als toelating geldt om bewarend beslag te leggen voor de uitgesproken veroordelingen, tenzij anders is beslist.
  4. Artikel 22, § 1, eerste lid, Wetboek IPR bepaalt dat een buitenlandse rech-terlijke beslissing die uitvoerbaar is in de Staat waar zij werd gewezen, in België geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar wordt verklaard overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel
  5. Krachtens het tweede lid van deze bepaling wordt een buitenlandse rechterlijke beslissing in België geheel of gedeeltelijk erkend zonder dat hiervoor de proce-dure bedoeld in artikel 23 moet worden gevolgd. Krachtens het derde lid van deze bepaling is, indien de erkenning incidenteel wordt aangevoerd voor een Belgische rechter, deze bevoegd daarvan kennis te nemen. Krachtens het vierde lid mag de beslissing alleen erkend of uitvoerbaar verklaard worden indien zij de voorwaarden gesteld in artikel 25 niet schendt. Krachtens artikel 24 Wetboek IPR moet de partij die een beroep doet op de er-kenning van een buitenlandse rechterlijke beslissing of de uitvoerbaarverklaring ervan vordert de in dit artikel nader bepaalde stukken overleggen. Krachtens voormeld artikel 22, § 3, 2°, Wetboek IPR verleent de erkenning rechtskracht aan de buitenlandse beslissing.
  6. Uit de samenhang van de voormelde bepalingen volgt dat een buitenlands vonnis, uitsluitend als toelating geldt om bewarend beslag te leggen voor de uit-gesproken veroordelingen, in de zin van artikel 1414 Gerechtelijk Wetboek, voor zover de Belgische beslagrechter, in het kader van een procedure op verzet, vast-stelt dat het vonnis voldoet aan de in artikel 25 gestelde voorwaarden voor er-kenning in België en de in de artikel 24 bepaalde stukken worden overgelegd.
  7. Uit de stukken waarop het Hof acht vermag te slaan, blijkt dat: - de arrondissementsrechtbank van Stargard Szczecinski (Polen) bij vonnis van 2 april 1998, geveld in afwezigheid van de eiser, deze heeft veroordeeld om aan de verweerster een maandelijkse onderhoudsbijdrage te betalen; - de verweerster bij exploot van 5 juli 2016 bewarend beslag onder derden heeft laten leggen op grond van voormeld Pools verstekvonnis van 2 april 1998; - de beslagrechter bij beschikking van 4 april 2017, op derdenverzet van de ei-ser, dit bewarend beslag onder derden heeft opgeheven op de grond dat het vernoemde Poolse verstekvonnis van 2 april 1998 niet in België erkend kon worden, nu niet voldaan was aan de voorwaarde van artikel 24, § 1, 3°, Wet-boek IPR, en dus niet als titel voor het bewarend beslag kon gelden; - de verweerster hiertegen incidenteel hoger beroep heeft ingesteld.
  8. De appelrechters oordelen dat: - krachtens artikel 1414 Gerechtelijk Wetboek ook een buitenlands vonnis als titel geldt voor het leggen van bewarend beslag, zonder bijkomende rechter-lijke machtiging; - het Poolse verstekvonnis van 2 april 1998 uitdrukkelijk het bestaan van een schuldvordering erkent van de verweerster jegens de eiser; - dit vonnis voldoende bewijs levert van een zekere, vaststaande en opeisbare schuld, ongeacht het feit dat het in België nog niet uitvoerbaar werd verklaard en dat dit vonnis bijgevolg als titel kan dienen voor het leggen van een bewa-rend beslag.
  9. Door aldus het verstekvonnis van de arrondissementsrechtbank van Star-gard Szczecinski (Polen) van 2 april 1998 als toelating te aanvaarden voor een bewarend beslag, krachtens artikel 1414 Gerechtelijk Wetboek, zonder te onder-zoeken of voldaan is aan de voorwaarden voor erkenning in België, verantwoor-den de appelrechters hun beslissing over het incidenteel beroep van de verweer-ster niet naar recht. Het eerste onderdeel is gegrond. Overige grieven
  10. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit het incidenteel beroep gegrond ver-klaart en het oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de aldus beperkte aak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 12 september 2019 uitgesproken door sectie-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Van Ingel-gem, met bijstand van griffier Vanessa Van de Sijpe. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190912.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20190912.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.