id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.2 Rolnummer: P.19.0430.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-09-18 Raadplegingen: 650 - laatst gezien 2026-06-29 06:27 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement dat bepaalt dat de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren voorrang moet verlenen aan de andere weggebruikers geldt enkel voor bestuurders die een manoeuvre uitvoeren ten opzichte van bestuurders die geen manoeuvre uitvoeren en regelt niet de wederzijdse verplichtingen van bestuurders die beiden een manoeuvre uitvoeren; die wederzijdse verplichtingen worden geregeld door andere bepalingen van het Wegverkeersreglement. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.4 Vrije woorden: Bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren - Verlenen van voorrang aan andere weggebruikers - Toepassing Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0430.N
- C V C, beklaagde,
- L D, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de persoon en de goe-deren van C V C, bewindvoerder voor de beklaagde,
- P&V VERZEKERINGEN cvba, met zetel te 1210 Brussel, Konings-straat 151, vrijwillig tussengekomen partij, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseressen woon-plaats kiezen, tegen
- E A E V, beklaagde, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie,
- AG INSURANCE nv, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, burgerlijke partij, verweerster,
- V D V, burgerlijke partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster 3 woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correc-tionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, van 1 maart
- De eiseressen voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- De verweerder 1 werpt op dat de cassatieberoepen in zoverre tegen hem ge-richt op grond van artikel 416 Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk zijn omdat er tussen de eiseressen en hemzelf voor de appelrechters geen rechtsband bestond: de eiseressen hebben tegen hem geen vordering gesteld en de verweer-der 1 heeft zelf geen vordering gesteld tegenover de eiseressen.
- Het door de verweerder 1 opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid van de cassatieberoepen is om de vermelde redenen gegrond. In zoverre de cassatieberoepen van de eiseressen gericht zijn tegen de verweer-der 1, zijn ze bij gebrek aan hoedanigheid niet ontvankelijk.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat er voor de appelrechters evenmin een rechtsbestand bestond tussen de eiseressen en de verweerster 2: de eiseressen hebben tegen haar geen vordering gesteld en de verweerster 2 heeft zelf geen vordering gesteld tegenover de eiseressen. In zoverre de cassatieberoepen van de eiseressen gericht zijn tegen de verweer-ster 2, zijn ze bij gebrek aan hoedanigheid evenmin ontvankelijk. Middel Grond van niet-ontvankelijkheid van het middel
- De verweerster 3 werpt op dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre grieven worden aangevoerd die buiten de saisine van de appelrechters vallen, zoals die werd beperkt in het grievenformulier van de eiseres 1: in het grievenformulier heeft de eiseres 1 enkel de beslissing vermeld die haar volledig aansprakelijk verklaarde, zodat voor wat betreft de beslissing over de eigen fouten van de eiseres 1 haar hoger beroep vervallen was en het cassatiemiddel in de mate dat het tegen die beslissing opkomt niet ontvankelijk is.
- De eiseres 1 heeft in het grievenformulier onder de hoofding
- burgerlijk gebied, de rubriek 2.2 causaal verband aangekruist, met de toevoeging van de woorden "ten onrechte is [de eiseres 1] als volledig aansprakelijk voor het ver-keersongeval beschouwd". Uit die aankruising en vermelding kan niet worden afgeleid dat het de bedoeling was van de eiseres 1 om enkel de beslissing over de afwezigheid van eventuele fouten door de verweerders 1 en 3 aan de appelrech-ters voor te leggen met uitsluiting van de beslissing betreffende de beoordeling van haar eigen aansprakelijkheid. De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel kan niet worden aangeno-men. Gegrondheid van het middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 12.4 en 12.5 Wegver-keersreglement: de beslissingen van de appelrechters betreffende het aansprake-lijk zijn van de eiseres 1 en het niet-aansprakelijk zijn van de verweerster 3 zijn niet naar recht verantwoord omdat die beslissingen exclusief worden gesteund op de miskenning van deze bepalingen; de appelrechters hadden evenwel de aan-sprakelijkheid moeten beoordelen op grond van artikel 12.3.1 Wegverkeersre-glement; uit de vaststellingen van het bestreden vonnis blijkt dat de appelrech-ters aannemen dat op het ogenblik van het ongeval zowel de eiseres 1 als de ver-weerster 3 beiden een manoeuvre uitvoerden in de zin van artikel 12.4 Wegver-keersreglement; in dat geval moet de aansprakelijkheidsvraag niet worden be-oordeeld volgens deze bepaling die enkel geldt ten overstaan van weggebruikers die zelf geen manoeuvre uitvoeren, maar wel volgens de in artikel 12.3.1 Weg-verkeersreglement bepaalde voorrang van rechts.
- Artikel 12.4, eerste lid, Wegverkeersreglement bepaalt dat de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren voorrang moet verlenen aan de andere wegge-bruikers. Deze bepaling geldt enkel voor bestuurders die een manoeuvre uitvoe-ren ten opzichte van bestuurders die geen manoeuvre uitvoeren en regelt niet de wederzijdse verplichtingen van bestuurders die beiden een manoeuvre uitvoeren. Die wederzijdse verplichtingen worden geregeld door andere bepalingen van het Wegverkeersreglement.
- Uit de redenen van het bestreden vonnis volgt dat de appelrechters aanne-men dat zowel de eiseres 1 als de verweerster 3 een manoeuvre uitvoerden in de zin van artikel 12.4 Wegverkeersreglement. In dat geval moet de aansprakelijk-heidsvraag niet worden beoordeeld volgens deze bepaling die enkel geldt ten overstaan van weggebruikers die zelf geen manoeuvre uitvoeren, maar door an-dere bepalingen van het Wegverkeersreglement. Het bestreden vonnis dat anders oordeelt, is niet naar recht verantwoord. Het onderdeel is gegrond. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de beslissing over de aansprakelijkheid van de eise-res 1 leidt tot de vernietiging van de beslissingen over gebeurlijke fouten begaan door de verweerster 3 en over de schade-eis van de verweerster 3 tegenover de eiseres 1, met inbegrip van de beslissing over de kosten en de rechtsplegingsver-goeding, die er een gevolg van zijn. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie, behoeven geen ant-woord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 3 tegenover de eiseres
- Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Veroordeelt de eiseressen tot twee derden van de kosten van de cassatieberoepen. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Nederlandstali-ge correctionele rechtbank Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 602,22 euro, waarvan 210,54 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 17 september 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.2 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div