← België

H. contra S.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 01 oktober 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.3 Rolnummer: P.19.0575.N Zaak: H. contra S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2019-10-03 Raadplegingen: 1442 - laatst gezien 2026-06-29 08:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich concreet heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat; dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan zodat er bijgevolg geen oorzakelijk verband is wanneer de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan indien de verweerder de hem verweten handelwijze correct had uitgevoerd

(1).
(1)Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0696.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9, AC 2018, nr. 423 met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Begrip. Beoordeling door de rechter Vrije woorden: Oorzakelijk verband - Begrip - Bewijslast - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 Bij het beoordelen van het oorzakelijk verband tussen fout en schade moet de rechter bepalen wat de betrokkene had moeten doen om rechtmatig te handelen en moet hij abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval, zonder de andere omstandigheden ervan te wijzigen, om vervolgens na te gaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan; indien de rechter daarbij vaststelt dat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan of oordeelt dat zulks onzeker is, is er geen oorzakelijk verband tussen fout en schade
(1).
(1)Cass. 28 juni 2018, AR C.17.0696.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9, AC 2018, nr. 423 met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Begrip. Beoordeling door de rechter Vrije woorden: Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering [VAV] - 2019, nr. 6, P. 8-
  1. - BREWAYES, Luc; Noot'Principes van causaliteit nogmaals in herinnering gebracht' Tekst van de beslissing Nr. P.19.0575.N
  2. K. H., ,
  3. M. R.,
  4. Y. H.,
  5. L. H.,
  6. E. H.,
  7. L. H.,
  8. R. H., burgerlijke partijen, eisers, met als raadsman mr. Inge Gabriels, advocaat bij de balie Brussel, tegen
  9. V. S., beklaagde,
  10. IMENA, vennootschap naar Litouws recht, met zetel te 89222 Mazikiai (Litouwen), Draugystes g. 8-10, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, verweerders, beiden met als raadsman mr. Frederiek Baudoncq, advocaat bij de balie Leuven, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 5 bus 2, waar de verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 18 april
  11. De eisers voeren in een memorie dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eisers 4 tot en met 7 geen partij waren in de beroepsprocedure die geleid heeft tot het bestreden vonnis. Het cassatieberoep van de eisers 4 tot en met 7 is niet ontvankelijk. Eerste middel Ontvankelijkheid
  13. De verweerders voeren een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel heeft geen betrekking op de uitspraak over de telastlegging C.
  14. De eisers voeren aan dat de appelrechters ten onrechte oordelen dat geen oorzakelijk verband bestaat tussen het foutief parkeren van de trekker-opleggercombinatie, voorwerp van de telastlegging C, en de schade zodat het middel eveneens betrekking heeft op de telastlegging C. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  15. De verweerders voeren een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: de eisers voeren ten onrechte de miskenning van een rechtstheorie aan.
  16. De eisers voeren schending aan van de artikelen 1382 en volgende Burgerlijk Wetboek omdat de appelrechters het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade onjuist beoordelen.
  17. Het middel voert aldus geen miskenning aan van een rechtstheorie. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
  18. De verweerders voeren een derde grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel is onduidelijk.
  19. De eisers voeren aan dat de appelrechters ten onrechte hebben besloten tot de afwezigheid van een oorzakelijk verband tussen de fout en de schade. Het middel is niet onduidelijk. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid
  20. Het middel voert schending aan van artikel 1382 en volgende Burgerlijk Wetboek: de appelrechters oordelen ten onrechte dat tussen het foutief parkeren van de trekker-opleggercombinatie en de schade geen oorzakelijk verband bestaat.
  21. Degene die schadevergoeding vordert moet bewijzen dat er tussen de fout en de schade, zoals die zich concreet heeft voorgedaan, een oorzakelijk verband bestaat. Dit verband veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan. Er is bijgevolg geen oorzakelijk verband wanneer de schade zich eveneens zou hebben voorgedaan indien de verweerder de hem verweten handelwijze correct had uitgevoerd. De rechter moet aldus bepalen wat de verweerder had moeten doen om rechtmatig te handelen. Hij moet abstractie maken van het foutieve element in de historiek van het schadegeval, zonder de andere omstandigheden ervan te wijzigen, en nagaan of de schade zich ook in dat geval zou hebben voorgedaan. Indien de rechter daarbij vaststelt dat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan of oordeelt dat zulks onzeker is, is er geen oorzakelijk verband tussen fout en schade.
  22. De appelrechters oordelen dat: - T. G. op 24 oktober 2015 op de rechterrijstrook van de E314 reed in de richting van Leuven en ter hoogte van kilometerpaal 81.6 schuin naar rechts afweek van zijn normale lijn; - hij hierdoor met de rechterflank van zijn voertuig aan hoge snelheid botste op de linkerachterhoek van de trekker-opleggercombinantie die de verweerder op de pechstrook had geparkeerd; - de inzittende S. H. hierbij om het leven kwam; - de verweerder zijn trekker met oplegger op de pechstrook van de autosnelweg had geparkeerd om zijn verplichte rustpauze te nemen en hierdoor een inbreuk beging op artikel 21.4.4 Wegverkeersreglement; - het foutief parkeren van de trekker met oplegger niet in oorzakelijk verband staat met de schade omdat de schade zich op dezelfde wijze zou hebben voorgedaan wanneer de trekker met oplegger op de pechstrook had stilgestaan als gevolg van panne.
  23. De appelrechters die oordelen dat geen oorzakelijk verband bestaat tussen het foutief parkeren van de trekker met oplegger en de schade omdat deze zich ook zou hebben voorgedaan indien de trekker met oplegger op de pechstrook had stilgestaan met panne, wijzigen de omstandigheden van de historiek van het schadegeval en verantwoorden bijgevolg hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Tweede middel
  24. Het middel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie, behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het oordeelt over de vorderingen van de eisers 1 tot en met 3 en de hieraan verbonden kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de helft van de kosten van de cassatieberoepen. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, zetelend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 680,10 euro, waarvan 140,58 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Geert Jocqué, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 1 oktober 2019 uitgesproken door waarnemend voorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191001.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230510.2F.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180628.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240327.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.