← België

ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 september 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.3 Rolnummer: P.19.0526.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-09-18 Raadplegingen: 626 - laatst gezien 2026-06-28 21:18 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De verplichting van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voor de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren om de andere weggebruikers te laten voorgaan, heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is; de rechter kan de voorrangsplichtige bestuurder van zijn aansprakelijkheid ontslaan indien hij vaststelt dat de gedragingen van de voorranghebbende bestuurder de voorrangsplichtige bestuurder in zijn gerechtvaardigde verwachtingen hebben bedrogen waarbij die regel aan het voorrangsprincipe niet elke betekenis ontneemt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 12 - Artikel 12.4 Vrije woorden: Verplichting voor de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren om de andere weggebruikers te laten voorgaan - Aard Verplichting voor de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren om de andere weggebruikers te laten voorgaan - Ontslag van de aansprakelijkheid van de voorrangsplichtige bestuurder door de rechter - Voorwaarde Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0526.N E P C S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Ellen De Hollander, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen

  1. V R, burgerlijke partij,
  2. SERIS SECURITY nv, met zetel te 1831 Machelen (Diegem), Telecom-laan 8, burgerlijke partij,
  3. AMLIN INSURANCE bo, met zetel te 1030 Brussel, Koning Albert II laan 37, burgerlijke partij, verweersters, met als raadsman mr. François Balot, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1040 Brussel, Boileaulaan 2, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 11 maart
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Luc Decreus heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn memorie aan de verweersters per aangetekende brief ter kennis heeft ge-bracht en het bewijs van verzending binnen de twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep ter griffie van het Hof heeft neergelegd, zoals ver-eist door artikel 429, tweede, vierde en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing op de door de verweersters tegen de eiser ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, is de memorie niet ontvankelijk. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  6. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot betaling van een voorschot aan de verweerster 1, beveelt een deskundigenonderzoek, houdt de beslissing over de kosten en de rechtsplegingsvergoeding aan en stelt de zaak vast voor verdere behandeling. Het bestreden vonnis stelt verder vast dat de lichamelijke schade van de verweerster 1 nog niet kan worden bepaald, het veroordeelt daar-om de eiser slechts tot betaling van een voorschot aan de verweersters 2 en 3 en het houdt de beslissing over de kosten wat die verweersters betreft aan. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Straf-vordering en die beslissingen zijn evenmin bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk.
  7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cas-satieberoep van de eiser is betekend aan de verweersters en dat het exploot van betekening binnen de twee maanden die volgen op de verklaring van cassatiebe-roep is ingediend bij de griffie van het Hof, zoals vereist door artikel 427, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid in de zin van artikel 420, tweede lid, 2°, Wetboek van Straf-vordering, is het niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat de exacte bepaling van de snelheid geen relevant element is en beslist anderzijds dat het bewezen is dat de gevoerde snelheid onaangepast zou zijn geweest.
  9. Het is niet tegenstrijdig eensdeels te oordelen dat de precieze bepaling van de door de eiser gevoerde snelheid niet noodzakelijk is voor de beoordeling van zijn schuld en anderdeels te beslissen dat deze snelheid onaangepast was. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, de artikelen 29, § 1, derde lid, en 38, § 1, 3°, Wegver-keerswet en de artikelen 10.1.1°, 10.1.3° en 12.4 Wegverkeersreglement: het be-streden vonnis oordeelt ten onrechte dat de eiser zich normaal eraan kon ver-wachten dat er voertuigen van op een oprit de baan zouden kunnen oprijden en dat nergens uit blijkt dat het opdagen van het voertuig van de verweerster 1 der-mate plots gebeurde dat het hierdoor onvoorzienbaar zou zijn; de eiser diende zich niet eraan te verwachten dat een voertuig, met miskenning van de voorrang-regels, alsnog de rijbaan oprijdt.
  11. De verplichting van artikel 12.4 Wegverkeersreglement voor de bestuurder die een manoeuvre wil uitvoeren om de andere weggebruikers te laten voorgaan, heeft een algemene strekking en houdt geen verband met de inachtneming van de verkeersregels door de andere weggebruikers op voorwaarde evenwel dat hun komst niet onvoorzienbaar is. De rechter kan de voorrangsplichtige bestuurder van zijn aansprakelijkheid ontslaan indien hij vaststelt dat de gedragingen van de voorranghebbende bestuurder de voorrangsplichtige bestuurder in zijn gerecht-vaardigde verwachtingen hebben bedrogen. Die regel ontneemt aan het voor-rangsprincipe niet elke betekenis. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  12. Het bestreden vonnis (p. 7) stelt vast dat hoewel de verweerster 1 in begin-sel voorrangsplichtig was, zij zich bevond in een zone waar de maximum toege-laten snelheid 50km/u bedroeg, zij zich niet diende te verwachten aan het plots opdagen van een voertuig met een snelheid die gelet op de geloofwaardige ver-klaring van de getuige en de zeer zware impact tussen de voertuigen alleszins veel hoger lag dan de maximaal toegelaten snelheid en het duidelijk is dat het voertuig van de eiser ingevolge de door hem gevoerde snelheid onvoorzienbaar opdaagde. De beslissing dat de aansprakelijkheid voor het ongeval integraal bij de eiser legt, is dan ook naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 418 en 420 Strafwetboek, de artikelen 29, § 1, derde lid, en 38, § 1, 3°, Wegver-keerswet en de artikelen 10.1.1°, 10.1.3° en 12.4 Wegverkeersreglement: door te oordelen dat de eiser zou dienen aan te tonen dat het opdagen van het andere voertuig dermate plots gebeurde dat dit hierdoor onvoorzienbaar zou zijn, keert het bestreden vonnis de bewijslast om.
  14. De appelrechters oordelen niet dat het aan de eiser behoort aan te tonen dat het voertuig van de verweerster 1 een voor hem niet te voorziene hindernis was. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van overmacht: de verweerster 1 kan als voorrangsplichtige bestuurster aan haar aan-sprakelijkheid enkel ontsnappen indien zij een geval van overmacht bewijst; het bestreden vonnis neemt ten onrechte aan dat de komst van de eiser, gelet op de door hem gevoerde snelheid, voor de verweerster 1 onvoorzienbaar was.
  16. Uit het antwoord op het eerste middel, tweede onderdeel, volgt dat de be-slissing over de voorrangsplicht van de verweerster 1 naar recht verantwoord is. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Alain Bloch, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 17 september 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Luc Decreus, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190917.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220118.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.